Vrouwen, begeerte



Blind date


Ik weet niet hoe je bent
hoor alleen je stem
de tred van je voeten.

Ik weet niet hoe je bent
ruik alleen je geur
de tocht van je haren.

Ik weet niet hoe je bent
voel alleen je schim
de druk van je handen.

Nu ik geproefd heb
het zoet van je lippen
het zout van je borsten
weet ik hoe je bent.

Jonge dichtersliefde


Ik heb je veel te zeggen, meisje,
maar 'k vrees dat ik niet spreken kan,
want teerder dan het teerste wijsje
zijn vaak de woorden van een man
die liefheeft, die een vrouw bemint,
en bang is hij dat als hij spreekt
één van die tere woorden breekt
en liefde wegvlucht als de wind.

Kleine bloem uit kale tuin


We zagen tuinen weeld'rig van terrassen,
waar zon- en bronlicht zuiver samenvloeiden
tot regenbogen; waar als vuren gloeiden
gekroonde bloemen uit gewijde kassen.

We zagen tuinen waar met klat'rend plassen
fonteinen sproeiden; waar als kruiden broeiden
de geuren van de bloemen die er bloeiden,
verheven kelken door de dauw gewassen.

Ach lief, mijn tuintje heeft geen laan, geen perk,
enkel wat kleurloos gras, wat kiezels grauw,
elk zaaien is er onbegonnen werk.

Doch in die barheid, bevend van de kou,
bloeit toch één bloem, heel klein en toch heel sterk ...
Pluk haar, mijn lief, zij groeit en bloeit voor jou.

Meis


Zij liep behoedzaam, behoedzaam, behoedzaam …
vond steeds haar weg,
zocht alle wegen te begaan,
ook, juist, die zij vreesde.

Zij sprak zo zacht, zo zacht, zo zacht …
een ritseling van blad,
een druppel rimpeling van water,
een zucht van zachtheid,
maar stelde alle vragen, voor een ieder.

Zitten kon zij als een schaduw stil,
een niets voor wie niet kijken kon,
een niets voor wie niet horen kon,
toch, onbeperkt, aanwezig.

Roerloos moest zij zijn om te luisteren,
opgetild te worden door een stem
en meegedragen door een woord,
een vaas was zij
waarin ik vrij mijn bloemen schikte
als was die vaas van mij.

Een veld was zij
met alle voren open,
dat zaad deed kiemen en ontwassen,
de vruchten droeg die anderen zich plukten.

Zij beefde als zij liep,
trilde als zij sprak,
een siddering kon haar doorvaren
wanneer zij roerloos neerzat
en luisterde …
maar lopen bleef zij
en spreken en zitten ook, alleen.

Haar oog keek zonder netvlies …
haar huid was netvlies,
huid van haar vingertop,
huid van haar lip,
haar oor, haar tepel,
netvlies dat ontzag
de kleuren naast de regenboog.

In nachten, dromenloze nachten,
zie ik haar heel behoedzaam,
hoor ik haar fluisterzacht,
voel ik haar beven in mijn borst,
zoek ik haar huid.

In memoriam Meis Troost, blinde lerares Franse taal, leidster ABS (Actiegroep Blinden en Slechtzienden), voorzitter NVBS (Nederlandse Vereniging van Blinden en Slecht-zienden)

Meisje in de beek


De beek kwam van de berg gesprongen
en wierp zich schat'rend in haar schoot
en zij, die heel heur lichaam bood,
werd juichend door hem toegezongen.


Op hoge klip zat stil een jongen
die drom'rig op zijn rietfluit floot.
Ze keek omhoog en bloosde rood,
heeft fluks heur haren uitgewrongen.

Ze wierp haar kleren om heur leden
en dorst niet meer omhoog te zien,
verdween in 't niet met rasse schreden.


De klip staat kaal en leeg sindsdien.
Verveeld de beek komt aangegleden ...
Een zucht doet soms het schoonste vlie'n

Minnebrief


Ik schrijf dit kleine vers voor jou, mijn liefste, al kan ik niet de juiste woorden vinden die zich tot zinnen willen samenbinden, waaruit dit vers zich vormen wou, mijn liefste. Er zijn gevoelens in mijn hart, mijn liefste, die zich niet zeggen laten in gedichten, die zich niet naar metrieken willen richten, die elke metafoor verwart, mijn liefste.
Die woorden raken niet de ziel, mijn liefste,
ze zijn de afgezanten van het denken,
die slechts een milde troosting kunnen schenken
aan één die aan hun voeten viel, mijn liefste.

Ik schrijf omdat je mij dat vraagt, mijn liefste,
en wil dit vers slechts aan jouw liefde wijden,
doch, nu 'k zo mijn liefde wil belijden,
weet ik dat zij geen woord verdraagt, mijn liefste.

Nacht aan het meer


Het meer lag strak, een spieg'lend oppervlak
waar overheen een hemel koel zich boog.
Een vogel langs de bleke maanschijf vloog
die uit een wolkenflard naar voren stak.

