Vanuit de dichter beschouwd



Aansluiting gemist


Ik zag de laatste trein nog juist vertrekken
een rij van lichten vluchtend uit 't station.
Verlaten in de wind lag het perron
geschonden door wat diepe schaduwvlekken.

De lokettist sloot nauwgezet de hekken
de lampen sponnen zich in een cocon.
De wachtkamer stond leeg, de nacht begon
met binnensmonds gemompelde gesprekken.

Ik rolde boos mijn laatste sigaret
waarbij ik sprak gebenedijde woorden
die op de lege rail elkaar vermoordden.

Ginds reed de trein met elke bank bezet
vol warme mensen snellend naar hun bed
die aan mij dachten noch zich aan mij stoorden.

Apostelvoeten


De avond loopt op blote voeten door
de lege straat en tast met natte handen
de vensters af, waarachter lampen branden
en thee te stomen staat op het komfoor.

Ik bijt mijn huissleutel tussen mijn tanden
en schraap wat laatste stemmen in mijn oor
steeds verder weg achter mijn schouder hoor
ik het gepraat in mompeling verzanden.

Ik sta nog even stil in een portiek
de wind hult mij in zijn versleten jas
en blaast uit een vermolmde iep muziek.

Ik sta als een apostel in het gras
de stenen zijn het oor van mijn publiek
mijn voeten spreken, antwoord geeft mijn pas.

Blind landschap


Een nieuwe landstreek is een nieuw geluid
hij is geluid, hij is slechts pure klank
zijn woord is ongerijmd, zijn rijm is blank,
zijn regels gaan nog zinloos in en uit.

Mijn oor is vol met aandacht. Langzaam duidt
het elke toon en maakt die sterk. Als mank
zit ik tot steen verstorven op een bank
van zon en neem bedachtzaam mijn besluit.

Uit louter echo meng ik mij een kleur
uit louter stem versteen ik mij een beeld
tot ik die tastbaar in mijn ogen speur.

De hoorbaarheid wordt tafereel, verdeeld
in land en zee, in licht en lucht. Ik beur
een handvol aarde op geluid geteeld.

Bronzen fluitster
(Op een beeld van de beeldhouwster Teus van den Berg)


Te staren in de nevel van een lied
en blind te zijn voor al het licht dat valt
en doof te zijn door al het licht dat schalt
hoog op een tak en onder in het riet.

En niet te zien hoe adem zich verkalkt
tot bergen en tot bossen die men ziet
op bodem van de zee, waar onbespied
ze torsen leven dat zich openspalkt.

Een bronzen fluitster blaast een bronzen fluit
'wijl zon en regen weven haar een kleed.

De maanden komen in en gaan weer uit
zij fluit en fluit, zij weet niet, zij vergeet.

De mensen zien haar fluiten door een ruit
en horen niet dat wat hun oog betreedt.

Consonanten


Het is zoel. De kind'ren lopen langs de straat
en kaatsen stemmen naar het dak omhoog.
De supermarkt, die heel de dag bewoog,
valt stil met enig Levantijns gepraat.

De schemerlucht kruipt uit de ruiten, droog
en krakend als een krant die vliegen gaat.
De avond wordt een lamplicht uit een draad
getrokken door een zwarte hemelboog.

Ik zie octaven zitten om mij heen
en hoor de tertsen slaan hun liedboek open.
Ik proef een kwint die opstaat van het steen.

Vanwaar komt de herinnering gedropen
die aan mij sjorren gaat, nu ik mijn been
niet meer verzetten wil en niet meer lopen?

De kathedraal van Kampen


Ik heb voor Kampens kathedraal gestaan
die grimmig aan zijn lege kerkplein lag.
Het was een zware grijze zomerdag
die uit een nacht van regen kroop vandaan.

Ik zag hem fronsend door de uren gaan
met een vermaan in elke klokkenslag.
Er was geen zonlicht dat een bonte lach
op een der ramen kon doen overslaan.

Ik stond gebogen op de stenen brug
waarvan de rug gramstorig was geheven,
en zag zijn transen in de gracht terug.

