Dichtbij en veraf



Afstand


Ik zie omhoog naar waar de sterren lichten
waar vrede schrijdt langs voorgeschreven banen
waar lichamen een eeuwigheid zich wanen
en niets te verstoren lijkt hun evenwichten.

Te midden van de anarchie der mensen
waar wetten tuimelen voor alle winden
zoek ik die vaste harmonie te vinden
en vragen om die weidse rust mijn wensen.

Gezeten in het oog van telescopen
trek ik het universum in mijn blikken
En zie ... het beeld dat niet scheen te verwrikken
ligt vol van catastrofen voor mij open.

In tomeloze vaart de zonsystemen
ontstaan, vergaan, en schieten uit hun voegen
vergruizelend de ritmen die hen droegen ...
omdat ik niet meer afstand wist te nemen.

Amstel 1953


De Amstel is een armzwaai in de bocht
waarmee hij naar de rode brug toe zwenkt
die hem met uitgespreide benen wenkt
en dan een stad plant langs zijn trage tocht.

Nu is hij druk: met mensen op de wal,
met boten klein en keffend in bedrijf,
de bruggen vallen loodrecht op zijn lijf
en huizen bloeien open zonder tal.

Tot duizend grachten vouwt hij zich uiteen
en met een brede borst treedt hij vooruit,
hij wordt een klankbeeld dronken van geluid
en werpt kantoren handvol om zich heen.

Dan splijt hij tot een luide haven open
waarin een schreeuw zichzelf niet meer verstaat,
hij wordt een beurs die davert van gepraat
waarmee hij zich een wereld denkt te kopen.

Avond in de sneeuw


De avond stond bevroren in de sneeuw
met boom en struiken scheurbaar als papier.
Ik voelde mij alsof ik met een schreeuw
een blok kon splijten uit de populier.

Ik stond verkleumd te kijken op de stoep
naar een klein meisje, dat met rap gebaar
een sneeuwbal wierp, waarbij haar schelle roep
mij sloeg gelijk een plectrum een gitaar.

De warmte stond met kamers in mijn rug
met vilten vlammen wenkend uit de haard.
Mijn bloed doorliep mijn merg steeds minder vlug
sinds ik een vaste vloer mij had gespaard.

Het was de avond van die winterdag
dat mij de tinteling nog eenmaal riep ...
Ik sloeg de deur toe met een bitse slag
waarna ik kouw'lijk naar mijn leunstoel liep.

Baksteen


Er ligt een baksteen in de bovengang
vergeten, denk ik, door een metselaar
die er gepleisterd heeft, want hier en daar
zie ik wat kalk gemorst op het behang.

Het licht zit dagblind op zijn rug en geeft
hem vaste schaduwen, waardoor hij koel
en klemvast ligt; het zelfgegeven doel
van één die in zijn eigen hemel leeft.

De tocht loopt onverschillig om hem heen
als om iets onherroepelijks, dat stil
en stevig in zijn vastheid zitten wil
vervuld van eigen vorm, en dus alleen.

Ik raak hem aan. Ik neem hem in mijn hand,
dit laatste oordeel en dit eerste uur.
Hij weegt een perspectief van leem en vuur,
een grijpbaarheid die breekt de tijd haar tand.

De dichter


De ruimte is een gordel van symbolen
die welft een wereld van betekenis.
De dichter, die haar niet ontweken is,
tracht zin te lezen in hun metaforen.

De nacht staat zich een dodendans te draaien
op alles wat de aarde biedt aan toppen.
Zij laat haar voet op duizend dalen kloppen
die open gaan en naar de oost verwaaien.

De dag doet donkerblond geweven doeken
tot oceanen wolken zich ontplooien,
die op de westrand van de bergen glooien
tot in de diepten van verzonken hoeken.

Hoog op de blanke boog van breedtegraden
waarop vulkanen gletsjerijs ontmoeten,
daar staat de dichter, bevend op zijn voeten,
met al de wanen van zijn volk beladen.

De vrouwen


De vrouwen zetten planten voor het raam
en pleisteren de gevelstenen blank.
Ze plaatsen geel en groen en rood tezaam
en leunen daarna op de vensterbank.

De vrouwen kijken peinzend in de steeg
waar zon en schaduw oversteken met
een luie groet, waarna de schemer leeg
en lusteloos zich op de stoepen zet.

Dan nemen alle vrouwen met een vlug
gebaar de planten mee naar binnen toe.
Ze zetten ze weer op de kast terug
en gaan naar bed, en slapen, doof en moe.

