ALADARS LANGE MARS DOOR DE BLINDENINSTITUTIES
VIJFTIG JAREN BELANGENBEHARTIGING VAN EN DIENSTVERLENING AAN BLINDEN EN SLECHTZIENDEN IN ANECDOTEN (1945-1995)


autobiografische vertellingen van Aladar (pseudoniem van Alam Darsono)
(eerste gedeelte)

Blindeninstituut


Ik deed er ruim twee jaren over om blind te worden: één ervan bracht ik door in de Oogheelkundige Kliniek (alwaar men mijn ogen verprutste) en één ervan bracht ik door in den huiselijken kring (alwaar men, ook vanwege de hongerwinter, geen raad met mij wist). Ik was toen nog (zoals mijn latere vrienden op het instituut hen noemden) een schemerlamp (slechtziend, zeggen we nu). Toen de vrede was getekend en het laatste lichtje in mijn ogen bijna was uitgegaan, sprak mijn vader: Hij (zo werd er toen over mij gesproken) moet maar weer naar school. Hoe, wilde ik weten, moet ik dan mijn leerboeken lezen? Dat wist mijn vader niet. Hij moet toch wat gaan doen, klaagde mijn moeder. Wat dan, vroeg ik. Dat wist zij ook niet. Zo had ik tot het jaar 2000 kunnen blijven stil zitten, tussen mijn twee radeloze ouders in, in onzalig nietsdoen.

Gelukkig nam toen mijn vriendin Jet (met wie ik al in de box geruzied had) het heft in handen. Zij had een vriendin, Thea, en Thea had een vader en die vader was onderwijzer op de school van het blindeninstituut. Door Jet vernam ik (en mijn ouders) voor de eerste maal dat er een dergelijk instituut bestond en dat blinde kinderen (jongeren bestonden toen nog niet) op zo een instituut een opleiding konden krijgen. Dank zij Thea's vader werd ik tot dat instituut toegelaten, al was ik met mijn achttien jaren er eigenlijk te oud voor.

Gelukkig voor mij was het het jaar 1946 en had het instituut een nieuwe (moderne) directeur gekregen. Die meende dat blinde jongeren tot meer konden worden opgeleid dan tot stoelenmatter en pianostemmer alleen en (als ze zeer begaafd waren) tot organist. Hij richtte op het instituut een MULO op en een opleiding voor typist, vergezeld van handelscorrespondentie in de moderne talen, en voor telefonist in. Daarop kwamen vele oudleerlingen van mijn leeftijd (die het instituut vanwege de benarde tijden vroegtijdig hadden moeten verlaten) gezwind naar hun oude school terug om van de nieuwe opleidingen te profiteren. Die nieuwe opleidingen met de bijbehorende oude jongeren maakten mij weer mens, dwz. mens met een toekomst.
Ik (die drie jaren HBS B achter de rug had) bracht de voortvarende directeur tot weer een nieuwe onderneming. Waarom zou de opleiding van een blind schoolkind moeten stoppen bij het examen MULO, al dan niet aangevuld met een (lage) middelbare beroepsopleiding, vroeg hij zich af.
"Luister eens," sprak hij tot mij "wiskunde kan een blinde niet leren. Daarvoor moet je kunnen kijken. Neem dat maar van mij aan, want ik ben mathematicus. Maar een blinde kan wel talen leren, want hij kan horen en spreken. Laten we daarom eens zien of een blinde Gym alfa kan halen."
Ik nam toen alles van iedereen aan, als het maar niet van mijn vader of moeder kwam (vanwege De Avonden van Simon van 't Reve, vermoed ik). Ik werd een van de eerste vier die "opgingen" voor het staatsexamen Gymnasium Alfa. De anderen waren Berend, Jacob en Maarten.