Een eendenpaar kwam door zijn schip gedreven
dat hem zijn rechtheid roofde. Ik liep vlug
de kade af en heb een schreeuw gegeven.

Diepzin


Vlak naast mijn oor druilt in de dag de regen,
loopt in de laan de leegte land'rig langs,
verschuift de tijd met haar geniep bewegen
de dag van licht naar donker, met iets bangs.

Vanuit de stad had ik een brief gekregen
waaruit de woorden klommen met iets wrangs
verborgen in hun smaak. Ik las verlegen
dat al mijn letters zitten vierderangs.

Snoei van mijn tuin de heggen achter lager,
zodat de maan mijn huis komt ingereden.

Voor elke morgen kniel ik als een vrager,
omdat mijn antwoord scheef staat op het heden.

Herinnering wordt dik als het jaar wordt mager,
om vol te zijn verzamel ik verleden.

Farao


Bouw mij een graf groter dan mijn leven
bouw mij een graf gedrongen op de aarde
dat eeuwen breken zal, waarvan de waarde
door late wetenschap wordt overdreven.

Het is zo weinig dat ik samengaarde
en nog veel minder kon ik overgeven.
Ik ging niet uit, want steeds ben ik gebleven
in hoven waar slechts tijd zich om mij schaarde.

De morgen kwam tot mij met lege handen
de avond ging met leegte in zijn zak
de nacht hing zonder dromen aan mijn wanden.

Er is geen enkel slot dat ik verbrak
geen enk'le honingbij kon ik doen landen …
Kom toch, o Dood, en vul mij tot mijn dak.

Herfst


De blad'ren liggen nat vertrapt op straat
de laan drijft bloot en open voor de wind
het standbeeld stijgt, verweerd en zonder tint,
uit schriele struiken door de dag gebaad.

Onttakeld als een houten scheepswrak staat
het bankskelet geworpen op het grind.
Ik kijk wat rond, maar geen herkennen vindt
mijn blik die het verwaaien gadeslaat.

Een vink die mij een reisverhaal vertelde
een tulp die mij een panorama bood
een beuk die warme noten voor mij pelde …

Gedichten zaten veelvoud op mijn schoot.
In ieder woord een kleine droom zich spelde …
Een volle zomer leegt zich in de goot.

Herfstvrouw


Zij komt de kamer in, haar armen zwaar
van rijpe vruchten uit een herfstig bos:
bardo's geplukt, brigida's in een tros,
gevallen taylors klittend aan elkaar.

Haar mond een kers, haar borsten hangen los
als peren in de wind; naar korenaar
door zon beneveld geurt haar venushaar
en in haar ooghoek lonkt een druivenblos.

Wanneer de dag straks als een nat gordijn
zich heeft gehangen voor mijn vensterglas

De bomen op het onbeschutte plein
te rillen staan in een verkleumde plas

Zal zij een tuin vol blonde warmte zijn,
waarin ik lig als zomer in het gras.

Het kind en het niets


Er speelt een doelloos kindje in de straat
dat roept met dunne stem wat kleine namen
die als een speelbal kaatsen op de ramen
waarna de dag ze vangt in zijn gewaad.

Verwonderd en met grote ogen staat
het kind en hoort de stilte als een amen
dat het ontsteld doet zwijgen, in een schamen
waarin elk roepen als een wrak vergaat.

Ik zag het staan met strakgespannen oren
en ogen die de lege straat doorzochten
die het bedrukte als een toren.

Het was mij of het zag de kromme tochten
die zich bewegen buiten zien en horen
maar die elk mens omgeven met hun bochten.

Huis van geluiden
(Op het huis De Berken te Gorssel van onze vrienden Wim en Non de Breuk)


Hun huis, een stille vijver van geluid,
waarin zij dreven als gevallen vruchten.
Hun huid vibrerend op de nachtgeruchten
en ademend de dagen in en uit.

