INTERVIEW VAN JAAP VAN DER HOEST MET ALAM DARSONO OVER ZIJN BOEK "KINDEROGEN"


Alam, laat ik het interview beginnen. Mijn eerste vraag is: Hoe ervaar je het dat er een boek van je is uitgegeven? Hoe was het om een exemplaar ervan in handen te krijgen van de uitgever?
Alam: Frustratie en zevende hemel. Voordat je een uitgever hebt gevonden, die bereid is je boek uit te geven heb je al een aantal teleurstellingen, afwijzingen, achter de rug. En als er een bereidwillige uitgever is gevonden, voor mij Thomas Rap, dan ben je in de zevende hemel. Toch is er frustratie, want voordat je boek uitkomt, gaan er maanden overheen. Minstens zes, zeggen ze. Maar bij mij was het driemaal zes. Wanneer het boek eindelijk wordt gepresenteerd door de uitgever, ben je weer in de zevende hemel. En dat is er weer frustratie. Je hebt een exemplaar van het boek in je handen en je gaat je ongerust maken of het wel zal opvallen.

Vraag: Waarover gaat je boek?
Alam: Het boek bestaat uit zeven verhalen over hetzelfde jongetje. De eerste drie spelen in het Berlijn van tussen 1930 en 1935. Berlijn was toen een stad met een vrijgevochten cultuur, enigszins te vergelijken met het Amsterdam van nu, met duidelijke tekenen van decadentie. Het was de tijd dat Hitler er met zijn nazi-partij de macht greep. Het jongetje Bubi ziet het alles aan en ondergaat het. Als kind neemt hij alleen maar waar, oordeelt niet. Het eerste verhaal heet dan ook: Een gevoelige plaat. De laatste vier verhalen spelen in het Amsterdam van 1935 tot 1945. Bubi heet dan Njonnie en is een schooljongen. Een schooljongen gaat geleidelijk aan oordelen over de mensen en gebeurtenissen rondom hem. Het laatste verhaal, Nachtvlucht op Berlijn, geeft het conflict weer van een jonge tiener. Als Bubi denkt hij aan het gebombardeerde Berlijn en als Njonnie aan het bezette Amsterdam. Hij zit met tegenstrijdige gevoelens.

Vraag: De titel van je boek is Kinderogen. Kijk jij als auteur ook door kinderogen? En beleeft de lezer de verhalen vanuit het perspectief van het kind?
Alam: De titel van mijn boek is bedacht door de uitgever. Mijn titel was: Bruine kinderogen in Berlijn en Amsterdam. Veel te lang, denk ik nu. Het idee om vanuit het perspectief van het kind te schrijven, was het gevolg van de inspiratie die kwam doordat ik gevraagd werd mee te doen aan een televisie-documentaire over Berlijnse emigranten naar Amsterdam in de jaren dertig. Men was op zoek naar mijn vader, maar omdat die inmiddels was overleden in IndonesiŽ, vroeg men mij om als remplacant voor hem te dienen. In de betreffende tijd was ik nog een kind en zodoende had ik eigenlijk niets te vertellen. Ik kwam echter in aanraking met de leeftijdgenoten van mijn vader en hoorde hun verhalen aan. Blijkbaar deden die in mij mijn kinderjaren herleven. Een schrijver herschept zijn herinneringen en of ik erin geslaagd ben in Bubi en Njonnie een kind te scheppen, moet de lezer beoordelen. Ik hoop alleen, dat het mij is gelukt.

Vraag: De lezer van je boek kijkt eigenlijk met jou door de kinderogen die jij vanuit je geheugen bepaalt. Hoewel dit niet meer in de titel staat, gaat het om bruine kinderogen. Duidt dit op een perspectief? Of wil je met de kleur van de kinderogen, jouw kinderogen, iets anders aangeven?
Alam: Zoiets. De bruine kinderogen hadden moeten aanduiden dat het hier gaat om een bruin ventje in een blanke wereld. Ik schrijf als bruin schrijver over een blanke wereld, zoals, in het verleden, in de koloniale tijd, blanke schrijvers schreven over een bruine wereld. In Brits IndiŽ schreef Kipling over de IndiŽrs en in Nederlands IndiŽ Multatuli over de IndonesiŽrs, de Javanen. Ik wil geen minderheidsschrijver zijn. Je weet wel, van allochtone schrijvers verwacht men dat ze over hun allochtone milieu schrijven en van blinde schrijvers over hun blinde milieu. Daar is niks mis mee, maar ik wil schrijven over de wereld om me heen en die bestaat merendeels uit blanke en ziende mensen.