Blind Studeren


Vermoedelijk heeft onze (zo mogen we hem wel noemen) directeur niet beseft dat hij, toen hij met de MULO a had gezegd, hij genoopt zou worden het hele alfabet van opleidingen (studies) op te zeggen, tot en met de doctorsgraad toe (Maarten in de Technische en ik in de Sociale Wetenschappen).
"Weet je," sprak onze directeur, toen ik vlak voor het staatsexamen stond, "als je per se verder wilt studeren, zoals je zegt, dan moet je maar theologie gaan studeren."
"Theologie?" riep ik van verbazing uit. "Ik ben toch niet christelijk."
"Nou ja, ik vind dat een blinde altijd praktisch moet zijn", legde onze directeur mij uit. "Je hebt toch gehoord dat Jan Wit is afgestudeerd. We hebben een hele berg boeken voor hem laten brailleren en die ligt er nu eenmaal. Dat was een heel werk, hoor."
Jan Wit was een oudleerling van het instituut en was op eigen houtje gymnasium en theologie gaan studeren. In dat jaar was hij net dominee geworden. Hij zou overigens niet als predikant beroemd worden, maar als dichter. Vanwege dat laatste schatte ik hem het hoogst.
Zijn brailleboeken werden overigens dankbaar aanvaard door Berend, die wel christelijk was en wel theologie wilde studeren, al was het niet bij de Vrijzinnigen in Leiden (die een blinde dominee niet zagen zitten, of beter staan), maar bij de Hervormden in Amsterdam (die daar niet om maalden).

Blindenbond


Ik weet niet meer precies wanneer ik lid werd van de blindenbond, maar laat ik (voor het gemak) zeggen in 1950. De bond had nog volop het aanschijn van een kruising tussen een politieke partij en een kerkvereniging. Elke bijeenkomst van de bond werd geopend met gezang, het bondslied (Staat op Gij Blinden enz.) en een stichtelijk woord van de voorzitter, meneer Frits (die we Der Alte Fritz gingen noemen). Der Alte Fritz was niet enkel de voorzitter, hij was ook de intellectueel van de bond. Zijn toespraken droegen onmiskenbaar een professorale toon. Hij had het maatschappelijk dan ook verder gebracht dan de andere leden van de bond: hij was telefonist op een telefooncentrale.

Mijn generatie van blinde jongens en meisjes (moet gezegd worden) was (voor die tijd) een roerig stelletje. Voordat de woorden emancipatie en generatieconflict nog waren gevallen, brachten wij beide al de bond binnen. Dat resulteerde in de oprichting van een Blinde Jongeren Werk Gemeenschap in de bond. Het bijzondere van die werkgemeenschap was, dat niet enkel wij (van het algemene blindeninstituut) er lid van waren, maar dat ook jongeren van de protestantse en de katholieke blindeninstituten tot haar toetraden. Een "doorbraak" vergelijkbaar met die waarvoor menig politieke partij van toen zich inspande.
Voor mij was het belangrijkste gevolg hiervan, dat ik een levenslange vriendschap sloot met een van die Protestantse jongens, met Jan, die, omdat er meer Jannen in onze gelederen meeliepen, de kleine Jan werd genoemd, ter onderscheiding van de grote Jan, die het staatsexamen organist behaalde en die door de dominee de kerk was uitgezet, omdat hij op het kerkorgel preludeerde op een nummer van Duke Ellington (In My Solitude). Kleine Jan zou jaren later Der Alte Fritz opvolgen als bondsvoorzitter.

