SPONTAAN TREFFEN


een verhaal van Jacob Batoeck

"Dat ik jou hier tegenkom, Johan, in deze mooie, nieuwe stationshal".
"Bijzonder, maar … uh ja… ook op een andere plek zou het bijzonder geweest zijn, Paul".
"Ik had het niet verwacht. Niet dat ik een verwachting over je had. We hebben elkaar toch al een lange tijd niet gezien. Hoe gaat het met je, Johan?"
"Goed. Druk, maar ik mag niet klagen. Zo zeg je dat. En het is ook zo".
"Je draagt twee volle tassen en het ziet er niet naar uit dat daar gewone boodschappen in zitten. Neem je werk mee naar huis?"
"Ja, dat vraagt om een antwoord met toelichting. Heb je even?"
"Tijd moet je maken. Laten we dat doen. Waarom ook niet? Daar is een koffietent"
"Prima. Dan kunnen we erbij zitten".
Zij zoeken een tafeltje voor twee personen uit in de bedoelde gelegenheid om koffie te drinken. Omdat juist een tweetal aanstalten maakt om te vertrekken, wachten zij even tot het tafeltje vrij is. Daarna gaan zij zitten.
Paul kijkt rond en zegt: "Ik zie dat er geen bediening is. Blijf maar zitten. Ik ga wel halen. Welke koffie wil jij drinken? En wil je er nog iets bij, een appelpuntje of zo?"
"Gewone koffie maar, zwart, zonder melk en zonder suiker. En waarom geen appelpuntje? Ja, dat vind ik wel lekker".
"Un caé noir voor meneer en apfelkuchen".
Na enige tijd komt Paul terug met een blaadje met twee koffiemokken en twee puntjes van een appeltaart, op schoteltjes. "Het duurde even, maar dan heb je ook wat. Ze behoren hier eigenlijk van opschieten weten, want mensen moeten hier toch vaak een trein halen of een afspraak nakomen. Maar goed…".
"Dank je. Hoeveel ben ik je schuldig?"
"Niets. Ik betaal".
"Terwijl ik vroeg of je even tijd had. Het volgende rondje is dus voor mij. En we zitten nu hier vanwege deze twee tassen en de toelichting die ik erbij wil geven. Als ik zou volstaan met een enkel woord, dan is de reden van deze bagage verhuizing. Nee, niet persoonlijk. Mijn kantoor gaat naar een andere locatie, een nieuw gebouw zelfs. En van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om meteen andere veranderingen door te voeren. Dat is kennelijk verandermanagement. En ik voel mij daar slachtoffer van".
"Zorgt dat management dan niet voor een verhuizing van alle spullen? Betekenen die twee tassen dat je je eigen kantoorboeltje maar moet meenemen, desnoods naar huis?"
"Als ik een lang verhaal kort zou willen maken, zou mijn antwoord ‘ja’ zijn. Maar dat wil ik niet. Mijn hart is er vol van en dan loopt mijn mond ervan over. En dan kom ik jou tegen"
"Ik begrijp het. En dat niet alleen. Ik heb ook wel begrip voor een ouwe makker die in een soort keurslijf is gedwongen"
"Zo voel ik mij ook, in een strakke vorm geperst. En het gekke is, dat er dan van flexibel werken wordt gesproken".
"Kun je het voor mij inzichtelijk maken Johan, concreter, een voorbeeld geven?"
"Goed, ik geef je een voorbeeld, een voorbeeld dat ik cruciaal vind en dat een link legt naar deze twee tassen. Het management wil af van papier. Eerst was de leus dat er papierloos gewerkt zou gaan worden. Dat is, natuurlijk, iets onhaalbaars. Papier bestaat en dan kun je je daar niet voor afsluiten. Dat werd uiteindelijk ingezien. Het management week als het ware voor het verwijt van gebrek aan werkelijkheidszin. Het moest dan maar iets minder. En in plaats van papierloos moet het papierarm worden. Er kan, immers, digitaal gewerkt worden. En om dit beleid in de praktijk te realiseren is het aantal kasten tot een ernstig minimum teruggebracht, in principe niet meer dan een kastplank per medewerker".
"Dat is zeker ernstig. En nu zeul jij papier mee, waarvoor in je nieuwe kantoor geen kastruimte is".
"Daar komt het op neer, Paul".
"En nu komt de journalist in mij naar boven, Johan. Dat ben ik weliswaar niet meer sinds ik, met een goed verdienende echtgenote, schrijver ben geworden, maar zo af en toe kriebelt er nog wel journalistieke nieuwsgierigheid bij mij. Zodoende zou ik wel weten wat er op het papier staat dat jij als het ware voor de poorten van de vernietigingshel van dat toeslaande verandermanegement hebt weggesleept".
"Ik vat het. Maar die journalist in jou maakt mij wel voorzichtig".
"Wacht even, Johan. Ik zie dat daar een vrouw naar jou staat te kijken, daar bij die bestelbalie voor koffie. Ze ziet er aantrekkelijk uit, mooi lang haar, rokje, hakjes en een attente blik".
