Een prijs winnen voor een verhaal?



Om het schrijven door blinden en slechtzienden te stimuleren organiseerde Stichting Dr. Alam Darsono een verhalenprijsvraag. De inzendtermijn is op 16 februari 2019 verstreken. Inmiddels is het juryrapport opgesteld. Dit presenteren wij hieronder.
Na het juryrapport plaatsen wij de verhalen die bij naam genoemd worden in het juryrapport.

Rapport van de jury voor de verhalenprijsvraag van Stichting Dr. Alam Darsono



Inleiding


Onder het mom van ‘een prijs winnen voor een verhaal?’ heeft Stichting Dr. Alam Darsono in december 2018 haar verhalenprijsvraag bekendgemaakt. Er hebben aankondigingen in de tijdschriften Pointe en Moet je horen gestaan en in de nieuwsrubriek van Passend Lezen. De bedoeling was het schrijven door blinden en slechtzienden te stimuleren.
Deze prijsvraag had twee thema’s: ´Dromen' en ‘Kinderen’. Deze thema’s mochten ruim worden opgevat.
Er was één prijs van €  250.
De jury bestond uit: Ninon Vis, Joke Clazing en Jaap van der Hoest. Deze had een onafhankelijk secretaris: Ruben van der Hoest, die de inzendingen na verwijdering van de namen van de inzenders moest doorsturen naar de juryleden.
Bij de beoordeling moest de jury in het bijzonder letten op de leesbaarheid en de originaliteit van de verhalen. Een belangrijke vraag voor de juryleden was: doet het verhaal de lezer iets?
Verder waren er eisen voor de grootte van de verhalen en het maximale aantal van 3 verhalen. Inzendingen moesten uiterlijk op 15 februari 2019 op het door de secretaris beheerde e-mailadres van de prijsvraag zijn ontvangen.

Het werk van de jury


Kort na de uiterste inzenddatum (15 februari) heeft secretaris Ruben de inzendingen geordend. Totaal waren 29 verhalen ingezonden. Vervolgens heeft hij de namen van de inzenders gescheiden van de verhalen en de namen vervangen door nummers. Daarna heeft hij de verhalen naar de juryleden gestuurd.
De jury is na een leestijd van é&eactue;n week met de beoordeling van de inzendingen begonnen. Volgens de gekozen werkmethode zijn de drie juryleden eerst individueel aan het werk gegaan. Daarbij heeft ieder lid vanuit eigen beoordeling een top-3 gemaakt. Deze lijstjes van 3 verhalentitels zijn vervolgens aan elkaar voorgelegd. Dat leverde niet meteen de winnaar op. Via e-mailwisselingen werden keuzen voor plaatsen op de top-3’s toegelicht en van argumenten voorzien. Dat leidde tot andere visies op naar voren gebrachte verhalen en herschikkingen op de top-lijstjes. Op een gegeven moment was er sprake van twee ‘spitskandidaten’. Door een combinatie van een puntentelling en kwaliteitsbeoordelingen (aan de hand van de criteria ‘goed geschreven, originaliteit en doet het de lezer iets?’ eindigde er toen één verhaal bovenaan.

Toekenning van de prijs


Het verhaal dat uiteindelijk bovenaan is gekomen, is het verhaal waaraan de jury de prijs toekent. Dit is ‘Vermist spiegelkind’, van Piet Devos.
Nummer twee is met slechts een klein verschil gevolgd. Omdat er bij deze prijsvraag sprake is van niet meer dan een enkele prijs, kan de jury bij dit verhaal niet tot nog een prijstoekenning komen. De jury meent echter de vrijheid te kunnen nemen dit verhaal, vanwege de kwaliteit die het heeft, een eervolle vermelding te mogen geven. Deze eervolle vermelding kent de jury toe aan het verhaal ‘Zandkasteel’, van Rosselind Mattice.

Tot slot


De jury merkt op dat er bij de inzendingen meer goede verhalen zaten. Deze verhalen zijn weliswaar buiten een toekenning gebleven, maar verdienen het wel om gelezen te kunnen worden. Daarom geeft de jury alle inzendingen voor deze prijsvraag aan Pointe, zodat de redactie van dit gesproken tijdschrift er verhalen uit kan kiezen voor publicatie.

