Beleven en waarnemen



Afloop


De maan trekt krijtwit door de hemelring
die vast omgordt de levensmoede aarde
van wie de huid nog slechts fossiel bewaarde
als laatste trilling van haar wemeling.

Enkel de zee draagt als een fluistering
nog leven verder, dat zij moeizaam baarde
in schelpen op het strand, nadat zij paarde
de lucht die zelf nog nauw'lijks duister ving.

De afloop van ons zelf zal achter laten
een steenschelp van ons, roerloos als een nacht
waarin geen echo zelfs nog na blijft praten.

De dode dingen bergen enkel nog een klacht
die als een beeld staat in een woud, verlaten,
daar het allang geen oogwenk meer verwacht.

Atmosfeer


De wind was sedert maanden weggebleven
heel de natuur scheen ademloos te rusten
het etmaal droeg de gang van onbewusten
die voortschrijdt langs zijn voren voorgeschreven.

Geen rimpels kwamen op het veld gedreven
geen regendroppels die de weiden kusten
enkel in mij ontwoelden zich de lusten
die mij aan deze roerloosheid ontheven.

Wanneer de lucht zo stil en stevig is
dan hoor ik diep in mij het leven gonzen
dat als een vruchtboom zo vrijgevig is.

Ik voel mijn bloed breed door zijn buizen bonzen
een golfstroom die zo heet en hevig is
dat hij zich door geen buiten af laat sponsen.

Beschuldiging


Ik sta met Schaduw op de brug te wachten.
Wat kille druppels vallen uit het niet.
Vervluchtigd zijn hier oorsprong en verschiet,
verdwenen in het slop van duizend nachten.

Ik vul mijn oor met duizendvoud van klachten
gegons gelijk dat door de rechtszaal vliedt,
wanneer de vierschaar spreekt, dat recht geschiedt,
en vonnis wijst na nauwgezet betrachten.

De straatlamp morst wat vlekken in de gracht
en duwt geniepig Schaduw van de brug.
Ik stap wat achteruit en wacht ... en wacht ...

Een beeld uit het verleden komt terug
en een beschuldiging wordt voorgebracht ...
Ik zwijg ontdaan en Schaduw buigt zijn rug.

De verlorene


Het Al is leeg en manshoog staat het gras
geen teken is er op de weg die 'k ga
bij elke kronkeling ik weifelend sta
ik meet en meet, begin, weerhoud mijn pas.

Ik hoor geen zucht gerucht, zelfs geen gekras.
Ik vind geen enk'le spoor van dreiging of gena'
nee, zelfs geen schaduw komt mij achterna.
Ik zie slechts licht. Wat ben ik, mens of gas?

Het ganse Al is leeg, mijn hart is leeg
en leeg zijn al de ruimten van mijn geest.
Er is geen tijd, geen ruimte, geen teweeg.

Eens moet het Al vol tekens zijn geweest
vol raadsels die ik ter bezinning kreeg ...
Ik kwam toen aan, nu ben ik er geweest.

Denkoever


Langs d'oever woei een lichte fluistering
alsof de nachtwind met de golven sprak.
Het meer viel stil en strekte breed zijn vlak
lag ongerimpeld in zijn kluistering.

Gelijk de adem van het duister ging
een fijne ritseling van tak naar tak,
die 't zwijgen van het sluim'rend meer verbrak
en 't rietveld met een wijds geruis beving.

Laat mij aan deze oever pozen
mij vast omwikk'len met zijn rust.

Laat mij het hijgend jachten lozen
in 't water door de wind gesust.

Eerst hier ontvouwen zich de rozen
van mijn gedachten onbewust.

Essentie


Mijn woorden zijn geen fonk'lende juwelen
die 't haar van ene schone vrouw doorwinden,
heur lijf en le'en met strengen gloeds ombinden,
de ogen tot bewondering bevelen.

Geen felle verven dopen mijn penselen
daar ik die felle tinten niet kan vinden.
De wijsheid, die de geestdrift doet vergrinden,
laat slechts hun weerschijn door mijn woorden spelen.

Doch g'lijk de zon, die alle kleuren schept,
haar stralen in de nevel temp'ren moet,
haar hete wezen toch houdt ongerept;

Zo blijft mijn hart, die stuwkracht van mijn bloed
dat op het brede strand der peinzerij verebt,
hetzelfde kleinbeeld van die zonnegloed.

Herbloei


Ik vond een bloem en stak die in je haren.
Ik vond haar stervend op 't trottoir,
de kelke geurloos, de blaadjes door elkaar,
vlak naast een goot vol van het slijk van jaren.

Ik nam haar op, bleef peinzend op haar staren,
en streek haar glad met dromerig gebaar.
Ik stak haar in de weelde van jouw haar
en zie ... hernieuwde bloei doorvoer heur bla'ren.