"Ja, ik ken haar. Zij is een oud-collega van mij." "Kijk, ze komt hierheen. Bereid je maar voor".
De vrouw loopt, stoelen en andere obstakels ontwijkend, naar Johan en Paul toe, met een mok koffie in haar hand. Zij zet de mok op hun tafeltje en richt zich lachend tot Johan. "Zo collega van toen. Heb je tijd gevonden om op je gemak koffie te drinken?"
"Dat kan ik moeilijk ontkennen, nu je mij hier betrapt. Dit is, overigens, Paul, een oude makker van mij. Hij is tegenwoordig schrijver. Paul, dit is Fabienne, oud-collega van mij, niet zomaar een collega overigens. Wij hebben allebei literaire belangstelling en dat schept een band".
"Je biedt een fraaie introductie van mij, Johan"
"Ik zie daar een lege stoel staan. Die zal ik aanschuiven, Fabienne. Dan kun je bij Johan en mij zitten. Met een beetje schikken, moet dat lukken. Spontane ontmoetingen moeten een kans krijgen. Dat geeft sjeu aan het leven"
Fabienne gaat behoedzaam zitten."Ik heb niet lang, hoor. Ik vind dit echter leuk. Ik houd van spontaan"
"Paul en ik kwamen elkaar ook onverwacht tegen. Wij waren net in gesprek geraakt, onder andere over de verhuizing van mijn kantoor naar een nieuw gebouw en het verandermanagement dat meteen in de nieuwe setting papierarm werken wil doorvoeren"
"Oh, hebben ze het zover gekregen. Een half jaar geleden, toen ik vertrok, ging het gerucht dat het van papierloos moest komen. Dat kwam uit de sfeer van mensen die overal met een tablet verschenen. Het is dus een compromis geworden".
"Ja, zoals ik dat als buitenstaander beluister kun je dat zo zeggen. De consequentie is, dat jij niet meer en je oud-collega’s wel met tassen vol zogenaamd af te schaffen papier naar huis gaan. Vandaar dat Johan nu twee stuks bagage bij zich draagt. Ik was juist begonnen iets te weten te komen over wat hij de moeite waard vond om te behouden, wat er zoal in deze tassen zit. Ik verklaarde mijn nieuwsgierigheid met de voormalige journalist in mij, die voor een kriebel zorgt".
"Ik kan mij een vergelijkbare kriebel voorstellen in een andere sfeer, waarin eveneens onthuld wordt. Ik bedoel de literatuur. Dan is het om het even, of je nu als journalist geprikkeld raakt of als auteur".
"Ja, Paul, Fabienne begrijpt je wel, maar ik merk bij haar steun voor mijn voorzichtigheid".
Er valt een korte stilte, waaraan Johan een eind maakt. "Ik heb een voorstel en wel het volgende. Ik wil een enkel papier uit mijn tassen opdiepen en dat voorlezen. Daar moet dan tegenover staan dat ieder van jullie ook iets leesbaars uit tas of binnenzak haalt en dat ten gehore brengt. Zo komen wij gelijk te staan. Driemaal een indruk van jezelf".
"Dat kan interessant zijn", zei Paul, maar of dat echt het geval is, zal moeten blijken. Ik wil het proberen".
"Ik durf dit wel aan" voegde Fabienne direct toe. "De bedenker van dit gezelschapsspel mag openen". Zij kijkt haar twee tafelgenoten aan, die instemmend knikken.
Johan tilde één van zijn twee tassen op en haalde er een rode map uit. Hij keek zijn twee toehoorders aan. "Het document dat ik heb uitgekozen, bestaat niet digitaal meer. Ik heb het ooit uitgeprint. Het digitale origineel is verdwenen. Het is nu boven water gekomen. Dat is de positieve kant van verhuizen. Ik meen ermee aan te kunnen tonen dat ik assertief ben en verandermanagement niet voor lief neem. Deze e-mail schreef ik als stafjurist. Ik richtte mij tot mijn toenmalige directeur, Annemiek".
"Begin nu maar te lezen", zegt Paul, "Ik word ongeduldig".
Na een kuchje leest Johan:
"Het is voor mij onbegrijpelijk en juridisch onaanvaardbaar, dat X – volstrekt niet gehinderd door verstand van zaken – de opdracht kan geven tot het schoonmaken van mijn kamer tijdens de uitoefening van mijn werk, Hij beseft niet welke schade hij daarmee kan aanrichten. Ik meen dat jij – als directeur – hem zijn positie moet duidelijk maken. Hij heeft zich te voegen naar mijn werk en niet andersom. Als hij dat niet beseft dient hij mijns inziens ander werk te krijgen. Mijn opvatting is, dat een kamer slechts na overleg met de gebruiker tijdens kantooruren kan worden schoongemaakt. Geschiedt dat niet, dan acht ik mij bevoegd een binnendringende schoonmaker de deur te wijzen. De grenzen moeten duidelijk worden getrokken. Het mag niet zo zijn, dat een medewerker facilitaire zaken – de gebouwenbeheerder – hier de dienst uitmaakt".