Vraag: Om bruin schrijver te zijn, moet je toch als bruin gezien worden. Ben jij als kind door je omgeving als Indonesisch jongetje gezien en heeft dat jou gevormd? En in welke mate heeft dat je meer gevormd dan het zijn van een migrant die in de jaren dertig vanuit Nazi-Duitsland naar Nederland kwam? Was je niet tevens vluchteling?
Alam: Ik ben natuurlijk gewoon een Hollander. Een mens wordt gevormd door zijn herinneringen en niet door de hoeveelheid van zijn pigment. Ik heb uiteraard Hollandse herinneringen. Nu kunnen die herinneringen toch anders zijn dan die van een witte Hollander, omdat tot je herinneringen ook behoren de herinneringen hoe de andere mensen zich tegenover jou gedragen. Als knaapje werd ik wel vaak uitgescholden door witte Hollandse jongetjes. Ze scholden mij uit voor neger en pinda-chinees. Dat waren jongetjes uit een andere buurt dan de mijne. Was het scheldend knaapje kleiner dan ik, dan ging ik natuurlijk even verhaal halen. Nee, mijn huidkleur heeft geen invloed gehad op mijn geestelijke ontwikkeling, wel mijn blindheid. Als je bruin en blind bent, dan ben je allereerst blind en dan pas bruin. Als vreemdeling wordt je pas gediscrimineerd, wanneer je een groep vormt, niet wanneer je een enkeling bent. Dan word je eerder vertroeteld. En ik was een enkeling. Dat geldt overigens niet voor een blinde enkeling. Die wordt helemaal niet vertroeteld, wel vergeten.

Vraag: Alvorens nader op je blind worden in te gaan wil ik nog even stilstaan bij je migratie vanuit Berlijn naar Amsterdam. In hoeverre heeft deze invloed op je gehad? Leverde Amsterdam in je toen nog ziende kinderogen een andere wereld op dan Berlijn?
Alam: Amsterdam was heel anders dan Berlijn. Berlijn was toen een wereldstad en Amsterdam daarbij vergeleken een provinciestad, een vriendelijke stad, stil en ordelijk. Het Berlijn van toen kun je heel goed vergelijken met het Amsterdam van nu. Vol vreemdelingen, veel vertier, veel geweld. Hoewel het laatste meer politiek geweld was. Mijn Amsterdamse familie volgde een veel striktere opvoeding dan mijn Berlijnse familie. Ik ben echter de Berlijnse straatjongen gebleven, wat inhield dat ik al door Amsterdam zwierf voordat ik tien jaar oud was. Ik verbaas me er nu zelf over, maar de stad boezemde mij nooit angst in. De stad maakte me altijd nieuwsgierig. Ik had er altijd wel een hekel aan om op mijn schreden terug te keren. De terugweg vond ikaltijd langer en vervelender dan de heenweg. Maar Amsterdam was toen nog maar een kleine stad, zonder Osdorp, Slotervaart, Buitenveldert, de Bijlmer en lag tot 1960 in een zee van groene weilanden.

Vraag: Je spreekt over je Berlijnse en je Amsterdamse familie. Je woonde
in beide steden niet bij je ouders. Bij wie wel?
Alam: Mijn moeder overleed in Berlijn, voor mijn tweede jaar, waardoor ik geen herinnering aan haar heb. Mijn vader was politicus, ťťn van de oprichters van de Indonesische communistische partij. Mijn vader en moeder waren destijds verbannen uit Nederlands IndiŽ. Zij gingen eerst naar Moscou waar ik werd geboren. Mijn vader kwam in conflict met Stalin, die toen de macht in Rusland overnam van Lenin. Daardoor was mijn vader al geen communist meer, toen ik kon praten. Of beter, zoals hij zelf zei: hij was communist gebleven, maar de anderen, de stalinisten, de aanhangers van Stalin, waren geen communist meer. Mijn vader verdiende het brood als politiek en cultureel journalist en zwierf als zodanig rond door Europa. Gelukkig voor hem, en voor mij, ontfermden andere gezinnen zich over mij. Die noem ik mijn Berlijnse en Amsterdamse familie.