Er liggen vele bloemen naast de goten
en zo geen rozen dan toch wel chrysanten.
De meeste acht'loos uit 't boeket gestoten.

Ach liefste, kon ik elke bloem herplanten
in Schoonheids lusthof, waar zij eens ontsproten,
hernieuwde bloei zich rept naar alle kanten.

Heremiet


De regen praat afwezig met zichzelf.
Hij strijkt de takken af met een gebaar
dat achteloos is als een vrouwenhaar.
Een plooi van wind slaat op een kerkklok elf.

Een vogel slijpt zijn snavel tot een schaar
en knipt wat trillers uit het bladgewelf.
Al kniehoog in de nacht sta ik en delf
het duister op en werp het bij elkaar.

Ik werp een berg van schaduw om mij heen
met grotten die immuun zijn voor geluid.

Ik zit erbinnen rechtop op een steen
en proef met zorg de trilling van mijn fluit.

De uren zijn niet langer vlug ter been
ik adem langzaam in en adem uit.

Komst van de morgen


Een blanke morgen wappert op de kim,
een zilv'ren glimlach op de roze mond
Met klare ogen kijkt hij in het rond
en kust de nacht die wegijlt als een schim.

Zijn gouden haren golven langzaam los
verflonk'rend in de parels van haar kleed
Een zucht van zee waait als hij nader treedt
en fonkelend zich neervlijt in het bos.

Een slanke knaap springt op met sterke voeten,
zijn naakte lichaam naar de zon geheven,
om in het bos zijn liefste te ontmoeten.

Zijn blonde haren door haar zwarte weven

zijn lippen vlammen in haar fel begroeten
Ik kijk verbaasd: Zo zonnig kun je leven.

Koud gedicht


Waar zwarte bomen in het blauwe maanlicht staan
en witte sneeuw de heuvelen bedekt
waar als een kille bries een wolkstoet trekt
voorbij een harde witbevroren maan,

Waar tot een koude parel wordt een traan
geen warm geluid de kille bergen wekt
waar nooit een vuurtong naar de hemel lekt;
daar komt mijn geest, een hard stuk ijs, vandaan.

Jouw wezen is doorstraalt van zonnelicht.
De vlam van hartstocht siddert in je bloed
de vreugd' als vonken in je ogen licht.

Met harde beitel hak ik voet na voet
uit gletsjerijs mijn hardgelijnd gedicht;
doch 't mist jouw vreugd', jouw zonnegloed.

Meimorgen


De morgen heeft met zwaaiende gebaren
de sluiers van de meinacht weggestreken.
Er kwamen klaarten door de nevel breken
en zonnestralen naar de kim gevaren.

De bossen die des nachts vol droefnis waren
vol zwaar gezucht en dof gefluister, steken
hoog de lucht in hunne kruinen, breken
los in stemmen uit hun stille staren.

De wind, die heel de nacht eentonig zong,
waakt uit zijn slaperige deun en joelend
rolt hij zich in de dichte loverwrong.

En mij, die wakker werd onrustig woelend,
treft deze morgen als een gong
die diep weergalmt, de speelse aanslag voelend.

Mist aan zee


De zee lijkt in de kosmos opgenomen.
De ganse kosmos lijkt te condenseren.
Het gaan van golven en hun wederkeren
klinkt als de echo van verzonken stromen.

De nevelflarden jagen als fantomen
vertwijfeld, daar ze ieder doel ontberen.
In huiver staat de mens, alsof zijn kleren
door kille handen van hem zijn genomen.

Ik sta op 't strand, mijn hoofd diep weggedoken
en lijk te wachten uren, uren lang,
totdat ik eindelijk word aangesproken.

Wat losse woorden zonder veel belang
Dan wordt een knekelhand mij toegestoken ...
Waarom, ik weet het niet, ben ik niet bang?

Na een regenachtige septemberdag


De droppels van de daggevallen regen
die rond de takken blonken als kristal
zijn in de avondkoelte gaan bewegen
en kwamen door de dauw verzwaard ten val.

Als mannenstappen die van moeheid wegen
zo vielen ze op 't grind en overal
rond mij kwam ik dezelfde moeheid tegen,
een moeheid als een ledikant zo smal.

Vaak is mijn vlees van moeheid zwaar
blijft deze in mijn slaap nog hangen
en zien wij in de droom elkaar.

Totdat de dag met zonnewangen
met zonnemond en zonnehaar
mij opwekt om mijn dagtaak aan te vangen.

Neonlichten


Als troeb'le ogen staan de neonlichten
in 't grauw gelaat der droomvergeten nacht
en loeren naar de onverpoosde jacht
op 't glimmend wegdek dat ze vaal verlichten.