Zij hoorden hoe de trappen zachtjes kuchten
en hoe een vink zijn eerste snavel tuit
Zij hoorden schaduw fronsen op de ruit
en avonddauw een berkenstam verluchten.

Zij sperden open oren naar de rust,
gespannen om haar trage pols te horen.

De straten werden snel in hen geblust,
beton werd boom, benzinedamp werd koren.

Zij dempten zich en luisterden onthutst
hoe uit geluid de stilte wordt geboren.

Inspiratie


Voor 't raam een tafel met beschreven blad
waarop wat bloemen in vergeelde vazen.
Het daglicht, door een boomskelet geblazen,
grift hiërogliefen op de kamermat.

Een vrouw, die zich te pedicuren zat,
strekt strak haar been en ik zie met verbazen
de nagels van haar voet als brillenglazen
waarin vergroot de klinkers van mijn pad.

Een boek, waarvan de titel is omrankt,
neemt zij ter hand en slaat het zoekend open.

Haar stem, waarin een cello zich verklankt,
leest traag de regels die tot peinzen nopen.

En als ik, met een kus, haar heb bedankt,
zet ik mij om mijn eigen pen te dopen.

Koude lente


De nacht van lente was als winter koud
een kus bevroren als een vensterglas.
Ik hoorde kreunen in het kiemend hout
en knoppen knappen met een vogelkras.

Wat uren vroeger had de dag gebouwd
een koepeldak dat als een blauwe kas
van warmte om ons stond, waarin het oud
gebruik van bloei mijn tuin van steen genas.

Dezelfde hemel die het zonlicht gaf
en verse bomen plantte groen gewijd,
brak deze bij hun vruchtbeginsel af.

Het waren wijze mannen toentertijd
die zonder hoop het schreven op hun graf:
De hemel … dat is onaandoenlijkheid.

Lentebomen


De bomen van de lente vangen wind
en plukken tros na tros de regen uit
de wilde hemel. Dronken van geluid
staan ze te wank'len klauwend in het grind.

Uit elke knokkel werpen ze een kind
en uit hun kreunen fladdert het gefluit
van luid en moedig leven, dat als buit
zich levert aan de storm die het verslindt.

Ik wil geen steen zijn, maar zulk barstend leven
dat lijden kan omdat het baren wil.

Ik wil niet gaaf zijn als een ring gedreven
tot gladde hardheid door een stalen spil.

Ik wil aan iets, iets groots, mijn leven geven,
aan, aan de dood, die vredig is en stil.

Lettersnijder


Mijn handwerk is een knap sonnet te snijden
en daarin woord na woord een zin te kerven
tot mijn gedachten tastbaar staan als nerven
die op een blad hun vingerhanden spreiden.

Ik doe dat al van voor de stenen tijden
toen slechts de aarde nog mijn woord wou erven
toen elke bries mijn woning blies aan scherven
toen elke dag opnieuw mij kon bevrijden.

O Woord, dat mij van deze aarde heft,
dat mij het veld der vrijheid doet beleven,
had ik de vastheid van je vorm beseft …

Je hebt mij pen en inkt ter hand gegeven
en ik, die als een maanhond heb gekeft,
heb mij een hondenkennel neergeschreven.

Lotus


Ik kom tot leven in een lotusbloem
die als een glimlach op de wolken drijft
die in de wilde winden roerloos blijft
ontheven aan hun opgewonden doem.

De doem, die ik de evolutie noem,
en die zich in een reeks van nummers schrijft
waarin de tijd tot jaren wordt verstijfd
en hoorbaar is gelijk een bijenzoem.

Ik zit en tuur vanuit de blanke kelk
die zich bespiegelt in het vijvervlak
gelijk een roomschelp in een bad van melk.

Ik weet niet wat de tijd in stukken brak
en tot een gordel uren vlocht, hetwelk
de vijverrust in eeuwigheid ontstak.

Lusteloos


Door de vitrages viel wat groezelig licht
een pover aalmoes van een schriele dag
en ik, die lust'loos op de divan lag,
stond krakend op, deed de gordijnen dicht.