Maar als de maan zit op hun voeteneind
en aller ogen blind van dromen zijn
dan komen alle vrouwen overeind
en gaan als bloemen bloeien op 't kozijn.

Dode haven


We stonden samen op de naakte kade
de wind was guur en onze kleren kaal,
de regen zong een druil'rige aubade
en het riool sprak ongekuiste taal.

De haven lag als lege hand te rusten
een koppel eenden kleumend op zijn stroom.
Alleen opzij ging naar nabije kusten
een oude veerboot krakend onder stoom.

De huizen die de vrachten moeten bergen
versliepen zich met ingezakt postuur.
In één ervan sloeg nog een klok aan 't tergen
en telde traag het lang verjaarde uur.

Er was geen drukte, er waren ook geen schepen
er was slechts regen en een zee van tijd.
Wij hebben in dit beeld onszelf begrepen:
wij hadden afgemonsterd, voor altijd.

Duin bij nacht


De hemel zit doorzichtig op de duinen
en laat een nacht vol donker maanlicht door.
De zee, die zich in schaduwen verloor,
bruist vredig in haar kraag van kanten schuimen.

Vanuit het duister van de duinvalleien,
waar zich het bos van naaldbomen verdicht,
stijgt hoog de stilte naar het blauwe licht
om zich daar op de helling neer te vlijen.

Een duinmeer ligt in diep gepeins verzonken
de blik geloken door de plantenwoeker.
Een vage golf wordt tot een stille zoeker
naar stenen om de stilte te ontvonken.

Dit is de stilte waarin wordt geschapen,
dit is het landschap van mijn bezig zijn.
Waar land en lucht en zee te vredig zijn
wordt straks mijn leven wakker uit zijn slapen.

Eiland


Haar tafel drijft gelijk een eiland licht
in de gestorven nachtzee van haar kamer
en op het strand ervan ligt haar gezicht
dat wordt met elke golfslag eenzamer.

Als koude dieren in een vlakte sneeuw
tasten haar handen over 't witte laken
en hun nerveus bewegen is een schreeuw
van wanhoop die geen zucht gerucht wil maken.

De schreeuw vliegt op de luchtstroom van haar blik
grijs als een wolk die zich ontbindt tot nevel,
maar van dit korte ogenblik zie ik
alleen haar mond vertrekken tot wat wrevel.

Ik zwem als schipbreuk'ling in deze zee
en kan haar eiland licht nog juist bereiken.
Zij trekt mij op haar strand en neemt mij mee
om aan mijn dorst haar honger aan te reiken.

Fluiter


De dag ligt nog te slapen op de wolken,
de regen staat te peinzen voor mijn huis,
de dromen, die mijn vensterbank bevolken,
zijn hard geworden als een handvol gruis.

Een duivenpaar roekoert achter de daken.
De eerste fietser peddelt door de straat
en laat zijn mond een lange fluitstok maken
die met een kwinkslag op mijn ruiten slaat.

Ik sta snel op en steek mijn hoofd naar buiten
dat door een regenhand wordt opgefrist.
Ik hoor nog net de echo even fluiten
voor hij door een hoekhuis wordt weggegrist.

De eerste mens die in een slaapstad fluistert
is als een dichter die een regel schrijft.
Hij dompelt in het oor dat slapend luistert
verwachting die op woorden wachten blijft.

Gebed van de dood


Geef mij een tuin waarin papavers bloeien
de maan weerkaatsend in hun blanke pracht,
waarin tot ziel een leven kan vervloeien
een leven schril gelijk een jammerklacht.

Geef mij een tuin waarin de wind zal huizen
in 't dichte lover van een wilgenwoud,
waarin geen zinnig woord ooit zal ontkuisen
de ongekende stilte van het hout.

Geef mij een tuin waarin een meer zal zweven
weerspiegelend een matte sterrenkrans,
waarin de tranen, die gestort in 't leven,
tot golfjes worden met een paarlen glans.

Geef mij een tuin waarin de ziel zal rusten,
waarin geen haat, geen liefde zal bestaan,
waarin de schaduwen de zon uitblusten
en slechts het dode licht staat van de maan.

Gedachtenbarrière


Mijn stem is uitgerust met straalmotoren
en jaagt nu sneller voort dan zijn gedachten
die achter haar gedaver snel verzachten
en in een ver verleden gaan verloren.