Vraag: Als Berlijns jongetje moet je goed gezien hebben, want in Amsterdam zwierf je vaak door de stad heen en dat doe je toch niet als er iets aan je ogen mankeert. Hoe oud was je toen je blind werd? Wil je iets over je blind worden vertellen?
Alam: Ik werd op mijn achttiende blind. Nauwkeuriger, ik ging op mijn vijftiende de oogheelkundige kliniek in. Ik kon toen nog gewoon zien en had een aandoening aan de iris van mijn ene oog, wat dat slechter deed zien. Na ongeveer een jaar kwam ik slechtziende het ziekenhuis uit. Ik bleef dat een jaar, waarna ik middels een lensoperatie aan het ene oog weer ziende gemaakt zou worden. De operatie mislukte. Ik kon even, een week, weer zien. Daarna viel de duisternis. Voorgoed was ik blind. Achttien was ik toen. Zelf denk ik dat het door de onkunde, beter: vermeende kunde, van de oogdoktoren kwam. Iatrogene blindheid zou ik mijn disfunctie noemen. Wat mij mankeerde noemen ze vandaag sarco-idose, een zogehten auto-immuun ziekte. Die gaat over of doet het niet. In het laatste geval ben je je leven lang zuur. Bij mij ging de kwaal vanzelf over. Ik hield er alleen wat littekens van over, zeiden de doktoren eufemistisch, over mijn blindheid. Die littekens kwamen door hun onjuiste diagnoses en therapieŽn. Nu behandelen ze de kwaal met prednison. Niet lekker, maar je blijft polyklinisch. Okee, ik had mijn kwaal in een tijd dat de patiŽnt en zijn ouders de doktoren maar hun gang lieten gaan en niets vroegen. En het was, niet te vergeten, ook nog oorlog. Het positieve wat ik aan mijn verblijf in het ziekenhuis heb overgehouden is stof voor mijn verhalen.

Vraag: Wat betekende de blindheid die je overkwam voor jou? Hoe en door wie werd je opgevangen?
Alam: Opgevangen? Die is goed. In 1946 bestond dat woord helemaal nog niet. Niemand werd opgevangen. Mensen die uit de Duitse gevangenissen en concentratiekampen terugkwamen, waren vaak lichamelijk en geestelijk wrakken. Zij werden niet opgevangen. Arbeiders die gedwongen in Duitsland hadden moeten werken en terugkwamen, werden niet opgevangen. Mensen die ondergedoken waren geweest en vaak iedereen en alles hadden verloren, familie en huisraad, werden niet opgevangen. De opvang die er was, werd gegeven door de kerken en het Rode Kruis. Mensen die invalide uit het ziekenhuis kwamen, werden dus ook niet opgevangen. Doordat een Hollands nichtje van me een vriendin had, wier vader onderwijzer was op het blindeninstituut te Huizen, kwam ik op dat instituut terecht. Tot mijn geluk was dat op het juiste moment. De nieuwe directeur daar gaf de leerlingen de gelegenheid door te leren. Ik behoorde tot de eerste vier, alleen jongens natuurlijk, die werden opgeleid voor het staatsexamen gymnasium, dat toen als het moeilijkste examen gold. We moesten dat in drie jaar halen. We gingen daarna ook allemaal studeren, Berend theologie, Jacob rechten, Maarten wiskunde en ik psychologie en sociologie. We kwamen ook alle vier maatschappelijk goed terecht. Berend werd dominee, Jacob bedrijfsjurist, Maarten bedrijfs-wiskundige en ik eerst docent en later wetenschappelijk ambtenaar. Maarten en ik promoveerden bovendien tot doctor, hij in de technische en ik in de sociale wetenschappen.

Vraag: Toen je ogen het fysiek lieten afweten, kreeg je toen een soort figuurlijke ogen? Kreeg je een andere wijze van waarneming? En als dat zo was, speelde verbeelding daarbij ook een rol? En hebben de kinderogen uit de titel van je boek in dit verband betekenis?
Alam: Al was ik blind, ik bleef zien en doe dat nog steeds. Dat visualiseren van mij is natuurlijk verbeelding, beter, verbeeldingskracht. Een andere blind geworden schrijver, John Hill, vertelt dat hij alle visuele beelden geleidelijk verloor. Dat begrijp ik niet. Ik zie alles en iedereen om me heen. Jou dus ook, je kinderen, de Dalai Lama. Iedereen heeft voor mij een uiterlijk. Nee, kinderogen heeft niets met mijn blindheid te maken. Het zijn in de eerste plaats de ogen van het knaapje in de verhalen. Symbolisch zijn het de ogen van een kind dat nog alleen waarneemt, niet oordeelt. Overdrachtelijk staan ze voor mijn kinderjaren, maar mijn boek is geen ego-document. Het is literaire fictie. Uit de commentaren die ik heb opgevangen, maak ik overigens op dat niemand opmerkt dat het boek door een blind schrijver is geschreven. Het wordt ook niet vermeld.

