Drie luchtige gedichten van Marc van Caelenberg


Vers in de etalage

Gedichtendag,
En in de uitstalling van Slagerij André,
Tussen de worsten en de ham,
Hangt er een levensgroot gedicht,
Toevallig van mijzelf.

Aan een mevrouw van onbestemde leeftijd
Die in de etalage kijkt,
Vraag ik: “Hoe vindt u het?”

Ze kijkt mij angstig aan
Alsof ik het op haar,
Of nog veel erger,
Misschien wel op haar handtas heb gemunt.
“De worsten, of de ham?” vraagt ze argwanend.

“Nee, nee,” sus ik,
“Nee, het gedicht.”

Ze haalt de schouders op en zegt:
"O dat? Dat stoort mij niet,”
En maakt zich uit de voeten.

En ik zak zwijgend van mijn zelf geschreven voetstuk.

Gedichtendag

De juffrouw van de balie
Kijkt de dichter fronsend aan:
“Plakband, zegt u. Waarvoor dan wel?”

De dichter legt haar uit
Dat hij een poster met gedichten
In het stadhuis hier op wil hangen.

De juffrouw van de balie baalt
Maar pakt de telefoon en belt
Naar niveau 1, naar niveau 2, naar niveau 3, naar niveau 4,
En nog veel hoger,
Misschien wel naar god zelf,
Tot iemand haar een antwoord geeft:

“Wie is die man?
Wat wil die man?
Een blad met wàt?
Hoezo Gedichtendàg?
Nu ja, het kan,
Met formulier B 12,
In viervoud
En één maand van te voren.”

De nood is groot
Maar de redding is nabij,
Want zie:
Een glazen deur glijdt zoemend open
En daar verschijnt de burgemeester.

De juffrouw van de balie
Schiet als de weerlicht naar hem toe.

“Plakband?” zegt de burgemeester,
“Wel, gééf die man toch plakband,”
Dan, met een minzaam knikje
Verdwijnend in de lift,
Op weg naar niveau 1, naar niveau 2, naar niveau 3, naar niveau 4,
En nog veel hoger,
Misschien wel naar god zelf.

En binnen één minuut is dan de poster opgehangen,
Een lot waaraan de dichter zelf
Gelukkig nog ontkomt.

Grote en kleine dichters

De grote dichter bladert in het schoolschrift
Waarin de kleine dichter zijn versjes heeft geschreven.

“Niet slecht,”
Zegt hij,
“Niet slecht.
Je zou er eens een paar van moeten publiceren.
Succes ermee.”

De kleine dichter bloost bij zoveel lof
En blijft dan achter,
Twee bundels rijker
En vierentwintig euro en één illusie armer.

Hij kijkt de grote dichter na
En ziet dan zelf
Dat er verschil is tussen groot en klein,
In dit geval zo een vijftien centimeter.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar beginpagina van website