Een verre torenklok wat stilte brak
waardoor de wind zich in het riet bewoog.
Ik wreef haar schouders met mijn handen droog
ontdeed haar snel toen van haar natte pak.

Haar huid was koel als een modern gefluit
waardoor haar bloed de zilv'ren maat deed stromen,
en had de geur van middernachtlijk kruid.



Ik zag de priester uit het water komen
voor wie de liefde woord is, naar verluidt.

Ik heb haar borsten in mijn mond genomen.

Page


Wanneer de lichten op de kimme doven
een zilv'ren scherm voor Phoebe wordt geschoven
verwacht mijn komst, o schone vrouw,
op 't brede bed met bloemengeur bestoven.

En in de poort van blauwe schemeringen
hoor ik uw stem een lied de nacht in zingen
zo koel als 't trillen van de dauw
en gans mijn lichaam zucht in huiveringen.

Prinsengracht


In dromen staan de bomen op de kaden
waarlangs het water slaapt van brug tot brug.
Een echo van de gevels wiekt terug
nog met de sluiers van de nacht beladen.

Befloerst met schemer staren grauwe ramen
tot in de verste verten van het niet
en zien wat het aanschouwen nimmer ziet
daar dat slechts waarneemt wat het kan benamen.

De namen maken voor de mens de dingen.
Wat niet benoemd kan worden niet bestaat.
Wanhopig is de mens wanneer hij gaat
door vage ongenoemde schemeringen.

Zo is de grens van nacht en dag, geen hopen
een niemandsland waar komt het niets tezaam.
Ik huiver even, roep dan luid je naam
en met jouw venster springt de morgen open.

Rarajoe


Ach, wat deert het mij dat je gelaat niet schoon is gelijk de dageraad die na de nacht de
gouden hemelbloem openbreekt.
Elke morgen werd ik gewekt door de zang van je stem die door mijn haar streelt gelijk de
koelte der zee.

Ach, wat deert het mij dat je kleed niet de plooien en de parels draagt, waardoor de
vorstinnen van onze verbeelding volken en veldheren tot onderwerping brengen.
Door de warreling van stof zie ik vaag de donkere schaduw doemen, die mij je lichaam doet
raden.

Ach, wat deert het mij dat je gang niet trots is gelijk de stand der palmbomen, waardoor hij
aller ogen vol bewondering en eerbied op zich doet richten.
Vaak heb ik je zien knielen aan het bed van een zieke en je hand zien reiken aan een
hulpeloze.
Ach, wat deert mij de vorm der lijnen, wanneer ik gekluisterd zit aan het vuur van je lippen,
wanneer ik mij moede drink aan de kracht van je borsten, wanneer ik verdwaal in de
warmte van je leden en onderga in de diepte van je wezen.

SM-lover


Mijn lief, ik zie je liggen op 't altaar,
aan polsen en aan enkels vastgeketend.
In naakte overgave lig je daar
van al de smarten die je wachten wetend.

Een hand haakt traag de zweep van de pilaar,
een monnikshand, van vrome wreedheid zwetend.
En ook de kaars die kreten drupt, staat klaar
in lange gratie, wel één meter metend.

Mijn lief, ik hunker naar de eerste slag
en naar de eerste striem die siert je huid.

Mijn lief, ik hunker naar je eerste ach
waarmee je lichaam wordt een klok die luidt.

Mijn lief, dat ik je voeten kussen mag,
want zo bemin ik mijn beproefde bruid.

Negentien Uithoornse copla's



1.


Je handen zijn als castagnetten
Je lippen zijn als rozenblad
Ik zal niet op je slagen letten
Wanneer de roos geurt langs mijn pad.

2.


Je borsten zijn een zwarte hemel
Waarin geen ster meer werpt een licht
Ik ben een vogel in die hemel
Die voortzweeft met zijn ogen dicht.

3.


Je hebt gezongen op de tinnen
Je hebt gezongen in de gracht
Doch toen ik drong je vesting binnen
Werd jij juist naar je graf gebracht.

4.


Je bent zo heilig, Manuela,
Je bent zo rein als lentesneeuw
Doch van Peru tot Venezuela
Vertrekt mijn mond zich in een geeuw

5.


Ik houd van je wanneer het nacht is
Wanneer het licht niet op je is
Wat voor mijn vingers louter pracht is
Is voor mijn oog bekommernis

6.


Je lippen zijn bebloede bladen
Je nagels doornen van de struik
Ik ga met wonden overladen
Omdat ik aan je bloemen ruik

7.


De sarabande voor de vorsten
De gota voor het lage volk
De kanten waaier voor de borsten
Doch aan mijn lendenen de dolk.

8.


Judita, duizend Moorse ruiters
Vergeef ik voor jouw blanke hals
Maar ach, ik heb geen Moorse ruiters
Slechts één gitaar en die is vals.

9.


De duivel mag de vrouwen halen
En hen verdrinken in de hel
Het leven is vol bacchanalen
En waar ik wilde, kwam ik wel.

10.


Zeg bloem, hoe kom je op die rotsen
Het is hier hoog en hard en heet
Ik zie van hier de bergen botsen
Maar slechts de klimmer die mij weet.

