Gekozen rijmschema



1.


Mijn woorden zijn voor elke mond versleten
mijn beelden door de veelspraak uitgehold
en de idee waarvan ik ben bezeten
heeft ieder mens reeds levenslang geweten.

De marktvrouw, die mijn waar voor schimmel schold,
heeft deze naar de kermistent gerold.

2.


Ik kwam van ver met Mohamed gereden
door gloeiende woestijn en hete wind.
Mijn Bedoeïenen schreeuwden hun gebeden
en in hun vuur verpulverden de steden.

Die God wordt door de mens het diepst bemind
die om zijn heup de wapengordel bindt.

3.


De regen liep voorbij op moede voeten
en liet de echo van zijn grijsheid achter.
De bomen trokken langs in droeve stoeten
en konden niemand met hun blad meer groeten.

Bij een verschrompeld tolhek stond een wachter
die ik betaalde, en mijn stem werd zachter.

4.


Het weten is een scherpgeslepen mes
dat elk patroon tot losse draden snijdt,
en duizend woorden maken het tot les
en voor een nieuwe hand tot dienares.

Laat mijn verbloemingen in duisterheid
omdat een dichter elke waarheid mijdt.

5.


De nacht viel als een rotsblok naar omlaag
en deed de slapeloze monden kreunen
de kleine twisten kropen in hun kraag
en alles boog zich voor die ene vraag.

Ik vond geen steen meer om mij op te steunen
en voelde slechts de aarde donker dreunen.

6.


De wijze knoopt de woorden vast tot zinnen
waarin het uur verschrompelt tot seconden.
De tijd gaat heen en komt slechts weer naar binnen
om te beluisteren een herbeginnen.

Toen ik mijn woorden had teruggevonden
wist ik dat zij slechts klein van taal zijn konden.

7.


Drie eeuwen heb ik op de berg gezeten
te midden van de gletsjers en het ijs.
Ik was de mensen reeds totaal vergeten
en mijn gewaden waren naakt versleten.

Doch toen ik naar de mensen ging op reis
was eenzaamheid voor deze daad de prijs.

8.


Vanaf de zeekant kwam een onweer dreigen
de lucht werd zwaar en stekend hing de zon
de berggevaarten zonken weg in zwijgen
en deden door hun haar een windvlaag hijgen.

Ik zat te spelen met een luchtballon
die openbarstte toen een vonk begon.

9.


Men had wat bloemen op mijn weg gestrooid
zo aan mijn voet een geurend pad gewezen.
Ik liep gelijk een bedelaar berooid
omdat ik al mijn winsten had vergooid.

Toen ik de gulden boeken had gelezen
wist ik dat armoe bloemrijk wordt geprezen.

10.


De regen liep afwezig door de straten
en poosde hier en daar eens op een hoek.
De wind stond in een trapportaal te praten
met nog wat licht dat achter was gelaten.

Ik wond mijn haren in een bonte doek
en ging naar mijn verbeeldingen op zoek.

11.


Ik heb een dochter ergens op de aarde
van wie de moeder is in nacht verdronken,
die mij met klankeloze stem verklaarde
dat zij het laatste kind was dat zij baarde.

Sindsdien heeft honderdmaal de vraag weerklonken
wie aan mijn dochters toch het leven schonken.

12.


Het kleine lied dat eens mijn leven was
lag stukgevallen tot wat dissonanten.
Men had een steen geworpen door het glas
waarachter ik mijn kleine noten las.

Ik heb getracht een kleine berk te planten
maar die werd weggetrapt door kermisklanten.

13.


De wijsgeer zat de leerlingen te leren
die rond hem zaten in de koele hof.
Hij liet gedachten komen en weer keren
en argumenten in een vraag verteren.

Toen ik de stilte bij mijn bed aantrof
wist ik dat denken biedt de woorden stof.

14.


Ik heb mij van mijn vrome plicht gekweten
wanneer de dag mijn kamer binnenscheen.
Nog in de duisternis had ik ontbeten
totdat mijn maag haast werd uiteengereten.

Ik zegde de gebeden één voor één
en kuste vol van mond de zwarte steen.

15.