Het blijft een moment stil. Dan opent Fabienne haar tasje en pakt er een boekje uit.
"Ik zal jullie een korte passage voorlezen uit ‘Hooglied’, het bijbelboek dat over liefde gaat. Ik vond deze aparte vertaling onlangs in een uitverkoopbak van een boekwinkel, voor 1 euro. Ik begin nu te lezen:
'Eerst spreekt de man: ''Als een lelie tussen doornstruiken, zo is mijn vriendin te midden van andere meisjes’'
En daarna de vrouw:
''Als een appelboom tussen de bomen in het bos, zo is mijn liefste te midden van de jongens. Ik verlang er zo naar in zijn schaduw te zitten, te proeven van zijn heerlijke vrucht. Hij leidt mij naar de wijnkelder. Op zijn vaandel staat alleen maar: liefde'’".
Johan zucht licht. "Dit is wel een heel ander genre"

Twee blikken zijn nu gericht op Paul. Hij ritst zijn rugzakje open en trekt er een tijdschrift uit en zoekt er even in. "Dit is Filosofie Magazine van deze maand, januari 2016. Ik las het tijdens mijn treinreis hierheen. Ik pik er een bespreking door Wouter Kusters uit, een schrijver die ik ken van een indrukwekkend boek dat ik recent las. Ik kies een passage:
‘Wij zijn onze cultuur’. Aldus in vier woorden de boodschap van filosoof en psychiater Antoine Mooij. De strekking van zijn veelomvattende boek, In de greep van de taal, staat haaks op die van Wij zijn ons brein van Dick Swaab. Het druist in tegen de tijdgeest, volgens welke de sleutel tot het wezen van de mens in de hersenen zou liggen’".
"Wat een diepgang in een paar zinnen", zegt Fabienne, "Je zet meteen wel een beeld van je belangstellingssfeer neer".
"Dat risico heb ik genomen", reageert Paul.
"Ik heb een schril contrast met jullie gevormd", merkt Johan op. "Het is maar goed dat jullie mij, los van elkaar, beter kennen. Dat maakt het mogelijk mijn e-mailtje aan directeur Annemiek een beetje te relativeren".
"Heren", spreekt Fabienne, terwijl zij haar horloge toont, "Ik heb al een trein laten schieten. Ik moet echt de volgende halen. Ik heb dit spontane treffen als geweldig ervaren. Zou het nog wel eens willen doen. Johan, dit is mijn nieuwe visitekaartje. Mag ik je vragen nog eens zo’n treffen te regelen?"
Johan kijkt overrompeld, neem het kaartje aan. "Akkoord, een goede reis, Fabienne".
Paul manoeuvreert zich achter het tafeltje vandaan en geeft haar een hand. "Als een lelie tussen doornstruiken. Dag Fabienne. Wij zien elkaar weer".

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website