Blindenbibliotheek I


Je kunt je natuurlijk altijd laten inschrijven bij een universiteit. Ook al fronsen ze daar hun wenkbrauwen, afwijzen zullen ze jou, met een redelijk diploma Gym alfa onder de arm, niet en helemaal niet bij een spiksplinternieuwe faculteit voor politieke en sociale wetenschappen. Wat zo een faculteit echter meteen de eerste dag al doet, is je een literatuurlijst overhandigen van ettelijke vellen dik.
Ik had onderwijl (zo goed en zo kwaad als dat gaat, want helemaal goed leer je het als ex-ziende nooit) het brailleschrift leren lezen en ik verzocht daarom een blindenbibliotheek een studieboek(je) voor mij te willen brailleren (nog geen honderd bladzijden). Mijn verzoek veroorzaakte aldaar een kleine opschudding en ik vernam er dan ook niets meer van.
Gelukkig voor mij verzamelde zich al snel een groep medestudenten om mij heen, die hun ogen en bijbehorende tongen ter mijner beschikking stelden. Ik kon dus verder en ontdekte verder (tot mijn vreugde) dat zich in het buitenland waarachtige studiebibliotheken voor blinde studenten bevonden, omdat aldaar (tot mijn verbazing) al tientallen jaren lang blinden aan universiteiten studeerden. Nogmaals, ik kon dus voort en dat was maar goed ook.
Ongeveer drie jaren na mijn verzoek (ik had al een half jaar mijn kantjes of kandidaatsdiploma) bezorgde de post een groot slordig pak papier aan mijn huis. Toen ik dat nieuwsgierig openscheurde, vielen er enkele honderd vellen gebrailleerd papier op mijn vloer: het boek(je) dat ik had moeten bestuderen voor mijn propjes (propredeutisch examen, na een jaar). Ik heb de stapel netjes geordend teruggezonden en het deed me deugd de stapel (nu als keurig gebonden boekdelen) terug te vinden in de aanwinstenlijst van die bibliotheek.

Blindenbibliotheek II


Dat ik al gauw genoeg brailleboeken lezen kon, had te maken met de omstandigheid dat kleine Jan directeur(tje) werd van een andere blindenbibliotheek. Directeur is een al te wijdse titel voor een functie waarbij je geacht werd te slapen tussen je collectie boeken. Dat hinderde toen nog noch kleine Jan noch mij; als je maar een baan had met een loon genoeg voor dagelijks brood en droog woon. En dat had kleine Jan, kon ik vaststellen.
"Je vindt het leuk om in de boeken te grasduinen", constateerde kleine Jan, toen ik een paar malen was gekomen om uren in de brailleboeken rond te neuzen. "Zou je ze niet voor me op een rijtje willen zetten?"
Toen ik nog kon zien, was ik voortdurend bezig mijn boekenrekjes te ordenen en kaartsystemen te maken. Ik had niet kunnen bevroeden dat ik mijn dwanghandeling nog eens ten nutte kon maken voor het heil der blinden. Mijn ordeningen gaven mij een onverwacht inzicht in de geschiedenis en de eigenaardigheden van het verzamelen van brailleboeken. De oudste boeken, stelde ik vast, waren geprikt met een pen en bevatten naast jubileumverslagen van het Koninklijk Huis, vooral Christelijke psalmen en gezangen. Tot de meest recente boeken behoorden een machinaal "gestanst" woordenboek en een grammaticaboek. Daartussen rijden zich de boeken aaneen die op een brailleschrijfmachine waren getikt (getypt) en die uiteen liepen vanaf het Hooglied van Salomo tot aan Eenzaam Avontuur van Anna Blaman (waartussen de inhoudelijke afstand toch minder groot is dan die lijkt, volgens mij).
"Heb je al gehoord van de bandrecorder?" vroeg kleine Jan. "Als die erin komt, dan laat ik zienden boeken voorlezen op de band. Die hoeven daarvoor het brailleschrift niet te leren."
"Dan moeten we wel zo een bandrecorder kunnen kopen", meende ik voorzichtig. "En die kunnen we niet betalen."
"Moeten we aanvragen bij de Sociale Dienst", riep kleine Jan met vuur. "De overheid mag wel eens wat voor ons doen, in deze tijd."
Ik behield mijn twijfel, maar ik had geleerd dat je de plannen van kleine Jan altijd serieus moet nemen. Zijn vindingrijkheid en overtuigingskracht waren ronduit indrukwekkend.
"Voor elk boek dat ik uitleen, krijg ik van de gemeenten een dubbeltje (of een kwartje, meer zeker niet)", vertelde hij eens handenwrijvend. "Dus ik leen zoveel boeken uit als ik kan."
"O," zei ik zuur, "daarom krijg ik al die boeken thuis waarom ik niet heb gevraagd en die ik per ommegaande terug moet sjouwen naar het postkantoor."