5 maart 2019
de leden van de jury,
Ninon Vis, Joke Clazing, Jaap van der Hoest

Het winnende verhaal: Vermist spiegelkind


een verhaal van Piet Devos

Staat u even stil, beste bezoeker, want hier lig ik dan, voor u, in klei. Inderdaad, achter dit gordijn. Tilt u het gerust nog wat verder op en laat uw handen over mijn lichaam gaan. Maar bedwing uw neiging om mij te willen zien. Dat is immers volkomen nutteloos; in deze kist is het aardedonker. Het duister is hier binnenin nog vele malen dieper dan in het schemerige zaaltje waar u zich bevindt. Ik weet het; in een museum als dit verwacht u objecten in glazen vitrines en beelden van was of marmer achter een touw – onaanraakbaar, op een veilige afstand, maar des te meer blootgesteld aan uw hongerige blikken. Wel, hier bestaat deze illusie van onderlinge distantie niet. Kom toch nog wat dichterbij en geloof, al is het slechts voor deze ene keer, in wat uw vingertoppen u vertellen!
Denk nu niet dat zij die mij gemaakt heeft, u veracht om de bezitsdrang van uw ogen. Ze heeft die kijklust zelf vaak genoeg achter haar werkloze netvliezen voelen branden. En heus niet alleen in die eerste maanden, toen haar spiegelbeeld geleidelijk aan begon op te lossen.
Ze moet een jaar of acht zijn geweest, hooguit negen. Het meisje dat ’s ochtends in de badkamer altijd gekke grimassen trok of een lange, spitse tong naar haar uitstak, had zich in een allengs dichtere mist gehuld. Het kwam niet door de condens, daarvan had ze zich meermaals vergewist. Als ze op de toppen van haar tenen ging staan om met de mouw van haar pyjama het spiegeloppervlak schoon te vegen, bleef het beeld net zo nevelig. Eerst had ze gedacht dat dat maffe spiegelkind weer een geintje met haar uithaalde. Ze vond het ook best grappig; alsof het in de snikhete badkamer uitsluitend in de spiegel vroor en de adem van het meisje tegenover haar in wolkjes uit haar mond omhoog kringelde. Pas toen ze ook buiten in het heldere voorjaarslicht mistslierten zag, in de etalages van de winkels en tussen de takken van de bomen, voelde ze paniek opkomen. Toch durfde ze er nog met niemand over te praten, en lachte ze maar wat schaapachtig mee met de kinderen uit de buurt, wanneer ze opnieuw over een drempel of stoepje struikelde. De spottende gezichtjes om haar heen waren inmiddels net zulke wazige vlekken als van het meisje boven de wastafel.

Herkent u de vormen waar u langs strijkt? Vlak voor u een romp, rechts daarvan een hoofd? Beide nagenoeg op ware grootte, zegt u? Niet gek, helemaal niet gek! Ik lig inderdaad op mijn rug, met mijn linkerzij naar u toegekeerd – met onder, boven en rechts van me de houten wanden van de gekantelde kist.
Een tengere hals? Ja, dat is misschien wel mijn meest breekbare deel. Maar gaat u alstublieft niet te snel. Tasten vraagt om behoedzaam verkennen, om terugkeren naar wat u reeds lang meende te weten. Wat dat voor golvend patroon is rond de hals, dat ook mijn schouders bedekt? Zegt u het maar! De plooien van een jurk misschien? Mijn neervallende lokken? Wie weet… Of zijn het de achtergebleven indrukken van boetserende vingers? Voelt u nog eens goed.