Ik dommelde, mijn blik in mijn gezicht,
en hoorde nog alleen de luie slag
waarmee mijn hart van leven deed gewag.
Ik ging weer liggen, heb niets meer verricht.

Zo is bestaan: een slechts aanwezig zijn
in ruimte en in tijd, een leegte als
de slaap van een verstoken brein.

Ik draag niet meer het uitzicht op een vals
verschiet en voel alleen nog maar wat pijn
van onvergeten daden op mijn hals.

Nacht


Ik werd een zinneloze in de nacht
omdat ik aan haar duister was gaan wennen.
Alleen mijn dromen, die ik zelf kon mennen,
behielden nog hun beeldenrijke pracht.

De wereld werd heel ver, haar stem zo zacht
dat ik haar woorden nauw'lijks kon herkennen.
Slechts nu en dan kwam nog een bode rennen
die mij een boodschap van haar leven bracht.

Zo is de nacht: een dichte eenzaamheid
waarin de ruimten zijn teruggeslonken
tot in jezelf die niet meer wordt in tijd.

De wegen naar de ander zijn verzonken
er is geen ander in de eeuwigheid
omdat je zelf de tijd hebt ingedronken.

Natijd


De wingerds schuren willoos langs mijn raam
als droge haren waar een hand door strijkt.
De dag, die grijs de daken over reikt,
draagt op zijn arm het handschrift van een naam.

Het licht is oud geworden en vergelijkt
nog slechts de droom van een verleden faam.
Geen van haar beelden is meer polygaam,
alom staat stilstand waar mijn oog op kijkt.

De huizen staan met witte ramen dicht
en hebben muur aan muur zich vastgegrepen.

De klokken hangen even in gewicht
en dragen roerloosheid in brons geslepen.

Een einderloze wereld zonder zicht,
ver in de haven dommelen de schepen.

Ochtendwandel


We lopen samen door de gele morgen
waarin de duinen liggen als uit hout
gesneden, in wier dal het roerloos woud
van dennen nog wat nacht houdt weggeborgen.

Licht laat het licht, nog onbezwaard van zorgen,
zich lichten op de lippen van een oud
en teder lied, met reeds een dag gebouwd
als treden door de nacht tot overmorgen.

Zo wordt het licht ontstoken op de grens
van nacht en dag, waarna het goudgeel staat
geslepen in de blauwe hemellens.

Wat deert dat licht het duister van gepraat
wanneer het is geworpen in de mens
en rechtop staat en niet meer nacht toelaat.

Ongrijpbaar


De dag kan soms een broze zeepbel zijn
die roerloos drijft in het heelal, een bont
gegons van kleuren in een fletse schijn
geblazen uit een weke kindermond.

Er hangt iets onbestemds om elke lijn
iets onbepaalds, waarin mijn oog dwaalt rond
op zoek naar iets dat vatbaarder zal zijn,
een beeld met basis en met achtergrond.

Waarom probeer ik alles te herkennen
zoek ik de vorm die scherpe grenslijn heeft
waaraan mijn oog in jaren zien kan wennen?

De wereld die uit haar omlijning beeft,
die geen begrip bevriest, wil ik ontkennen,
omdat zij mij niet geeft dat wat zij heeft.

Ontwaken


De ochtend komt met koele grijze luchten
met kille dauw die opwaait uit de hagen.
Vanuit het westen komen wolken jagen
die regenbuien voeren in hun vluchten.

We worden wakker bij de eerste daggeruchten
en horen hoe de tijd wordt aangeslagen.
De wellust durft de mond niet meer te vragen
we staren in de natte tuin en zuchten.

Steeds is de dag verstoorder onzer dromen
die hij in een kalender samenvouwt,
opdat ze niet tot waken zullen komen.

Eén troost de dromer dan nog overhoudt:
Uit elke dag de nacht weer voort zal komen
waarin de droom zijn tempels weer herbouwt.

Pythagoras


Ik sla begrippen samen tot getallen
die niet voor tweeërlei zijn uit te leggen
die zich slechts als getallen laten zeggen
en als zij vallen tot getallen vallen.