Academisch Genootschap


Ik weet ook niet meer precies wanneer het Academisch Genootschap Petronella Moens werd opgericht en wanneer ik er lid van werd. Laat ik zeggen in 1955.
Meester Haas, de voorzitter, bezocht mij met zijn ziende huishoudster aan huis om mij te balloteren. Waarover we hebben gekeuveld, weet ik niet meer, maar ik herinner me nog dat hij hinderlijk met zijn sleutelbos zat te rinkelen. Ook werd ik mij tijdens het gesprek ervan bewust dat niet alle blinden gelijk zijn. Er zijn blinden van stand en blinden zonder stand. Tot de laatsten behoorde ik en de bond, waarvan ik lid was, was niet een bond van alle blinden, maar vooral van (dat had ik op sociologie geleerd) lower class blinden.
De (althans eerste) leden van Petronella Moens waren upper class blinden. Die hadden tenminste een hogere beroepsopleiding en hadden die vaak genoten in het buitenland (Duitsland). Die groep was overigens niet helemaal vergelijkbaar met de onze, omdat er onder hen velen waren, die eerst op latere leeftijd het licht hunner ogen hadden verloren. Velen, zeg ik, maar er waren er ook weer niet zovelen en daarom werden de blinde studenten (het Verborgen Talent van de blinde arbeidersklasse) met open armen ingehaald. Zo breidde mijn sociale horizon zich zelfs binnen de blindenwereld aanzienlijk uit.
"Zo," zei Der Alte Fritz geërgerd, "ben jij ook al overgelopen. Ben jij ook al lid geworden van Nellie." Zo noemde hij het Genootschap dat vernoemd was naar een blinde dame van goeden huize.

Sociale Dienst


Mede op aandringen van kleine Jan waagde ik het aan de Sociale Dienst van mijn stad een verzoek te richten om een bijdrage in de kosten verbonden aan de aanschaf van een bandrecorder. Ik moest daarvoor een sociaal ambtenaar bij mij thuis ontvangen, die een diepgaand gesprek met mij voerde, over mijn studievorderingen uiteraard. Het was in het laatste, of voorlaatste, jaar van mijn studie. Pop, met wie ik na dat laatste jaar zou gaan huwen, wilde bij het gesprek aanwezig zijn.
"Ze doen tegenwoordig toch wel veel voor die blinden", teemde de sociaal ambtenaar terwijl hij zijn aantekeningen wegborg "Ze kunnen tegenwoordig zelfs studeren, aan de universiteit nog wel. Ik heb alleen maar MULO."
"Voor dat studeren moeten ze wel de hersens hebben", bracht mijn Pop in het midden, meer pinnig dan tactisch.
Gelukkig had haar snibbige opmerking geen nadelige gevolgen voor mij en kon ik de bandrecorder kopen. Toen ik mijn professor vroeg of ik zijn colleges mocht opnemen, vroeg die ongerust:
"Neemt zo een ding alles op wat ik zeg? Ook mijn eh's en uh,s?"
"Ja zeker", antwoordde mijn jaargenote Annie venijnig. "En ook uw hunnie en hullie, wat geen Nederlands is", vanwege dat hij haar had laten zakken voor het tentamen persoonskunde.