Je stem sprong haastig uit de telefoon
en heeft gehaast wat nummers uitgespeld.
Doch ik, van alle aarzeling een zoon,
dacht dag na dag en wies mijn woorden schoon.

Een vrouw heeft monotoon mij uitgeteld
ik had het nummer van de tijd gebeld.

16.


De stemmen stegen uit het dal
als dampen uit een hete bron.
De echo's spraken overal
tot bij een wolk de wind hen stal.

Ik vroeg de vrouw die garen spon
of zij een hoofddoek weven kon.

17.


De dichter heeft eens aan zijn baard getrokken
en droevig om mijn vers zijn hoofd geschud.
Zijn tenen kromden pijnlijk in zijn sokken
en uit een fles zoog hij vermoeid wat slokken.

Ik heb een ogenblik respijt benut
en wierp mijn hoed vol bloemen in de put.

18.


De ochtend lag nog op het plein te slapen
met zware schemer in de populieren.
Een eerste hond kwam wat geluiden rapen
en stond met ruige poot zijn vel te schrapen.

Mijn oog stond vol van wijnen en van bieren
en zag nog slechts de planten en de dieren.

19.


Verwezen heb ik in de hal gestaan
waarin op platte stenen vuren brandden.
Ik ben tot voor de bonte ruit gegaan
en blikte zinloos in de zonnemaan.

Ik nam het hart, dat bonsde in mijn handen,
en bracht het levenbloedend naar mijn tanden.

20.


Je lied sprong als een vlam op in de nacht
en brandde duizend wonden in mijn ziel.
Ik heb mijn dromen op de steen geslacht
Voor deze trilling van een harteklacht.

De zwarte bark verbrijzelde zijn kiel
waarna hij op de rots tot wrak verviel.

21.


De bomen klommen langs de brokken muur
die van de steden waren staan gebleven
en al de kerken stierven tot natuur
met vergezichten als een landschap puur.

De tragedie die voor de mens geschreven
wordt tot een bloeiend blijspel na zijn leven.

22.


Het is een korte weg van gladde stenen
met vlijt geslepen en met zorg gelegd.
De mensen lopen er met lange benen
en voor hun stap verklinkt zijn zij verdwenen.

De man die strengen touw tot koorden vlecht
heeft het met slagen in de wind gezegd.

23.


Geef mij een woud waarin de bomen bloeien
en waarin meren dragen elk een maan.
Waar niet meer zonnen op de stranden schroeien
en niet meer winden door het water vloeien.

Wanneer de dagen zijn tot as vergaan
zal als een marmerzuil de nacht opstaan.

24.


Drie honderd vijfenzestig dagen liggen
tot jaar vercommenteerd op schrijfpapier
en in de duizenden karakters diggen
de schriftgeleerden met hun weterswiggen.

Ik kam de haren van mijn kamenier
die van de letters niet meer kent dan vier.

25.


De kerkklok sloeg en alle mannen kwamen
met hun horloges in de hand naar buiten.
Verknookte vingers openden de ramen
en konden gapen zonder zich te schamen.

De dag viel blauwgeel op de vensterruiten
waarachter blind een vink begon te fluiten.

26.


Ik wierp een handvol kiezels in het loof
die van een tak een drieling kersen rukte.
Doch toen ik zoekend langs de bodem schoof
vond ik daar slechts wat pitten bijgeloof.

De woorden die ik uit de boeken plukte
zijn in hun kernen vol van vogeldrukte.

27


De regen viel als duinzand op de tegels
besloeg ze met een laag van vuil vernis.
De dag lag dicht met duizend wolkenzegels
waarbinnen boeren bromden Bijbelregels.

En aan de klok die altijd achter is
gaf ik dit uur als een gedachtenis.

28.


Gedachten bouwen torens op van klanken
gevoelens graven zeeën uit van kleuren
en duizend oren zitten op de banken
en duizend ogen liggen op de planken.

Ik opende behoedzaam al mijn deuren
doch niemand merkte wat er ging gebeuren.

29.


Het vuur verbrandt tot roet en as de blokken
waarin de stam zijn lichaam zag verslagen.
De oude vester droogde er zijn sokken
en ging naar bed toen hij het vuur zag stokken.

Ik spande traag mijn buffels voor de wagen
en riep mijn afscheid naar de warme dagen.