Geen weerstand stuit meer huiverend haar vleugels.
Zij heeft de wanden van de geest doorbroken
en is aan elke aarzeling ontdoken,
een voertuig losgeslagen uit zijn teugels.

Mijn stem schiet voort door ongedachte ruimten
geschraagd slechts door de snelheid van haar wezen.
Geen overpeinzing kan haar koers nog lezen
of haar geraas met redenen omsluiten.

Want als zij stokt en de gedachten komen
met al hun vragen op haar lichaam vallen,
dan stort zij in ... En daarom sneller brallen
en brallen om het denken te voorkomen.

Gesprek


De vrouw zei mij wat ongerijmde woorden
wat woorden die zinleeg en zomaar waren,
maar die ik in de vluchtgang van de jaren
vanuit de diepten van mijn dromen hoorde.

Ik weet niet of zij mij iets wilde zeggen
of slechts de leegte van ons lopen vullen.
Ik weet niet of zij iets had te onthullen,
iets te verklaren of iets uit te leggen.

Toen wij gekomen waren waar de straat zich
met alle macht tot open plein verwijdde
en daarna zich naar rechts en links verspreidde
toen scheidden ook ons gaan en ons gepraat zich.

Een donk're straat waar ik een vrouw ontmoette
die voor wat meters naast mij voort bleef lopen
en levenslange woorden heeft gesproken ...
Ik ving ze amper, zag mijn straat en groette.

Gestalte in de zonsondergang


Ik kwam gewandeld door de avondhei
en bleef staan kijken bij een klein ven
dat lag gedoken tussen berk en den
gelijk een stop in een verschoten sprei.

Ik had de vrouw niet dadelijk gezien.
Zij lag met naakte borsten op het zand
en liet het water springen van haar hand
en droomde, van een oude faun misschien.

Ik dacht, dat ik iets ongeoorloofds zag
en wilde weggaan door het struikgewas.
Toen keek zij op en zag dat ik het was
en als een korte golfslag sloeg haar lach.

Ik keek haar aan en zij rees statig op
en hield mijn schouders met haar ogen vast.
Haar lippen hebben naar mijn mond getast
en voor die kus gaf ik mijn wand'ling op.

Goede Vrijdag 1965


De vrijdag kwam met zonlicht overgoten
gevuld met geuren die de bast uitklommen,
in de plantsoenen schreven tulpen krommen
waartussen breed narcissen zich ontsloten.

Zovelen liepen lachend zonder taak
en pakten zich op fiets en auto in.
Toeristen, met de Leica aan de kin,
verdoolden op de pleinen van vermaak.

Een open raam schoof Bachs Passion naar buiten
de stoelen in de kamer zaten leeg.
Een heilsoldate op de kade kreeg
een bilkneep van een knaap die liep te fluiten.

Met wijde deuren stond een open kerk
een orgel bad, een tafel stond gedekt
met brood en wijn en glazen onbevlekt
en op zijn stoel, een herder zonder werk.

Gorters weg
(Op de tuin van het huis van onze vrienden Frits en Doris Hirsch te Schoorl)


Vroeg in de middag hoor je de vogels lachen
hoor je de bomen roepen naar elkaar
hoor je de tuin zich krabben in het haar
hoor je de struiken wapperen als vlaggen.

Ik doezel in de oksel van de zon
het warme hout ligt languit onder mij
gedachten drijven flard na flard voorbij
een kinderwoord springt op van het gazon.

Een emmer komt van nergens langs gestrompeld
een fiets slijpt kleine schaatsen in het grind
weer valt nabij het kreetwoord van het kind
dat in een gangput onder wordt gedompeld.

De middag steekt als een trompet omhoog
mijn oren liggen hol als schelpen open
de verten komen bij mij ingelopen
ik zeef de klanken van de regenboog.

Het enzovoort


Gedragen op de golf van mijn gevoel
spoelt op de klippen van de rotskust aan
mijn vers, dat hulpeloos teloor zal gaan
wanneer de rots niet grijpt wat ik bedoel.

Verbitterd door de geur van gemberhout
zoekt door de dove nacht de wind zijn weg
verzoetend waar een bloem steekt uit een heg
verziltend waar de zee de aarde zout.

Vanuit de vogelvlucht van mijn verlangen
strijkt op de rotsen klippen neer een kind
dat in het schelpenpuin mijn woorden vindt
en juist de smaak ervan nog op kan vangen.

De nacht scheurt langzaam open in het oosten
de eerste zon verlicht het laatste woord
en wederom is er een enzovoort
waarmee het kind de oude man komt troosten.