Studieboeken


Nellie, moest ik spoedig erkennen, was heus niet enkel een club waar blinden en schemerlampen met hogere opleiding op niveau met elkaar konden kouten of naar een leerzame lezing luisteren. Het genootschap behartigde wel degelijk de belangen van studerenden en afgestudeerden. Dat maakte Pim (zoals ik hem mocht noemen, na hem enige jaren met meneer te hebben aangesproken) mij duidelijk. Van hem stamde het lumineuze idee om de Stichting Nederlands Studenten Sanatorium (NSS) in te schakelen bij de verzorging van studieliteratuur voor visueel gehandicapten (blinden en slechtzienden), toen die stichting nieuw emplooi zocht voor haar gecollecteerd kapitaal, daar de studenten geen tb meer kregen.
De studieboeken zijn de Achilleshiel van de vg (visueel gehandicapte) student. Hij mag nog zoveel talenten bezitten, zonder voor hem leesbare boeken kan hij niet studeren. De aanmaak van brailleboeken was altijd (daar het stukwerk was) zeer arbeidsintensief en de produktie was daardoor laag (niettemin bewonderendswaardig). Door de cassetterecorder werd die produktie opeens enorm opgeschroefd. De cassetteboeken konden voorgelezen en afgeluisterd worden en voor beide was kennis van het brailleschrift onnodig.
Door het genootschap, en vooral door de inspanningen van meester Haas en Pim, werd die nieuwe produktie georganiseerd en kwam, gesponserd door de NSS, de coördinatie van de studielectuur tot stand, waaruit jaren later een volwaardige Studie- en Vak Bibliotheek (SVB) zou groeien (meer dan honderd jaren nadat in het buitenland dergelijke studiebibliotheken waren opgericht) en was Nederland eindelijk bij (geciviliseerd).
"Nederland is ook maar een klein land", legde mijn vriend Gerard uit, die in het verzet (letterlijk) beide ogen verloor en nog steeds meent (de gevestigde orde van) het vaderland (op elk front) te moeten verdedigen (vergoeilijken).

Blinde Vrouwendiscriminatie


Dat daarop wel viel af te dingen, ontgaat hem dikwijls. Neem bijvoorbeeld mijn vriendin Meis die, nadat ik haar een tiental jaren uit het oog had verloren (een verbalisme, zou mijn vriend Gerard, die MO a en b paedagogiek gestudeerd en het tot blindenpaedagoog had gebracht, hier fijntjes opmerken) onverwacht weer in mijn gezichtsveld opdook (nog een verbalisme) met een licenciaat van de Sorbonne in haar schoudertas.
"Heb je soms wat met dat meisje?" vroeg onze directeur argwanend, gevoelig als hij was op het punt van de seksen op zijn instituut.
"Toe nou, meneer, het kind is amper zestien", verdedigde ik mijn pleidooi. "Ik dacht dat het regel was dat de beste van het MULO-examen, met gemiddeld tenminste acht (of negen) voor Gym alfa in aanmerking kwam. Dat meisje heeft betere cijfers dan wij allemaal hadden."
"Hoor eens, het is een meisje en meisjes gaan altijd trouwen", repliceerde onze directeur bits. "Het zou een slechte investering zijn."
"Blinde meisjes gaan haast nooit trouwen", hield ik vol, wat onze directeur echter niet van zijn stuk vermocht te brengen. Zo zijn mathematici vaak, logisch goed, maar weinig eerbied voor de empirie.

Meis ging naar kantoor, maar ook op de MMS (middelbare meisjes school) voor zienden. Meis ging naar kantoor, maar behaalde ook de MO-acte Frans a. Meis kreeg een beurs voor de Sorbonne, behaalde haar licenciaat Frans en haar MO-acte Frans b. Meis werd lerares Frans en behaalde haar kandidaats linguistiek aan de universiteit. Toen vond Meis het welletjes. Zo placht Meis vooroordeel en onrecht te bestrijden, door bewijs van het tegendeel.

Blind Werk I


Of je werk krijgt, hangt als blinde minder af van je opleiding en meer van een grote portie geluk en een nog grotere portie hardnekkigheid.