30.


Ik wierp een handvol stenen naar de zon
en ving ze in een hand verblind van licht.
De meeste vielen plonzend in de bron
een enkele bleef achter op ’t balkon.

Het waren slechts de kleine van gewicht
die vallen gelijk blad’ren ongericht.

31.


Mijn voeten lopen steeds dezelfde stappen
en hun cadansen klinken als kristallen.
De huisbewoners zitten op de trappen
om in hun hand een tegenmaat te klappen.

Ik liet mijn woorden in een wijnglas vallen
en hoorde tweemaal nog hun echo schallen.

32.


De vrouw zat in het kwartlicht van de kaars
en keek naar mij met zwarte kollenogen.
Ik sloeg nerveus mijn rijzweep op mijn laars
maar mijn godslasteringen bleven schaars.

Ik heb haar woorden op mijn borst gewogen
en werd steeds dieper naar de vloer gebogen.

33.


De delvers stonden voor versleten tenten
en steunden kromme ruggen op hun spaden.
Het land lag losgescheurd uit zijn cementen
en bracht aan weinigen voldoende renten.

De grote zoekers graven hun balladen
maar ik vind slechts een kleindicht in mijn laden.

34.


Ik had geslapen in de heesterstruiken
die mij een daglicht schonken vol van dauw
en als een hofhond zat ik recht te ruiken
de geuren die de veldwind opwoei uit de kruiken.

Wanneer ik naast mijn bed mijn kleren vouw
heb ik om ieder kledingstuk berouw.

35.


De vrouw lag slechts getooid in haar juwelen
die met een kleed van vonken haar omsloten
en mij had zij verkoren uit de velen
om met een hand robijnen te bedelen.

Toen ik de rode aarde had begoten
heeft zij mij als een bedelaar verstoten.

36.


De wind trok kleine plooien in het kleed
van water dat onneembaar lag van rust.
De oever was van duizend zonnen heet
alsof een mond van vuur zich erin beet.

Ik heb vulkanen op je huid gekust
en met een slang je brandend hart geblust.

37.


De vensters in de gevels hingen open.
De deuren stonden krom in hun scharnieren
en langs de dakgoot kwam een slang gekropen
om in een watervat haar kop te dopen.

In de paleizen trappelden de stieren
om met een koningin de mis te vieren.

38.


De dagen vielen af als bladeren
en struikelden verkreukeld door het park.
Maar op hun zetels zaten stijf de vaderen
al jaren over data te vergaderen.

Ik liep wat rond te grijpen met mijn hark
maar kon geen blad meer vangen voor mijn ark.

39.


Er zit een ander in mijn ziel verborgen
die tot mij spreekt de taal van de barbaren.
Ik heb reeds vaak gepoogd om hem te worgen
maar hij brengt steeds weer woorden naar de morgen.

Ik sta te midden van de handelaren
en prijs met luide stem vervalste waren.

40.


De piramiden worden langzaam wakker
nu de toeristen zich aan ze vergapen,
doch door hun blokken waart mijn oude makker
die talloos stierf op deze dodenakker.

Laat deze grote kunst toch verder slapen
die slechts door mensentranen werd geschapen.

41.


De ceders daalden van de helling af
als monniken in stofbezwete pijen.
Zij gingen naar de wijdplaats van hun straf
die in hun droom een boze God hun gaf.

Ik zag in 't zand het knielen van hun dijen
en hoorde in de wind hun stemmen schreien.

42.


De morgen hees zich moeizaam uit de bossen
en keek met grauwe ogen langs de weg.
De hemel hing vol overrijpe trossen
van wolken die hun sappen wilden lossen.

Wanneer ik al mijn dromen samen leg
dan heb ik voor een boterham beleg.

43.


Ik droomde van een nacht vol zonnestralen
die in het duister stonden goud van streep.
De meren hurkten neder in de dalen
en schonken de rivieren uit bokalen.

Een witte vrouw wies zich met groene zeep
terwijl een hand haar in de borsten kneep.

44.


Het middaguur ligt met haar heet gelaat
te branden op de pannen van de huizen.
Een slordig meisje met een stokje slaat
op straat, terwijl het korte woordjes praat.