Hollands bouwland


De bomen groeien niet meer in het wild
en ook het wild loopt niet meer tussen bomen
langs rechte paden schrijft mijn gaan en komen
door stoplichten tot maat en straat gedrild.

De kusten worden met de hand gekweekt
en de rivieren met de voet verschoven.
Ik houd geen wonder over om te geloven
daar nooit een voorval aan mijn dag ontbreekt.

Er hurkt geen kwaad in dit doelmatig spel
waarvan het goed geleidelijk wordt vergeten
verwachting is gedood door vooruit weten
van het daarna, dat vastligt als een tel.

De lucht spreekt steeds het voorgeschreven woord
het water wiegt met afgemeten baren
mijn kaken kauwen eeuwig vette jaren
doch het waartoe ben ik voorbij gespoord.

Kanaal


Ik ben gelijk een onbeheerd kanaal
waarvan de sluizen open zijn gebleven
een doorgang voor de stroming van het leven
dat ebt en vloedt in brandingen van taal.

Aan beide zijden ligt de oceaan
met alle verten, hoogten, diepten open
waar overheen de golfslag komt gelopen
al naar het wisselspel van zon en maan.

Het vasteland dat deze zeeën scheidt
verbindt ze weer door ondergrondse stromen
of laat het water kalmer overtomen
door de kanalen van zijn denkbaarheid.

Met wilde woorden vloedt de oceaan
de open monden van mijn denken binnen,
doch voordat ik één woord vermag te winnen
haalt reeds de ebtij het uit mij vandaan.

Kloosterhof


De hof lag geurend in de natte avond
die drupte traag vanaf de zware takken
het maanlicht lag in zilverblanke vakken
op 't knarsend, pad door schaduwen gehavend.

Waar in een hoek de avond nacht reeds was
uit een kapel een vage lichtschijn dwaalde
en onder 't kruis, dat donkerzwart weerstraalde,
een jonge non zich boog op 't bidterras.

Haar bidden was als 't zuchten van het loof
dat zwaar woog van de nachtelijke tranen
en vulde droef de onbewogen lanen,
riep naar de hemel waar geen ster verschoof.

Ik stond vlak naast haar in het schaarse licht
en voelde vreemd een warmte in mij branden,
doch toen ik vatten wou haar koude handen
zong zwaar een gong en viel de poortdeur dicht.

Lied


Vanachter 't filigrein van heesterstruiken
kwam op de koelte van de wind een lied
gezworven, dat in 't morgenstil verschiet
een kelk van zonnestralen deed ontluiken.

En in de stilte van dat zonnegloren
was dat het enig trillen van geluid,
want heel de wereld lag nog ongeduid
en al wat naam droeg, was nog niet geboren.

Toen heeft de stem het lied zijn tekst gegeven
en 't lied werd zingen en 't zingen werd een taal
en 't lied werd een ballade, een verhaal,
en in het leven kwam de zin tot leven.

Ik houd van neuriën, zo maar, zonder woorden
met dichte mond, de klanken achterin
waarbij het lied ontdaan wordt van zijn zin
en 't leven stil verklinkt tot lichtakkoorden.

Open huis


Ik ben gegaan door mijn heropend huis
dat opgeleverd in het paslicht stond
met dunne wanden en een platte grond
die uitgestreken lag op het plavuis.

De straat liep ongehinderd door het glas
en speurde rond in elke kamerhoek.
Het donker, in de avond op bezoek,
bleef schemer daar hier slechts bedrading was.

Het lamplicht viel uit stalen interieur
en plakte bleke vingers op de vloer.
Geen oog vond drempels liggen op de loer
of sleutelgaten waken in de deur.

Met glas en staal, met plastic en beton,
heb ik mijn huis geopend voor het licht.
Nu kijken blinden dwars door mijn gezicht
en nemen wat ik niet verbergen kon.

Progrom op zondag


Alleen gelaten in een lege dag
alleen gelaten in een lege straat
een laatste echo op de gevels slaat
een laatste zucht van een verloren slag.

Verstard in licht staat ieder huizenblok
verstard in duister ieder trapportaal
de laatste woorden van een oud verhaal
ontzield in 't luiden van een torenklok.

Mijn God, de wereld is vol zonnelicht
vol kleuren, bloemen, koele schaduwrust,
doch om de hoek wordt 't leven uitgeblust
met harde klappen slaan portieren dicht.