Op een ochtend was behalve het meisje ook de spiegel verdwenen. De badkamer was niet meer dan een verzameling wankele contouren. Net zoals elk voorwerp in huis of haar angstige ouders, die haar overal stevig bij de hand hielden. Ze troonden haar mee naar een eindeloze reeks dokters, die allemaal op eendere wijze mompelden en – zo veronderstelde ze – moedeloos van nee schudden. Ze kreeg dan ook schoon genoeg van die steriele ziekenhuisluchtjes en kille wachtkamers. Want in tegenstelling tot haar ouders was ze er algauw achter dat er helemaal niets was om bang voor te zijn. Als ze zich maar niet krampachtig vastklampte aan de draderige silhouetten om haar heen, dan was de wereld er nog steeds. Oké, die was anders dan voorheen, maar daarom niet minder vertrouwd. Op de overloop hoefde ze heus niet het aantal stappen van haar kamer naar de trap te tellen, zoals haar moeder haar in het begin steeds weer smeekte te doen. De opening naar de trap was perfect te horen, zodat haar voet zonder aarzeling de eerste tree vond en ze vervolgens even hard als vroeger naar beneden stoof. Toen ze niet langer op dat laatste restje zicht rekende, botste ze ook minder vaak tegen dingen op. Ze schaamde er zich niet voor om arm in arm met haar beste vriendin over het schoolplein te lopen; lachend en kletsend volgde ze, zonder erbij na te denken, haar vriendins bewegingen om vuilnisbakken en fietsrekken te omzeilen. Maar ook wanneer ze alleen over straat liep, was er nu haar stok die haar waarschuwde voor op- en afstapjes. En, niet te vergeten, dat merkwaardige gevoel ter hoogte van haar voorhoofd - als een zachte druk op haar huid - waardoor ze de nabijheid van een groot obstakel als een reclamebord of een geparkeerde auto gewaarwerd.

Daar zijn uw vingers inmiddels ook aangeland, bij mijn voorhoofd, niet? Lukt het een beetje om mijn gelaatstrekken te ontcijferen, mijn afkomst te bepalen? Daar bent u normaal gesproken toch zo goed in? In mensen thuiswijzen op basis van hun huidskleur, de vorm van hun neus en hun jukbeenderen? Klopt, dat is heel wat lastiger op de tast! Ineens vallen alle zekerheden en categorieën weg. Ik wil u wel verklappen dat mijn huid naar okerrood neigt, maar dat is simpelweg de kleur van de geglazuurde klei. U gelooft dat ik amandelogen heb? Vanwege die huidplooi? Misschien vergist u zich, en zijn dit gewoon mijn gesloten oogleden, met daarachter mijn naar binnen gerichte blik die in de peilloze leegte tuurt.

Hoewel mijn maakster de wereld dus herontdekt had, miste ze in haar hart wel het verdwenen spiegelkind. Terwijl zij stilaan volwassen werd, was het meisje uit de badkamer nooit ouder geworden. Ze zag het beeld van het kind scherp omlijnd voor zich, als bij toverslag gestold in de tijd, kort voordat het voorgoed zou verdampen. Het gemis was vaak niet meer dan een milde deining, die soms zelfs volledig wegebde, maar af en toe ook kon aanzwellen en dan woest tegen haar ribben beukte. Die moeilijke momenten kwamen meestal na de een of andere opmerking over haar veranderende uiterlijk. Dat ze binnenkort een echte vrouw zou zijn bijvoorbeeld. Of dat haar haren almaar donkerder schenen, dat een bril haar niet zou misstaan, dat ze zich niet zo jongensachtig zou moeten kleden, dat wat mascara haar lange wimpers nog beter zou doen uitkomen, dat die make-up haar totaal niet stond, dat ze een taille had om jaloers op te zijn, dat ze nodig moest afvallen, dat ze mooie borsten had, maar wel wat aan de kleine kant…
Nee, werkelijk, haast u vooral niet. Er wordt telkens maar één bezoeker tot deze zaal toegelaten, en die krijgt een half uur de tijd. Maar natuurlijk, knielt u rustig naast me neer, plek zat, en laat dat gordijn achter u maar vallen. Knus toch, zo samen in deze kist? De fluwelen stem die nu al ruim een kwartier tegen u praat, is trouwens de stem van mijn maakster. Ja, hier in het duister is zij overal en nergens tegelijk.
Heeft u bemerkt hoe ik, boven mijn gewelfde borst, mijn handpalmen tegen elkaar druk? De vingertoppen wijzend naar de kin, de duimen tegen het borstbeen? Of ik aan het bidden ben? Het staat u vrij dit gebaar zo te duiden. Maar het zou evengoed een groet kunnen zijn, als in een oosterse namasté, waarmee ik voor de goden, de mensen, de planten en de dieren buig.
U vindt mijn handen en armen nogal abstract uitgevoerd? Net gevouwen vleugels, of een grote, opstaande vin? Waarom ook niet? Laat uw verbeelding maar de vrije loop!