Vraag: Je bent een blind schrijver, voor wie verbeelding belangrijk is. Zou je nader willen ingaan op de verhouding tussen je blindheid en je schrijverschap? Speelt taal in dit verband een andere rol dan bij een schrijver die tot directe visuele waarneming in staat is?
Alam: Een schrijver wordt altijd ook geïnspireerd door zijn omgeving. Voor een ziend schrijver is dat de omgeving die hij ziet. Die omgeving ontbeert de blinde schrijver. Hij moet het daarom hebben van horen, aanraken, ruiken. Daar kun je een heleboel mee doen. maar je moet ook veel hebben van lezen en van gesprekken. Ik lees bijvoorbeeld veel Amerikaanse thrillers en detectives, voornamelijk om de omgevingen die daarin beschreven worden. Die boeken zijn doorgaans geen literatuur, maar lectuur. De Amerikaanse lectuur bestaat voor een groot deel uit beschrijvingen, van huizen, kleding, wat men eet. Dat doet mij mijn ziende vrienden vragen hoe dat hier in Holland zit.
Ik wil nog iets zeggen over de techniek van het schrijven. Een journaliste vroeg me of er een verschil is tussen een ziend en een blind schrijver. Ik zag opeens een duidelijk verschil. Ben je een gevorderd schrijver, dan merk je op een dag dat je je laat inspireren door de teksten die je geschreven hebt. Dus de geschreven zin vormt de volgende zin. De ziende schrijver nu kan altijd alles zien wat hij daarvoor heeft geschreven. De blinde schrijver is hiertoe niet in staat. Hij moet die zinnen in zijn hoofd hebben. Dat vereist training. Ik denk dat dit de reden is dat er toch maar weinig blinden zijn die schrijven. Pointe heeft de verwachting gehad dat er meer schrijvende blinden zouden zijn.

Vraag: Hoe heeft je schrijverschap zich ontwikkeld. Heb je je hele leven al geschreven? Ik heb de indruk dat de mogelijkheid om een computer met tekstverwerker te kunnen hanteren bij het schrijven belangrijk voor je is geweest. Is dat zo?
Alam: Ik heb nog eens teruggedacht hoe alles begon. Eigenlijk was dat zo. Ik zat op het blindeninstituut van Huizen met allemaal oudere jongeren. Eťn ervan kwam op het idee een braillekrant te maken. Deze heette De Vrije Zaal. Daar begon ik stukjes en versjes in te schrijven. Later was ik de redacteur. Er was daar een blind meisje, E. Ik bewonderde haar zeer, vanwege haar durf en zelfvertrouwen. Door een bombardement was zij blind geworden. Ik schreef sonnetten voor haar in het Engels, met het woordenboek ernaast. In mijn studententijd ging ik ermee door. Ik werkte mee aan een literair studentenblaadje, Spiraal geheten. Ik kreeg voor een verhaal zelfs eenmaal lovende kritiek, van dagblad Trouw. Veelbelovend werd ik genoemd. Je weet wel. Mijn probleem was dat ik alles altijd moest overtypen op een schrijfmachine. Ik had zelden iemand die het wou corrigeren. Veel bleef in braille, zelfs een hele roman over blinde jongeren. Ik had een ziend echtpaar dat me hielp met corrigeren. Ik stuurde een bundeltje naar uitgevers. Daar heb ik nooit meer wat van gehoord. Ik bleef schrijven. Ik kreeg een fan, Meis. Zij was lange tijd de enige die mijn verhalen las. En toen kwam de brailleregel. Dat was waarlijk een godsgeschenk voor mij. Opeens kon ik lezen wat ik geschreven had. Ik kon verbeteren, herlezen, corrigeren en printen. Ik begon meteen alles wat ik in braille kon vinden, bij elkaar te zoeken en op schijf te zetten. Toen ik in 1990 met vut ging, wist ik hoe ik mijn zee aan vrije tijd goed moest besteden. Van mijn hobby maakte ik mijn stiel. Ik ben elke dag met tekst bezig, met schrijven, corrigeren, herschrijven, uitgevers, enz.enz. Ik heb alles in bundels verzameld, meer dan twintig bundels intussen. Het was even wennen om van de braillemachine op het toetsenbord over te gaan. Ik schreef namelijk braille kortschrift en dat ging eerst vlugger dan volschift digitaal. Maar je raakt gewend aan alles, zoals men zegt.

Vraag: Je hebt welbeschouwd inmiddels zoveel geschreven dat er van een oeuvre gesproken zou kunnen worden. Eigenlijk verkeer je in een van uitgevers afhankelijke positie voor wat betreft het in boekvorm uitkomen van je gereed liggende werk. Zijn er al vooruitzichten op het uitgegeven worden van een volgend boek?
Alam: Veel, zo niet alles, zal ervan afhangen hoe dit eerste boek gaat lopen. Dat hangt weer een beetje samen met de p.r. van de uitgever. Ik verwacht dat ik een langzame starter ben. Ik heb immers niets mee, behalve het boek zelf. Was ik een beroemd voetballer of en berucht bankrover, dan had ik meer vertrouwen in het uitkomen van volgende boeken. Van belang voor mij is, dat ik persoonlijke relaties heb met tenminste ťťn uitgever.

Bron: Pointe, juni 2001 en oktober 2004.

***
terug naar beginpagina over Alam Darsono