Ik weet niet wat ik nu nog schrijven zal
Ik weet niet wat ik nu nog zeggen moet
verwarde woorden, schrijnend in mijn bloed,
een grafschrift voor mijn vrienden, overal.

Sanatorium


Het gepolijste aluminiumgrijs,
waarmee mijn bed tot stroomlijn was geslepen,
had snel het laatste licht in zich gegrepen
en gaf het niet meer aan het donker prijs.

Gelijk een sneeuwveld in de schemer van de
kimme, zo lag er tussenin het laken
en liet zijn witheid aan mijn ogen raken
die ik met alle kracht nog open spande.

De dennen bij de openstaande deuren
hadden hun scherpe tekening verloren
en stonden onbeweeglijk toe te horen
naar wat er met mijn adem ging gebeuren.

Ik was de moeheid zelve in dit linnen
en kon mijn oren nauw nog open houden.
De schemeringen rond mijn bed vergrauwden ...
Zie ik een zuster aan een spinwiel spinnen?

Schemerstad


De dag ontwart zich moeizaam uit de nevels
en tracht met slappe hand een dak te grijpen.
Het licht begint een toren spits te slijpen
en maskers af te wassen van de gevels.

De kade staat vol duistere figuren
die toonloos voeren roerloze gesprekken.
Geen heftigheid doet hun gelaat vertrekken
geen felheid vlamt er in hun strakke turen.

Het water ligt met toegevouwen zijden
en laat geen beelden zinken in zijn lenzen.
De schaduw weert de blikken van zijn grenzen
en geeft slechts gissingen een vrijgeleide.

De nacht wijkt langzaam waar de dagen grijs zijn
waar nooit het licht tot klaarheid uit zal vloeien.
De schemer houdt de straten in haar boeien
en geen idee kan zonder kaars op reis zijn.

Schrijfmachineblad


De letters liggen voor mij neergeordend
met vaste vorm in vaste regelmaat
een duidelijk heelal dat, niet meer wordend,
met onaandoenlijkheid mij gadeslaat.

Gedachten worden vastgelegde straten
en wijken plattegronden van de geest.
Ik kan geen tegel van zijn plek meer praten
geen bloem meer planten die een fout geneest.

Ik ben een feit geworden uit wat letters
een bladzijde uit de geschiedenis,
een afdruk van een paar betaalde zetters
aan wie geen uitleg meer te bieden is.

Mijn vingers hurken op de schrijfmachine
gespannen wachtend op hun marsbevel
waarna ik uit die klett'rende turbine
in letters val te pletter op het vel.

Sonate


Ik lag te slapen in het warme gras
met zon en schaduw naast mij als twee honden.
Ik wist niet dat mijn droom aan 't luist'ren was
en dat mijn oren slapend klank verstonden.

Een huis stond open met een wijde deur,
een zon zat als een Boeddha in de kamer,
een specht sloeg ergens een verharste geur
een boomstam uit met minutieus gehamer.

Geschoven op de drempel van mijn droom
stond een piano, dragend een sonate.
Verlangend stond ik op en zonder schroom
ging ik de kamer binnen, en ik praatte.

Ik praatte tot de vrouw die, in haar spel
verdiept, mij slechts een klein oor gunnen wilde.
Dat wekte mij, nog steeds een vrijgezel
die niet de slaap uit zijn verlangen tilde.

Strandwandelaar


Het duin zit in zijn helmkraag weggedoken
en hoort alleen het breken van de schelpen.
Het houdt geen baken op dat mij kan helpen
de weg te wijzen, die ik heb besproken.

De nevel schuifelt naarstig op de banken
en trekt een vacht van duister uit de golven.
De wind heeft graven in het grind gedolven
waar ebtij onderschoffelt dode klanken.

Geen schaduw loopt nog naast mij op het strand.
Geen echo draagt een stem nog naar mij over.
Er is geen blinde blinder, geen dove dover
dan ik die schelpen aftast in het zand.

Geen lamp zal zich meer door mijn donker dringen.
Geen klok zal zich meer door mijn stilte breken.
Geen arm zal zich meer door de mijne steken ...
Ik loop, geleid slechts door herinneringen.

Uitbouw


Ze trekken voor mijn raam de bomen om
en scheppen zand met dozen op het gras.
Ik zie een woestenij zich strekken, stom
en stevig als een handdoek in de was.

Een straat van tegels tuimelt op het zand
en snijdt een klemvast grondvlak tot een blok,
waarin percelen worden aangeplant
die onbehouwen rijzen tot hun nok.