Wanneer ze precies besloot mij te maken is haar ontschoten. Maar gaandeweg rijpte het besef dat ze als jonge vrouw enkel uit woorden bestond, uitspraken van anderen die, soms na amper één oogopslag, meenden haar te kennen. Wie zou hen ook tegenspreken, zolang ze voor zichzelf een raadsel was? Hoe kon ze dat verdwenen kind ooit terugvinden en doen herleven? En nu ze er zo over nadacht, hoe had dat meisje er eigenlijk uitgezien? De spiegel had doorgaans alleen haar guitige smoeltje getoond, een uitsnede als van een buste, een profiel, maar nooit haar volledige lichaam. Wat had die spiegel zoal aan het oog onttrokken, afgevlakt tot een onlijfelijk beeld? Gevangen in de weerkaatsing van haar herinnering bleef dat gebroken kind hoe dan ook ongrijpbaar.

Leg uw hoofd eens op mijn buik. Ja, daar ter hoogte van de navel, met uw wang tegen het koele, gladde glazuur. Welnee! Ik barst niet zo gauw, sinds ik tweemaal door die oven van om en nabij de duizend graden ben gepasseerd. U doet dit toch niet voor het eerst? U hebt u vast weleens, in de vroege uurtjes, op dezelfde manier bij uw geliefde neergevlijd. Toen klonk in uw oor het gemurmel en geklots van ingewanden. In mijn binnenste, evenwel, heerst stilte - absolute stilte. Luister maar…:

Ze heeft uiteindelijk meer dan een jaar aan me gewerkt. Terwijl ik op de tafel in het gehuurde atelier lag, voegde ze telkens nieuwe brokjes klei aan me toe, zodat ik elke keer opnieuw bevochtigd, gekneed, gemodelleerd en gladgestreken moest worden. Zo welde ik langzaam uit haar op, maar vraag haar niet waar ik vandaan kwam.
Of ik op mijn maakster lijk? Zonder enige twijfel, voor wie voorbij de spiegel kijkt.
Volgens u hebben mijn benen iets weg van een gestileerde staart? U bedoelt, met die openvallende knieën en tegen elkaar geplaatste voetzolen? U heeft werkelijk een rijke fantasie! Maar kom, draait u er toch niet langer omheen! Ach, voor mij hoeft u niet zo preuts te doen, dat is nergens voor nodig. U weet best waar u al de hele tijd met klamme handen rond cirkelt. Laat ze nu maar ongestoord hun gang gaan…
Ah, u schrikt, omdat u nattigheid voelt! Ja, waar u de waarheid van mijn geslacht en van uw verlangen hoopte aan te treffen, is slechts een driehoekig waterbekken. Jazeker, kunstig aangebracht tussen mijn dijen. Schroomt u vooral niet en dompel uw handen tot aan de polsen, of voor mijn part nog verder, in het verkwikkende bassin. Er zit echt niets in dat u zal bijten. Laat u gerust nog wat zakken. Ja, zo! Wie zal zeggen welke parels u in de diepte wachten…
Onze tijd samen is bijna om, beste bezoeker. Ik begrijp dat het u zwaar valt om me los te laten, maar mijn volgende gast staat al achter de deur, klaar om binnen te komen. Hangt u het gordijn weer netjes voor mijn kist? Het was me een waar genoegen!

O ja, links van de uitgang staat een doos met tissues. Dan kunt u zich even afdrogen. Dat is wel zo prettig, nietwaar?

Het verhaal met de eervolle vermelding: Zandkasteel


een verhaal van Rosselind Mattice

Nog één keer wil ik me er aan over geven. Nog één keer wil ik me verliezen in het spel. Het spel met zand, zee en getij dat me als kind al zo intrigeerde.

Al vroeg, de zon is net op, sta ik op het gladde eb-strand. De zee bonkt op flinke afstand tegen de kust. De lucht is fris tintelend en een stevige wind striemt het zand tegen mijn blote benen. Ik haal het kleine schepje uit mijn tas en staar naar de enorme ruimte om me heen.
De onbevangenheid van het kind ben ik allang kwijt. Mijn handelingen zijn overdacht, thuis al verzonnen. Ik ga het zus en ik ga het zo bouwen. Ik ga een kunstwerk neerzetten!