Mij kan het spel van woorden niet bevallen
want woorden zijn als dichtgegroeide heggen
waarin het licht zich klaarheid moet ontzeggen
en schemeringen duister samenballen.

De hele kosmos moet zijn op te tellen
waardoor hij aan de nevels wordt ontrukt
die hem vanaf zijn big beng samenstellen.

Dat zijn becijfering de mens gelukt
dat kan de mens met zekerheid voorspellen;
de mens, zijn meest merkwaardige product.

Rechte straat


De zon viel door een matglasgladde lucht
en sneed een rechte straat van tegelsteen
voor gevels waar de smet was afgevlucht
en waar geen schim meer raakte handgemeen.

De daken lagen languit onder tucht
de wind liep onverschillig om ze heen.
Geen raam droeg lachen en geen deur droeg zucht
de tijd kwam doelloos nader en verdween.

Men had mij afgezet in deze straat
waar alles kraakte van de keurigheid.

Ik liep haar door, mijn passen strikt op maat,
met al de rust van één die veilig schrijdt.

Eerst halverwege wist ik het, te laat …
op tegels raak je de verzoeking kwijt.

Sterfbed


Te slapen in de oksel van de nacht
de droom te horen reg'nen op de ruiten
het donker binnen en de schemer buiten
de schaduw naast de open deur op wacht.

Te dromen dat een leeuwerik gaat fluiten
vlak naast je oor waarin geen woord meer lacht,
en dan ontspannen raken, daar er zacht
twee armen om je huivering zich sluiten.

Zal zo het zijn dat ik het leven groet?
Een weggaan zonder wens tot wederkeer
een afscheid met de armzwaai van een hoed?

Zal ik het zijn, die naar de dood begeer
en mij haar geef zoals een minnaar doet?
Of zal ik enkel schreeuw zijn en niets meer?

Suïcide


De avond van de zomer was zo zwaar
dat hij de gele hemel samendrukte
en in de tuin de boom zijn takken bukte
zodat die stond opgevouwen in elkaar.

Een ritseling sprong open hier en daar
een vogel die wat veren zich ontplukte
doch zijn begonnen lied hem niet gelukte
en afbrak als een stukgesprongen snaar.

De huizen rond mij leunden lusteloos
met muren die niet meer weerklinken konden,
het licht viel op ze neer, bewusteloos.

In deze dichtheid heb ik mij verzonden
en maakte ik mijn blikken kusteloos
Zo schoot ik vol, nooit meer te leeg bevonden.

Te koop


Laat in de middag kijk ik naar mijn huis
de zon hangt laag en werpt haar rosse kegels
door de verkoolde bomen. Kleine egels
van schaduw liggen slapend in het gruis.

De deur hangt open, op de bruine tegels
gaapt leeg de vrijheid. Even schuurt geruis
van levenloze dingen, als per abuis.
De muur is als een vel waarop mijn regels:

Te koop. Ik had dit keurig huis gebouwd
en het met warme meubels volgezet.

Des ochtends was mijn tuin met gras bedauwd
en kaatsten zonnestralen op mijn bed.

Doch roerloos leefde ik, een dor stuk hout,
een stijve stoel die nooit eens wordt verzet.

Trompettiste


Een vrouw blies een trompet. Een zonnestraal
van klank klom langs de regenpijp omhoog
en trilde in mijn haar. Een wielewaal
die door een raam een donker huis in vloog.

Een deur ging open. In het trapportaal
stond krom een oude man. Behoedzaam woog
hij elke toon en keek naar het ovaal
gelaat der vrouw, dat achterover boog.

Een muur viel door de stoot van een trompet
ineen en wijduit open lag de stad.

De ruimte trok voorbij met snelle tred
waar engheid klinkers met haar duimen mat.

Ik was een burcht. Toen schalde haar sonnet
en wijduit viel de verte langs mijn pad.

Vers lezen


Mijn lief, een dichter heeft een droevig vak
Het woord wordt in zijn oor, zijn oog gezaaid
en groeit tot vers dat breed zijn wortels draait
in hem, die ligt als aarde in een bak.