Ik zit voor 't raam. De laatste nieuwsberichten
zijn in mijn hoofd nog niet tot rust gebracht.
Een motor ronkt, een rem giert onverwacht,
een auto raast voorbij, vol doodsgezichten.

Er ligt een weg gebaand van zwart naar zwart,
van nacht naar nacht, er tussenin neon,
waarvan elk einde treft dezelfde start.

Geen autorijder weet nog waar 't begon.
Zijn weg blijft van beton, zijn vaart blijft hard,
zijn licht blijft steeds neon, wordt nooit meer zon.

Redelijkheid


Geen vers wordt ooit een flonkerend juweel
wanneer de overgave het niet slijpt,
wanneer de dichter voortstapt in 't gareel
en elke regel van 't verkeer begrijpt.

Zijn vers wordt bleek als fijngemalen meel
dat in een bakkerij tot witbrood rijpt,
waarvan een ieders hand ontvangt haar deel
en blij is dat zij niet naar stenen grijpt.

Wanneer je laat bent en je vers zich schept
uit het verstilde uur waarin je weet
de wetenschap dat ieder woord verlept;

Dan hult je vers zich in het koningskleed
der kennis en alles wat je over hebt
is redelijkheid die flonkering ontleedt.

Slaap


De wolken liggen als vermoeide dieren,
vergrijsd door 't nevelstof der hemelwegen,
terneer gezakt op 't nachtveld van de regen,
hun adem snuivend in de populieren.

Een lome hand de horizon laat vieren
die langzaam wegschuift in het niet. Vlak tegen
't halfverlichte raam zie 'k half bewegen
de grote handen van de populieren.

Zo komt de slaap met wenkende gebaren,
benevelend mijn brein zijn klare klanken,
en doet met sleepboten het denken uit mij varen.

De dromen rollen aan over de banken
en laten mij geen scheidslijn meer ontwaren ...
Ik hang in 't leven slechts aan losse ranken.

Slapeloosheid


De laatste stap liep lang reeds door de straat.
Ik lig op bed en tuur naar het plafond
waarop een vlak van licht getekend staat,
waaraan het donker pijnloos zich verwondt.

Ik houd mijzelf al uren aan de praat
met woorden wit als wolken in mijn mond.
Ik voel nog enkel tijd die, klein van maat,
minuten wiedt op tijdeloze grond.

De spiegel is een ondoorzichtig raam
vol blanke schaduw die de tekens mist
die tot een reportage zijn bekwaam.

Mijn beeldvlak is met moeheid gevernist
enkel de nachtklok waakt en roept mijn naam
wat elke kiem van slaap mijn oog uit wist.

Somnambule


De dokter stond verheven aan mijn bed
en druppelde de slaap uit een ampul
Mijn voorhoofd werd met duisternis gebet
en overdekt met dromerige tule.

Een scherm van stilte werd rond mij gezet
het laatste licht geslorpt in een capsule
De dokter stapte heen en liet mij met
wat losse staten aan de somnambule.

Ik luisterde naar haar vertrouwde talen
en zag haar alomvattende gebaren
haar woorden gingen oude beelden halen.

Hier zijn de grotten van de blanke jaren
de gletsjers van de middernachtverhalen
hier zijn de zielen tot zichzelf gevaren.

Spiegel


Het meer draagt mij met smetteloze handen
op naar het wijde open van de hemel
en tilt mij uit het wilde kleurgewemel
hoog in de rust van witte wolkenwanden.

De bergen, die de blauwe kim omtanden,
verzinken in de schemer van de golven
en onder duizend vademen bedolven
zijn ze als bronsgegoten spiegelranden.

Hier moet het leven onverganklijk zijn
een stil verdromen in een milde dag
die voortdrijft op een woordeloos refrein.

De bonte beelden staken hun verslag
hun tijd'lijkheid vervluchtigt in de schijn
die uit de spiegel flitst, waarin ik zag.

Stenen vers


De nacht ligt steengehouwen in de laan
op honderdduizend tegels uitgestrekt.
In ieder venster had een kegel maan
zich met de glans van logica bedekt.

Ik heb met dromen in mijn oog gestaan
en een belofte in de tijd gewekt.
Toen ben ik door de stenen stad gegaan
en heb haar plattegrond van wet ontdekt.

Die wetenschap toont mij een hard gezicht
met strenge neus, met lippen zonder bloed,
met ogen waar in licht geen licht meer licht.

Mijn hand doet wat mijn hart niet langer doet.
Zij hakt wat troost tot een versteend gedicht
en beitelt moeizaam zinnen, voet na voet.