De Vrijzinnige broeders wilden Berend, de dominee, niet meer laten worden dan hulppredikant, de Hervormden waren (na enige tijd meelopen) toeschietelijker. Hij werd geroepen naar (of beroepen in) een gemeente in het hoge Noordoosten. Daar kon dominee Berend in elk geval genieten van het aldaar nog volop aanwezige ongerepte natuurschoon.

Jacob, de jurist, vervoegde zich op het Gewestelijk Arbeids Bureau voor bemiddeling. Wij bemiddelen hier alleen maar zakkenwassers en lijntrekkers, riep de verschrikte arbeidsbemiddelaar hem toe. Meester Jacob droop af, gelijk zijn geleidehond, de staart tussen de benen.

Maarten, de wiskundige, woonde een lezing bij van de personeelschef van een groot bedrijf in het zuiden des lands. Die gaf er hoog van op dat zijn bedrijf ook gehandicapten in dienst nam. Kan ik bij u een baan krijgen, vroeg doctorandus Maarten, ik ben visueel gehandicapt. De opschepperige personeelschef kon toen moeilijk nee zeggen.

Zelf bleef ik hardnekkig schrijven op elke advertentie in de krant waar een academie vroeg om een docent psychologie of sociologie. Soms, bijvoorbeeld bij die van Amsterdam, werd ik gehoord door de directeur.
"Tja," verzuchtte de directeur spijtig, "er zijn vele sollicitanten en met blinde docenten hebben we helemaal geen ervaring."
Tenslotte wilde de academie van Rotterdam het met mij proberen, voor luttele lesuren in de week. Beter iets dan niets, juichte ik blij, en spoorde op en neer naar Rotterdam.
Dit terzijde, jaren later ontmoette ik de directeur van de Amsterdamse academie, intussen hoogleraar geworden, ambtshalve op het ministerie, waar hij mij om een subsidie vroeg voor een onderzoek van hem.
"Tja," zei ik bedenkelijk, "er zijn vele aanvragen voor onderzoek en met een onderzoek als dat van u heb ik helemaal geen ervaring."
Hij kreeg de gevraagde subsidie overigens wel. Blinden zijn zelden haatdragend.
En dit terzijde, op een bijeenkomst met Minister Kok (van FinanciŽn) over de sociale uitkeringen (ook van jonge werklozen) vertelde ik de vergaderden dat ik en mijn blinde jaargenoten nooit een uitkering hebben gevraagd. Wij wensen geen steun, had Der Alte Fritz ons bijgebracht, wij eisen werk. En zo hebben ze allen: Gerard, Gee, Jacob, Maarten, Berend, Dik, Leo, Jack, kleine Jan en grote Jan, Poes, Edit, Maaike, Meis, Alie, Kootje, Griet (van laag, handdoekenmaker, tot hoog, bedrijfsjurist) gewerkt en premie betaald ook voor de uitkeringen van zienden (validen). Mijn blinde jaargenoten die zich niet lieten kennen: ik ben er toch een beetje trots op tot die generatie behoord te hebben, nu er zelfs doctorandussen rondlopen, die liever hun hand ophouden dan te arbeiden.

