Het Geuldal

Door Frans Tak

Met de komfortabel ingerichte Inter-City trein reizen we naar het zuiden. We hebben een minimum aan mondvoorraad bij ons in een eenvoudige plastic tas. Daarnaast de man twee blikjes frisdrank. De onmisbare, lichtgewicht regenkleding ontbreekt uiteraard ook niet.
Wanneer je op reis gaat, met het vooropgezette doel lange wandelingen te maken, moet je zo weinig mogelijk handbagage meenemen. Boven het groene land, dat we met grote snelheid doorsnijden, hangt een grijze, onbetrouwbaar ogende wolkenmassa, waarachter de zon broeit en waarin soms een onzeker plekje blauw gloort.
Met de minachting van een reus voor een dwerg, razen we het station van Echt door en laten de wegschietende perrons voor wat ze zijn. Sittard is groot en belangrijk genoeg om de Inter-City tot stoppen te bewegen. Maar ook hier duurt de stop slechts kort en even later jagen we verder naar het zuiden. Boven het uitgebreide fabriekskomplex van de D.S.M. hangt een vettige gele damp. De smerige geur van chemisch bederf dringt de rijtuigen binnen. De prijs voor arbeid moet duur betaald worden. De wielen van de trein zingen hun eentonige lied op de als een stalen snaar gespannen rail, die opblinkt in de bedding van grauw grint. We zijn overgeleverd aan een onbekende man, ergens hoog in de kabine van de lokomotief, waakzaam uitkijkend over de ijzeren baan, die ons Maastricht zal brengen.
Het station in Maastricht is een zogenaamd kopstation. Vrijwel alle sporen lopen er dood. Toch zullen wij deze keer Maastricht links laten liggen. Ons reisdoel is het Geuldal en om dat te bereiken, moeten wij overstappen in het zogeheten "millioenentreintje; dat de verbinding onderhoudt tussen Maastricht en Heerlen. Marc heeft de trein al gevonden. Hij staat aan de andere kant van het perron, de deuren uitnodigend geopend. Het is vrijdag 2 juli en er zijn maar weinig reizigers voor de richting Heerlen. Via Houthem-Sint Gerlach, namen die al bijna buitenlands aandoen, bereiken we Valkenburg. In deze overvolle toeristenplaats, staan de taxichauffeurs op het perron en roepen de passagiers aan, die met hun koffers zeulend, verdwaasd rondkijken. Hoog boven het Geuldal rijdend, ontplooit zich een schitterend uitzicht. Mark schildert hetgeen hij ziet en ik zet zijn woorden om in beelden. Het lijkt alsof boven het Geuldal een enorme blauwe ballon' is gespannen, die de wolken belet, er naar binnen te drijven. Op het kleine station van Schin op Geul, dat hoog tegen de heuvel geplakt ligt, is dat al goed merkbaar. De zon staat, roerloos gloeiend, hoog boven het dal, dat door groene heuvels wordt omkranst. Van een vriendelijke spoorman krijgen we, tegen betalingvan een luttel bedrag een routebeschrijving van een tien kilometers lange wandeltocht door een van de meest onNederlands aandoende plekjes. En toch is ook dit zuidelijkste puntje van ons land Nederland. Zelfs al ligt het ettelijke meters boven de zeespiegel en zul je er nauwelijks een vlak stukje grond aantreffen.