De ventilators van mijn kamer suizen
en drijven weg het tikken op plavuizen.

45.


Ik heb mijn ogen aan de nacht gegeven
en ben voor alle woorden doof gebleven.
Wat mij nog restte, waren eigen krachten
die toen mijzelve voerden naar het leven.

Met kloppend hart sta ik het uur te wachten
dat met een glimlach daden zal verzachten.

46.


Ik droeg mijn armen vol met boekenschatten
en zag het water langs de pijlers glijden.
De horizon begon wat vuur te vatten
en purperdroppels door het grijs te spatten.

Ik zal met heel mijn oogst de plaatsen mijden
waar oude koeien nu al eeuwen weiden.

47.


Ik heb mij laten zakken in de put
totdat mijn mond het zwarte vocht kon proeven.
Ik had slechts losse stenen tot mijn stut
en hield mijn plaats met angsten slechts benut.

De geesten die in diepe diepten toeven
zijn het die op de aarde hulp behoeven.

48.


Verknipte tralies scheidden onze schouders
slechts onze stemmen vonden nog contact.
Wij waren beiden laatste aandeelhouders
van de failliete liefde onzer ouders.

Een luide sleutel heeft het slot gepakt
en met een bitse tik ons zeggen uitgevlakt.

49.


De nacht werd met een fijne sneeuw doorstoven
die tot een waterdrop mijn mond verkilde.
De kamperfoelie geurde in de hoven
en door een struik een kaarsvlam werd geschoven.

Enkel het bloed dat in mijn schouders rilde
wist waar naar toe mijn schaduw vluchten wilde.

50.


De grijze winden trokken langs de vaarten
en maakten tot een grauwe muur de rieten.
Het zicht werd toeval als het spel der kaarten
en tot wat vragen werden alle klaarten.

De kleine zekerheid die zij mij lieten
moest ik in onze hartslag overgieten.

51.


Wij zorgden dat wij niet elkander raakten
toen wij ons spoedden langs de cabaretten
waarbinnen ogen over ogen waakten
die in zich trokken schaamteloze naakten.

Het avondplein hing vol met klamme netten
op welker mazen slechts jouw ogen letten.

52.


Het boek lag tot het einde volgeschreven
en borg de cijfers van doorwaakte uren.
De pen die door de nacht werd voortgedreven
had al haar bloed in overvloed gegeven.


Ik zat die ochtend voor mijn raam te turen
en zag de bladzijden nog verder duren.

53.


Ik tikte even op het vensterglas
waarachter zat de naaister weggedoken
haar snelle vingers vechtend met mijn jas
die zij tot maten temde pas na pas.

Ik heb mijn hartklop in kostuum gestoken
en zijn verzet tot regelmaat gebroken.

54.


Een grijze vrouw bleef over uit mijn jeugd
die zij met stille haren had gedeeld.
Haar ogen waren vijvers van de deugd
waarvan de lichtflits door de tijd mij heugt.

Nu zij haar nachten voor mij heeft onthuld
weet ik dat haar verborgenheid mij vult.

55.


De winkelstraat lag volgewaaid met kranten
waarover achteloze voeten liepen.
En in hun kijkglas zaten de firmanten
de aandachtsgraad te meten in contanten.

Ik zat mij in één regel te verdiepen
en hoorde niet dat zij mij nieuws toeriepen.

56.


De wolken drijven op de winden
als waterbloemen op het meer
en in de bossen snellen hinden
met lichte sprong onder de linden.

Ik plof met al mijn zwaarte neer
en vind in kruipen nog een eer.

57.


Ik droeg de bloemen in mijn open handen
als waterdruppels in een schelpenblad
en zag de tere kroonlijst van hun randen
opeens als bloedbedrukte roofdiertanden.

Het broze woord dat in mijn versmaat trad
snijdt als het lemmet van een dolk zo glad.

58.


De vissen lagen slapend in de vijver
met blauwe vinnen in het groene licht
en in hun rustpunt zat de schrijver
met duizend pennen rennend van de ijver.

Doch toen ik lezen wilde zijn bericht
sloeg mij een leeg papier de ogen dicht.

***
terug naar de inhoudsopgave van alle gedichten

terug naar de beginpagina van de website