Symfonie


Een bos waarin de zon haar kop'ren stralen,
gebronsd door 't droomlicht van de late zomer,
in brede bundels werpt, en waar steeds lomer
de zware geuren van het naaldhout dralen;

Een bongerd waar met sterke geuren pralen
de rijpe vruchten; geen is wellekomer
als gast dan een in 't hooi verdwaalde dromer ...
Daar blijft het liefst mijn lome denken dwalen.

O symfonie, stort uwe kop'ren klanken
als bronzen zonnestralen over mij.
Omvat mij met uw houtbewogen flanken.

O symfonie, in uwe tuinderij
ontkiemen mijn gedachten fier en frank, en
tot de sterkste vruchten rijpen zij.

Van vroeger


Wat was de droom die mij heeft doen ontwaken?
Wat was de warmte die mij heeft omgeven?
Er was iets van heel vroeg, lang voor mijn streven
geluk te vinden in de daagse zaken.

Waarom moest mij dat toch zo treurig maken?
Ik voelde mij, g'lijk haren zijn verweven,
vervlochten met de hartklop van een leven
dat mij slechts met de tand des tijds kon raken.

Ik heb de dingen afgezocht
of ik op hen een merk kon vinden
waarop mijn stempel passen mocht.

Ik hoorde woorden zich ontwinden
en scharen voor een verre tocht ...
naar waar mijn moeder hen kan vinden.

Vergeefs vers


Mijn hemel, waarom wil ik nu nog dichten
en woorden in garelen spannen
totdat zij staan volgens de plannen
met door mijn wil verduisterde gezichten?

Ik voel een keerkring uit de vloer zich lichten
en in mijn keuken breken kannen
Wat achter blijft zijn grijze mannen
die lusteloos het laatste werk verrichten.

De zee is zonder branding meer
de wolken op de kim verdampen
geen beek stroomt van de berg nog neer.

De hemel hijgt met trage krampen
en telt het uur zo ongeveer ...
Kom, dichter, stop en doof de lampen.

Verlatenheid


Er staat een muur van wasem op het water
waarin een doffe kabbeling verzucht.
Een laatste schim snel door de schemer vlucht
een laatste wiekslag, een laatste luid gesnater.

Vlak bij de steiger klinkt nog wat geklater
en rond de dukdalf nog een golf gerucht
dan is het stil, onhoorbaar stil ... Ik kuch,
ik stamp wat rond, en het wordt later, later ...

Ik zou graag willen lachen, luide roepen,
met wilde kreten in de nevel schreeuwen
en mensen zien zich rond mij samengroepen.

De nacht komt langzaam door de schemer sneeuwen
Lantarens blinken langs vergeten stoepen ...
Ik sla mijn handen warm en moet diep geeuwen.

Vormen


De vriesnacht heeft in marm'ren dood bevroren
de bonte lijnen van de warme aarde
en wat zij nog aan kleur en fleur bewaarde
ging in een glanzend grijs van ijs verloren.

Doch uit die fleur van kleuren werd geboren
het nieuwe beeld dat vorm aan vastheid paarde
Daar, uit de nevel van de bontheid, klaarde
de strakke strengheid van het ijs naar voren.

Door heel mijn ziel in bont benemen waren
de kleuren van mijn voelen door elkaar.
Met moeite poogt mijn geest hen te bedaren.

Totdat mijn brein hen met een koud gebaar
bedwingt en zij zich tot gedachten scharen
die zich verklanken in sonnetten klaar.

Zingen der zee


De zee ruist voort in eeuwig machtig zingen
het lied dat in de kosmos wordt geboren
welks maat en klankkleur blijven toebehoren
de trotse gang der sterren wentelingen.

Eerst toen dat lied uit grijze schemeringen
getoonzet was en luid zijn wijs deed horen
toen geen geraas dat zingen kon verstoren,
eerst toen de zee schiep haar nakomelingen.

En zij, die uit haar koele schoot ontsprongen,
zijn allen aan dat zingen onderworpen
dragen haar zilte klanken in hun monden.

Ik, kleine mens, bouw steden en sticht dorpen
laat met lawaai en licht mijn macht verkonden,
een kleine dissonant uit 't lied geworpen.

Zomer Victor


De zomer heeft zijn zegewagen
in Neerlands lage land gezet
en heeft gestoken zijn trompet
den volke op zijn feest te vragen.

De winter is terneer geslagen,
gebroken is zijn ijz'ge wet,
de levenskracht is weer gered
en bloeit nu uit in hof en hagen.

Laat mij die gouden jubel horen
mij scharen in de zegetocht
hervinden 't paradijs verloren.

Natuur, zoals de zomer wrocht,
O, wees mijn woning uitverkoren.
Natuur, naar wie ik zo lang zocht.

***
terug naar de beginpagina van de website

terug naar de inhoudsopgave van alle gedichten