We dalen de helling af door het schilderachtige Schin op Geul en volgen het snelstromende, water, dat de naam draagt van het dal waarin wij afdalen. Er is geen verkoeling brengende wind. Een broeierige hitte omringt ons. De zweetdruppels beginnen vanonder mijn haren weg te stromen en spoelen als lauw water over mijn gezicht. Het is ongelooflijk heet en drukkend. Maar we laten ons niet intimideren door de nukken van de elementen. Ons pad voert door een bosaanplanting, die enige verkoeling brengt. Meters dieper, links van ons, glinstert de Geul. Elke stroomversnelling geeft een duidelijk hoorbaar, verfrissend geluid. Rechts van ons, een aantal meters hogerop, is een klein plateau, waarop een houten bank staat. We besluiten, daar ons brood op te eten en een poosje uit te blazen. De broodjes met beleg smaken uitstekend. We spoelen ze weg met lauwe Cola uit een blikje. De stilte is opvallend en wordt slechts een enkele maal onderbroken door het geluid van een passerende trein, hoog boven ons. Twee wandelaars lopen, onder onze voeten langs, naar omlaag. We moeten allebei hoognodig de overvolle blaas ledigen. Maar willen we dit ongezien doen, zijn wij genoodzaakt, tegen de helling op te wateren, waardoor het vocht als een ontspringend riviertje, tussen onze voeten naar beneden sijpelt.
Het pad dat wij volgen draait plotseling naar links en kruist, via een brug met gammele leuningen, de snelstromende Geul, die hier een groot verval begint te krijgen. We passeren kasteel Schalloen dat, omgeven door een gracht, stil en popperig tussen de bomen ligt. Via een kaarsrecht uitgesneden lindelaan bereiken we een verharde weg, die we, volgens de routebeschrijving, voorzichtig moeten oversteken. Landwegen, met door gras overwoekerde karresporen voeren ons door een golvend landschap. Akkerland, afgewisseld door groene weiden met grazende koeien die soms met hun geloei de bijna volmaakte stilte verstoren. Op volkomen willekeurige plaatsen, liggen de boerderijen. door smalle landwegen met elkaar verbonden. Een boer is bezig een weide met gier te bemesten. De traktor waarop hij zit snort moeizaam en trekt onzichtbare strepen in het grasland. De geur is scherp, maar niet onaangenaam.
Bij de splitsing van sommige landwegen staat een kleine kapel of een manshoog kruis. Op een bank, in de schaduw van een bomenrij, drinken we de laatste blikjes frisdrank leeg en boeren het koolzuur in lange halen op. Mijn sokken en sandalen zijn vuil en nat, want ik ben kort tevoren in een vol met water staand karrespoor gegleden, tot groot vermaak van Marc.
De tocht gaat verder heuvelopwaarts, het Geuldal uit en het Geerendal in. We zweten en hijgen. Boven ons kookt de zon. De tocht is zwaar en dat komt voornamelijk door de oneffenheid van het terrein, waardoor vooral de beenspieren het moeten ontgelden. Weer nieuwe landwegen rollen zich voor ons uit in deze eendere vallei der stilte.. Bij een kruising ontmoeten we een Belgisch echtpaar, dat ons de weg naar Stokkem vraagt. Wij weten het niet, maar het landkaartje, dat bij de routebeschrijving hoort, brengt uitkomst. Zij moeten linksaf slaan en wij in ieder geval rechtsaf, willen wij tenminste Gulpen bereiken waar de tocht eindigt. We groeten elkaar en gaan ieder een andere richting uit.
Op weg naar Gulpen passeren we de ru´ne van een boerderij, die in een reusachtig bed van onkruid ligt. Het dak heeft plaatsgemaakt voor de kruin van een boom, die als een om hulp wenkende hand tussen de overeindgebleven muren, omhoog rijst.
De bewoonde wereld begint voor ons bij Gulpen. We dalen de steil aflopende straatjes af, die naar de autoweg vloeien waar het busstation zich moet bevinden. Mijn mond is kurkdroog en mijn voeten branden. Zo te voelen nog blaarvrij. We passeren de brouwerij, waar het bekende Gulpener bier wordt gebrouwen. De zoetige geur van gerst dringt in mijn neusgaten en ik krijg een visioen van een zwembad vol koel schuimend bier, waarin ik naakt rondzwem en teugen van het bruine vocht tot mij neem. Het wordt uiteindelijk geen bier, maar een ijskoude ijslollie, die naar sinaasappelsap smaakt. Een idee van Mark en ik moet erkennen, een goed idee, want de dorst verdwijnt.
De bus naar Maastricht lijkt op een bakoven, waarin ik, badend in mijn zweet, dreig geroosterd te worden. We stopppen bij een halte tegenover het militaire kerkhof Margraten. Hier liggen achtduizend Amerikaanse soldaten, gesneuveld in de Tweede Wereldoorlog en begraven in Limburgse grond onder eendere witte kruisen. Door zijn omvang en soberheid een indrukwekkend ereveld., bij welks aanblik het spreken je vergaat.
Op het station in Maastricht besluiten we de inter-city vanuit Heerlen te nemen. Daardoor zijn we in de gelegenheidnog een keer het schilderachtige landschap waardoor de Geul al eeuwen stroomt, te aanschouwen. En dat hebben we gedaan.


Uit: Reizen met mijn zoon Marc

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar beginpagina van website