Het moet een groot kunstwerk worden, iets dat al van ver wordt waargenomen. Ik trek een cirkel in het zand en kijk van een afstand of de afmeting mij bevalt. Het is wel groot. Ik aarzel maar ga dan definitief aan de gang. Ik graaf een diepe geul langs de binnenkant van de cirkel.

Mijn gedachten dwalen af, verdwijnen in het verleden en pikken de kleine pareltjes van geluk op die ik met iedere schep zand naar boven haal.
Ik zie opa, zwaar hijgend en met rode wangen, serieus gebarend waar ik die ene speciale schelp moet plaatsen. Ik zie mijn grootmoeder staan in haar flessengroene jurk en een zonneklep op haar warrige haar die zegt: "Willem, kijk eens wat een groot schip daar aan de horizon!" En opa bromt wat en vindt nog steeds het plaatsen van de schelp belangrijker dan het schip op zee.

De geul is lekker diep geworden en het zand dat eruit gegraven is vormt al een mooie bult. De wind is toegenomen. Het slijpt mijn huid terwijl mijn haar voor mijn ogen zwiept.
Ik denk aan de foto die ergens in een album zit. Ook daar amuseer ik me door een bouwwerk op het strand te maken. Mijn haar, nog zwart, zwiept om me heen en mijn ogen kijken stralend naar de fotograaf. Zo gelukkig, zo intens gelukkig. Toen nog wel. Snel verplaats ik mijn gedachten en steek een paar keer diep in de geul. Het dringt tot me door wat ik gedaan heb. Een stuk van de geul, wel een halve meter lang, is dieper dan de rest. Dat is niet goed. Even twijfel ik en dan besluit ik de al klaar verklaarde geul ook dieper te maken. Ik vergeet mijn omgeving. Ik werk. Er zal tenminste één keer in mijn leven een prachtig kasteel op dit strand verschijnen. Een eigenhandig gemaakt kasteel. Een droomkasteel.

En dat is wat ik doe. Ik droom. Ik denk terug aan mijn grootmoeder die weigerde te wachten op de vloed. Hoe opa en ik ook baden en smeekten, zij wilde naar huis. En zij won. Altijd!
Ik grijns er nu om maar toen, nee zo zou ik nooit zijn voor mijn kinderen. Bij een kasteel op het strand hoort opkomend water dat langzaam in een gracht stroomt. Oh, die eerste golf. De golf die voorzichtig aan de rand van ons beschermde gebiedje komt kabbelen. Ik kan me zo verheugen op die spanning.

Ik weet dat het niet slim is om zo ver bij de zee vandaan een kasteel met gracht te bouwen. Dit gegeven ken ik uit de tijd dat mijn kinderen fanatieke bouwers werden. Uren, mijn grootmoeder in gedachten, moesten we wachten tot de vloed opkwam om de eerste golf de gracht in te stuwen. Maar dat was toen. Uren met kleine kinderen wachten op die eerste golf is het domste wat je kunt doen. De kinderen zijn moe door zon, zand en zee. Hun kleren zijn allang nat en hun vader heeft na een aantal keren heen en weer fietsen naar het dorp om eten en drinken te halen allang geen zin meer om op die verrekte vloed te wachten.
Vanaf die eerste mislukking werden de kastelen vrijwel in de zee gebouwd.