Blind Werk II


Adriaan, hoofd van de afdeling Onderzoek van het Ministerie, zag mij meteen al zitten. Ik weet niet wat er na ons sollicitatiegesprek ten burele afgepraat werd, maar ik werd opgeroepen samen met Pop.
"Hoe dacht u het leesprobleem op te lossen?" vroeg de personeelschef zakelijk.
"Mijn vrouw zal mij daarin bijstaan", antwoordde ik prompt, want we hadden dat probleem thuis in den brede besproken.
"Wil uw vrouw misschien ook in dienst van het Ministerie treden?" vroeg de personeelschef daarop en toen wij, paf staand (zittend), sprakeloos hadden geknikt, stelde hij voor: "Ik sluit een deal met u. Ik schaal u wat lager in en neem u met uw vrouw in dienst".
Wij hadden ons tot dan toe met twee kleine inkomens erdoor geslagen, maar om daarmee ons hele leven door te gaan, was geen prettig vooruitzicht. Nu waren we opeens rijk en veilig, naar ons gevoelen, Pop en ik.
Nou," vond Adriaan, een jaar later, "ik vind niet dat je voor hetzelfde werk minder betaald moet worden dan je collega's." en hij werkte het schaalverschil weg.
"Nou," vond Henk, mijn vriend van de universiteit, toen hij personeelschef was geworden, "ik vind dat Pop ingeschaald moet worden als secretaresse", wat aantoont dat een universitaire opleiding echt wel loont.
Ik was arrivé, zeggen de Fransen, het is erreicht, zeggen de Duitsers, ik zat gebakken of gebeiteld, zeggen de Dutch. Ik liep wel al naar de veertig, Pop een jaar achter mij, en het waren de jaren zestig, de jaren van de doorbraak van de blinden naar het betere werk, zoals de jaren vijftig de jaren waren van hun doorbraak naar de hogere opleidingen. Daarvan was ik mij toen niet bewust, want behalve in mijn ruime salaris verheugde ik mij in die tijd in goede arbeid en goede collega's.

Blindendiscriminatie


Door de eeuwen heen worden er mensen achtergesteld bij andere mensen. Dat hoort bij het leven. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje. Daar gingen we in de jaren zestig anders over denken. Het woord discriminatie was al uitgevonden en kwam in die jaren in aller mond, een slecht woord. Mensen mogen niet gediscrimineerd (achtergesteld) worden, ook niet als ze blind zijn.
Meester Otto, de nieuwe voorzitter van het genootschap en mijn collega uit een andere hoek van het Ministerie, bracht mij verslag uit van zijn bezoek aan de Staatssecretaris van Onderwijs over een oekase van dat Ministerie aan de Rijksgymnasia en -HBSsen. Die oekase verbood die instellingen blinde leraren in dienst te nemen. Een delegatie blinde leraren (van niet-rijksscholen) bracht onder leiding van meester Otto hierover een bezoek aan de Staatssecretaris. De delegatie bestond uit drie (dacht ik) leraren en dat waren meteen alle blinde leraren van Nederland. Er lag een concreet geval voor, de casus Doctoranda Ankie.
Ankie draaide een jaar proef op een rijksgymnasium, werd goed bevonden, maar mocht niet worden aangesteld. Ankie (schemerlamp op een laag pitje) werd dus niet aangenomen en moest haar broodwinning bijeen sprokkelen door van hot naar her te reizen om op uiteengelegen scholen lesjes te draaien. Nee, dan verdienden ziende leraren hun brood gemakkelijker.
Meester Otto kon zich over dergelijke tenhemel schreiende toestanden hogelijk opwinden en dat terwijl hij zelf niet blind, maar slechts een schemerlamp op een tamelijk hoge pit was. Zo hoog dat een "vriendelijke" buschauffeur, die hij vroeg of zijn bus bus acht was, hem toesnauwde dat hij zijn eigen ogen moest gebruiken of dat hij misschien niet kon lezen. Neen, antwoordde meester Otto waardig en naar waarheid.

Subsidie voor Blindenbibliotheken


Nee, dan deed meester Otto zelf, eenmaal tot hoofd Bibliotheekzaken bevorderd, het voor de visueel gehandicapten beter. Hij regelde de subsidiëring van de blindenbibliotheken, een regeling die er mocht wezen.
"Die (hij noemde hem natuurlijk niet kleine Jan) is een slim mannetje", zei meester Otto waarderend. "Hij weet me altijd weer wat af te troggelen voor zijn bibliotheken. Goed hoor."
"Die regeling van Otto" knorde kleine Jan ontevreden, "kan nog best verbeterd. Daar mankeert nog dit en dat en dat en dit aan."