11.


Gelukkig dat de zon der dagen
Niet brandt in 't midden van de nacht
Want ik had niet meer kunnen dragen
De hitte door jou voortgebracht.

12.


Jouw voeten die de gota vuren
Die als een zwerm van vonken zijn
Laat toch hun roff'len eeuwig duren
En mij die tijd hun dansvloer zijn.

13.


Pilar, je lichaam is een landschap
Met bergen, wouden en woestijn
En ik, die kaartloos door 't land stap
Zal eeuwig er verdolend zijn.

14.


Indien het leven water was
waarin ik als een goudvis zwom,
Dan wist ik nu, niet later pas,
Dat elke goudvis heeft zijn kom.

15.


Je ogen zijn als diamanten
Je haren als van goudmetaal
Hoe kan mijn mond de liefde planten
op deze grond van mineraal.

16.


Ik zag je slapen in de bloemen
Met slechts de morgen op je huid
Mijn bloed begon je zacht te noemen
Doch mijn verstand zei: Houd het uit.

17.


Je loopt gelijk de zwanen drijven
een Al verzonken in het Al
En ik moet naar je staren blijven
gelijk een knotwilg, van de wal.

18.


Carmen, je kleed is als de avond
waarin de zon ten onder gaat
Het is zo bont, zo onbeschavend,
gelijk een mond die open staat.

19.


Je ogen zijn twee watergrotten
Waarbinnen gloeit een groene hel
Die met een ver, verzonken spotten
Een einde maken aan elk spel.

Voorjaar over winters land


De Aarde zit gehuld in 't hermelijn
van Winters koninklijke pronkgewaad.
Laag aan de mist-omfloerste Hemel staat
de Zon gelijk een flonk'rende robijn.

Waar aan de kim het wit in dof karmijn
verbloedt, de grijze Stilte opwaarts gaat
gelijk een Gotisch kerkgewelf, slaat
plots de Storm toe door het mistgordijn.

Hij stormt op felle voeten langs de wegen.
De Aarde beeft en werpt haar mantel af
en laat zich weerloos striemen door Zijn regen.

Doch toen Zij eerloos lag gelijk een graf
heeft Zij Heur oude schoonheid weergekregen.
Zo is de Liefde, stormachtig en straf.

Vrouw met bok


De vrouw kwam over 't hete pad gelopen
heur haar hing los en heur japon hing open.
Het was het uur dat heel het eiland sliep
en slechts de krekel in de bomen riep.
Het uur waarin een rots van hitte spleet
en in de rechte lucht alleen de kreet
van een verdwaalde meeuw zich haastig repte
terwijl benee de zee in slaap verebde.

Een bok kwam sluiks de helling afgedrenteld.
Hij had gevreten en zich lang gewenteld
in malse klaver en op verse grond,
zodat een scherpe geur vanwaar hij stond
woei naar de vrouw, die statig nader schreed
en ademend bleef staan, terwijl zij 't zweet
van heur gezicht sloeg met een naakte arm.
Zij snoof zijn geur die welig was en warm.

Gelijk een imperator stond de bok
berook de vrouw heur voet, berook heur rok.
Begerig schudde hij de zware kop
en met een zwaai joeg hij heur kleding op
zodat die scheurde en van heur lichaam sprong.
En zij, de vrouw, zij lachte en zij wrong
heur leden tot een schaamteloze dans
terwijl de bok zich scherpte tot een lans.

Zij streelde hem en zoende hem de bek
en hij verslond heur geur en hij werd gek
en sloeg met harde hoefslag haar de dij
en wierp met korte kopstoot haar opzij
en vocht met haar een woest en wild gevecht
waarbij zij sloeg, hij beet, en waar hij recht
en rillend stond op heur verstoten lijf.
Hij zag haar weerloos en hij groeide stijf.

Zijn kop zonk zwaar, ging onder in de vloed
van geur die door heur dijen werd behoed.
Hij schudde ze vaneen en likte traag
en hoorde haar wat zeggen, loom en laag,
en wijduit open ging zij voor zijn tong
en toen hij zich tenslotte in haar drong
toen voelde hij heur hitte overal
en hij bereed haar en kwam zo ten val.

Wrede Eros


Ik houd zoveel van half-ontklede vrouwen
die wiegend gaan op naaldgehakte schoenen
wier voeten trappen en wier handen klauwen
wier lippen smakken bij het bijtend zoenen.

Hun kleren wil ik van hun lijven rukken
hun zachte dijen tergend samenknijpen
hen bij de haren door de doornen sleuren
hen met mijn tanden bij het buikhaar grijpen.

Ik wil hen mee naar stille kerkers slepen
hen daar op ruwe houten tafels binden
en dan hun lendenen en ruggen zwepen
hun volle borsten weer, steeds weer, verslinden.

En als zij eind'lijk kreunend nederliggen
hun benen en hun armen wenend spreiden
dan zal ik mij in hunne schoten wiggen
en op hen naar de hel of hemel rijden.

***
terug naar de inhoudsopgave van alle gedichten

terug naar de beginpagina van de website