Eindelijk is de geul helemaal uitgegraven. Tevreden loop ik er omheen. "Goed gedaan meissie,' zeg ik tegen mezelf, "het is een prima gracht geworden!"
De bult zand in het midden nodigt uit tot iets spectaculairs. Iets met torens, poorten en een brug. Ik zal het versieren met schelpen en ingesneden tekeningen van rozen die zich omhoog lijken te werken. Een kasteel Doornroosje waardig!
Ik luister naar de zee. Die komt al mooi dicht bij. De wind uit het noorden stuwt het water waarschijnlijk nog sneller mijn kant op.
Tevreden kniel ik neer en begin te vormen, Ik duw het zand omhoog terwijl mijn handen een ronde vorm erin brengen.
Ik denk aan mijn kleindochter. Ze was nog maar anderhalf jaar en druk in de weer mij steeds opnieuw een zandvormpje in de hand te duwen. Ach, oma wilde wel taartjes bakken. Ze hielp blij het hele baksel weer te verpletteren. Ineens was daar die labrador. Groot, breed en hartstikke vol blijdschap, denderde hij over het strand. In volle vaart stuiterde hij over de baksels en mijn kleindochter heen. In één beweging trok ik haar tegen me aan. "Stil maar lieverd, stil maar," fluisterde ik, "oma is hier!" Beschermen wilde ik, beschermen tegen grote dwaze honden. Ze keek me aan vanonder een haarlok. In het zand dat schitterde op haar wangetjes kwamen druppels bloed uit een schram tevoorschijn. Ze lachte. "Hondje", zei ze, "hondje lief!" Nog voel ik de drang in me om de bazin van dat lieve hondje een oplawaai te verkopen.

Mijn kasteel heeft vorm gekregen. Het is hoog en elegant. De klimrozen zijn prachtig gelukt, als ik mooie pastelgekleurde hartschelpjes vind zal ik in ieder rozenhart een schelpje plaatsen. Oh, ik wist dat ik het in me had. Straks zal ik foto’s maken maar eerst moet ik schelpen zoeken en iets waar ik een vlag van kan maken en een plankje voor de brug.
Ik kom overeind. De wind giert om mijn hoofd, mijn kleren klapperen om me heen. Het zand doet nu toch wel pijn aan mijn benen maar ik ben hard, ik moet er wat voor over hebben om voor één keer een echt zandkasteel neer te zetten. Maar opschieten moet ik wel. Het water is al erg dichtbij. Nog een paar meter en de golfjes zullen lieflijk mijn gracht binnentreden.
Gebukt tegen de wind in zoek ik wat schelpen. Veel is er niet, wat messen, kokkels en hartschelpjes. En ik vind een mooi plankje, geschuurd door de zee, zacht en glad gevormd. Ik loop terug met mijn schatten tegen me aan en raap nog snel een stuk touw en een lapje op.

Het water nadert mijn kasteel, nog een meter of twee te gaan. Ik plaats kleine schelpjes in de rozenharten en strakke schelpen accentueren de poorten en doorgangen. Ik frutsel het touwtje heel voorzichtig bij de toegang en leg het plankje bij wijze van ophaalbrug er overheen. Trots bekijk ik het geheel. Ik vind het schitterend en in gedachten hoor ik opa, mijn kinderen en mijn kleindochters blij lachen en kletsen. "De zee!" roepen ze, "de zee komt er aan!"
En ja, de zee komt er aan. Niets geen lieve golfjes maar grote aanstormende rollers draven het stukje strand voor mijn kasteel op. Opgewonden plaats ik het lapje dat ik aan een stokje heb gebonden op de bovenste punt. Ik ben wat nerveus omdat het oerlawaai nu toch wel heel overtuigend is. Snel duw ik het in de top. Te hard, te onbesuisd. Uren heb ik gewerkt om dit prachtige resultaat te bereiken en nu, het is niet te geloven, stort mijn bouwsel van dromen in elkaar.
Tegelijk klapt een golf hard tegen mijn benen. Ik plof boven op mijn kasteel. Mijn kasteel, mijn domein, is tot een rommelige bult zand verworden. Een golf heeft mijn gracht in één keer gevuld. Het water stroomt al over de rand. De volgende golf slaat over dat wat mijn kasteel was, heen.
Snel kom ik overeind. Verwilderd bekijk ik de ravage. "Te kwetsbaar", denk ik, "blijft een zandkasteel dan toch een droom?"
Drijfnat klim ik tegen het duin op. Ik ben enigszins verbitterd. Zelfs een foto van mijn feestje op het strand, heb ik niet kunnen maken. Mijn droom om eens in mijn leven een volwaardig zandkasteel te bouwen is verdronken in zout water. Het is mij niet gegund. Het lot heeft bepaald dat in mijn leven geen zandkastelen horen!



naar Pointe
terug naar de beginpagina van de website