En als het vers met geur zijn bloed doorwaait
en elke hartklop schaaft tot bloesemtak
haalt hij zijn balpen haastig uit zijn zak
en schrijft, en heeft een letterveld gemaaid.

Hij kijkt ernaar met ogen zonder feest.
Moest hij voor dit zijn nacht tot dagen slijpen?
Een vriend ontviel, die hem was lief geweest.

Hij kan zijn eigen letters niet begrijpen.
Maar jij, mijn lief, die deze letters leest,
jij bent de zon die ze tot vers doet rijpen.

Visser


Ik droomde en de wereld werd van glas
waarop de wieren en de vissen stonden
met vruchten in hun haar en in hun monden
de woordenboeken die geen oog meer las.

En al mijn oren, die de lucht verslonden
die lui lag op het opgeworpen vlas,
doorhoorden eeuwen van vergaan, een kras
waarmee mijn huid van meet af was geschonden.

Mijn dromen deinen als een zee in mij
hun beelden drijven, heen en weer gestoten,
van dicht naar ver, op golven van het tij.

En op hen vaart mijn denken in zijn boten
dat werpt zijn netten uit te loef en lij
en haalt … een visser die heeft misgeschoten.

Vlieger


Er ligt een kind te dromen in mijn bloed
te dromen, dromen donker als de grot
waar het zichzelf ontdekte en het voet
na voet zich vaster zette in zijn lot.

En toen het werd ontworteld door de vloed
en naar het strand gedragen en ontvlot
was het al met verleden overvoed
en deed, een grijsaard reeds, de deur van slot.

Er staat een man te beven in mijn hand
een man die steeds weer uit zijn voegen schiet.

Zijn voeten klauwen in het losse zand
dat rullig is en nergens houvast biedt.

Ik vraag het kind, waarop ik ben geplant,
waarom het mij niet uit zijn dromen liet.

Vogels


Geef mij gedachten die als vogels zweven
die niet als licht de kortste wegen zoeken
die dralen kunnen boven kleine boeken
waarin wat losse zinnen staan geschreven.

Laat hen geduldig in het onkruid zoeken
of enkel zitten met de kop geheven
er is zo veel ontelbaar veel geschreven
maar elke zin verbergt zich in de hoeken.

Laat mijn gedachten op de winden drijven
of in de handpalm van de wolken rusten.

Laat slechts een schaduw van hen achterblijven
een echo van reeds lang gedoofde lusten.

Laat mij alleen wat luie woorden schrijven
die slapen in de ziel van onbewusten.

Vruchtwater


De nacht ligt als een zwarte oceaan
rondom het continent van mijn gedachten
en spoelt de wieren van haar diepten aan
op mij die als een zandstrand ligt te wachten.

Ik voel haar golfslag op mijn slapen slaan
en voel haar zout mijn hersenen bevrachten
waardoor die zetten op een zenuwbaan
de woorden die een volzin willen pachten.

Het water deint de aarde rond
en dwingt haar om zijn zaad te dragen.

Het geeft haar vruchten in de mond
en laat haar tong om water vragen.

De dichter, die eens woorden vond,
werd toen tot Waterman geslagen.

Zondag te Zijpe


Ik werd al heel vroeg wakker, toen de dag
nog nauwelijks de torenpunten had
gevat en op de straat de nacht nog zat
met ogen waar een wimper over lag.

Ik stak mijn hand uit naar de lucht en mat
de kou die voor mijn raam hing als een vlag
Ik luisterde … een orgel gromde Bach
als was het God die uit een kerkdeur trad.

De bomen stonden nog tot vuist gebald
een grijze haarlok hing vanaf het dak
de schemer hield de stoepen nog omwald.

Toen was het of het daglicht openbrak
een stem kwam op mijn raam en deur geknald …
De predikant die uit de radio sprak.

***
terug naar de inhoudsopgave van alle gedichten

terug naar de beginpagina van de website