De ochtend met zijn haren nat van dauw
en met zijn stem die naar de einder roept
hoort zich terugslaan tegen het gebouw
waarbinnen kneut'righeid zich samengroept.

Een gevel ramen slurpt het zonlicht in
en controleert de volgeboren straat.
Ik breng een heilwens uit op elk gezin
dat straks opnieuw weer bomen vellen gaat.

Vogeleiland


Die nacht ontwaakte ik door felle handen
die als twee vogels liepen op mijn huid.
Ze gingen door mijn lichaam in en uit
en stichtten in zijn vouwen kleine branden.

Ik was een eiland met gestrekte armen
gedompeld in een warm en donker meer.
De vogels stapten rustig heen en weer
met harde snavels zonder veel erbarmen.

Sinds eeuwen had ik onberoerd gelegen
met af en toe een droom slechts op bezoek.
De vogels meden mij, alsof een vloek
in gele walmen uit mij kwam gestegen.

De handen zijn twee wrede adelaren
die mij doorwoelen zonder mij te zien.
Op zoek naar eigen voedsel; maar sindsdien
ben ik een voedzaam eiland in de baren.

Wijnglas


Het glas staat ongeschonden in mijn hand
een koel gevormde adem van een man
een tastbaar licht dat als een witte vlam
de iris van mijn ogen binnenbrandt.

Ik kijk erdoor. Het laat mijn blikken gaan
in vorstelijke onaanraakbaarheid,
maar houdt mijn vinger, die de kelk langs glijdt,
op millimeters van zijn ziel vandaan.

Ik schenk het vol. Het wordt een rode mond
die hunkert naar de wellust van een kus.
Dan drink ik langzaam en als in een lus
vangt mij de roes en tilt mij van de grond.

Zij is het glas, dat onberoerde ding
waarin begeerte tussen koelte rust.
Zij blijft de einder, zelfs terwijl zij kust
waarnaar ik opzie dronken van bewondering.

Ziek huis


De nacht ligt als een loodblok op het dak
en perst een beving door de brosse steen.
Een kreunen wringt zich door de balken heen.
Het hout is als een hulpgeroep zo zwak.

De mensen slapen in dit zieke huis
hun oor is doof geworden voor de pijn.
Ze zullen bladeren verschriktheid zijn
als straks de pijlers brokkelen tot gruis.

Laat ons behoedzaam lopen in de gang
en onze stemmen dempen in de mond,
want elke kalkscheur is een nieuwe wond
die dood ontwortelt achter het behang.

Ben ik alleen die luistert in de nacht?
Die dit wanhopig hijgen in zich vangt?
Misschien ben alleen ik, die dit verlangt:
dat in mijn leven eeuwigheid reeds wacht.

Zondag


De bomen flakk'ren gelijk groene vlammen
en spatten vonken op mijn vensterruit.
Ik zie de vrouw met zorg haar haren kammen
die glanzen gaan als stro in vochtig kruid.

De zon staat voor de statige gordijnen
te wachten als een blonde harlekijn,
tot zij op de waranda zal verschijnen
en hij haar weg kan dragen over 't plein.

Ik kijk mijn kamer rond en zie de dingen
die klein en stevig rechtstaan in hun hout.
Ze zeggen mij de zon ver weg te dringen
omdat een vonk van haar hun dood ontvouwt.

Mijn zonangst houdt de grendels op de deuren
en mijn voorzien de luiken op hun plaats.
Al maakt de traagheid van dat nietgebeuren
voor mij elk stuk geluk benedenmaats.

Zwemster


Een trage vrouw zwemt midden op de stroom.
Het water draagt haar als een donker blad.
Ik sta vergeten op de waterzoom
en grijp verstrooid wat kiezels van het pad.

Zij draait zich op haar rug en ligt heel hoog.
De zon legt natte handen op haar huid.
Ik kijk, een oogwenk slaat mijn lippen droog
en jaagt begeerte elke porie uit.

Zij ziet de man niet aan de wallekant.
Zij is een afgebroken blad dat drijft.
Haar wereld is vergaan tot plant, tot land,
tot stof die zich weer tot atomen wrijft.

Plots is de haat in mij, als een bericht
van al de mannen met wie ik samenspan.
Ik werp de kiezels haar in het gezicht
omdat ik niet zo eenzaam zwemmen kan.

***
terug naar de inhoudsopgave van alle gedichten

terug naar de beginpagina van de website