Die regeling maakte van kleine Jan wel grote Jan (figuurlijk dan). Zijn salaris maakte deel uit van die regeling en die regeling pakte voor hem prima uit. Hij behoefde de penningmeester van zijn bestuur niet nog eens in de drup van zijn lekkende woning te laten zitten om het bestuur erop attent te maken dat enige salarisverhoging op zijn plaats zou zijn, opdat hun directeur zich een woning kon veroorloven, waarin hij met zijn vrouw tenminste droog zat.

Kleine Jan was niet de enige direkteur van een blindenbibliotheek die door de regeling ruim bedacht werd. Er zijn in ons land meer van dergelijke directeuren en dat in een klein land als het onze (om met mijn vriend Gerard te spreken). Onze blindenbibliotheken (vier of vijf) willen echter verzuild blijven en verzetten zich steeds met succes tegen elke, ja, elke poging tot, vereniging. De bibliotheken der zienden mogen zich al verenigen, de ziekenhuizen en de gekkenhuizen eveneens, de politieke partijen en de vakbonden mogen zich al op weg naar ontzuiling begeven, de blindenbibliotheken bieden de tijdgeest koppig het hoofd, gelijk de omroepen en de zangverenigingen. Dat in weerwil van de wens van hun lezers (gebruikers) die één bibliotheek voldoende achten. Daarmee hebben we de vinger gelegd op de zwakke plek in de regeling van meester Otto.

VNBW


Vanaf de vijftiger jaren stonden de woorden samenwerking en fusie onafgebroken op de agenda's van de blindeninstellingen. Dat ondanks de tendens van die jaren om alles bij het oude, dat is apart, te houden (de verzuiling). Natuurlijk was toen ook de blindenwereld verzuild, maar (zoals zo vaak) gingen de blinden de zienden voor in het streven anachronismen op te ruimen. Het eerste resultaat hiervan was de oprichting van een vereniging van alle instellingen en organisaties die zich op de bevordering van het heil der blinden toeleggen (ergens in de vijftiger jaren). In die vereniging bundelden ze hun krachten (activiteiten) en ze noemden hun Vereniging Het Nederlands Blinden Wezen (VNBW (ook genoemd de blinde wezen, door mijn lotgenoten die het niet kunnen laten de boel op de hak te nemen).
Voor mij was die vereniging verhelderend, omdat die mij voor het eerst een overzicht bood van alle instellingen en organisaties die voor mij in de weer zijn. Ik kan ze in de volgende klassen onderverdelen:
1. Blindenbonden
2. Blindeninstituten
3. Blindenbibliotheken
4. Blindenfondsen
5. Blindenwerkplaatsen
6. Blindenbejaardenoorden
7. Blindengeleidehondenschool(en)
Alle keurig gescheiden in drie zuilen: katholiek, protestant en algemeen (socialistisch of onkerkelijk, zeiden de confessionelen).
Die vereniging richtte een klein bureau in waarvan Der Alte Fritz het eerste bureauhoofd werd (in die tijd begonnen we alles klein). Ik, en later ook Jacob, hebben nog eens gepoogd op dat bureau een nederig baantje te krijgen, maar Der Alte Fritz was daarvoor niet te porren. Niet alleen dat hij ons niet had kunnen betalen, maar ook had hij geen hoge pet op van academisch gevormde blinden. Wij roddelden uiteraard dat Der Alte Fritz al aardig de manieren van de ziende werkgevers had overgenomen.

Wat zich hierdoor voordeed (en wat ik niet zag, toen) was het conflict van de petten. De analytische geest van de blinde had de leden van de VNBW al snel ingedeeld in twee partijen, te weten:
a. Organisaties van blinden en slechtzienden
b. Instellingen voor blinden en slechtzienden
Een onderscheiding later overgenomen door de ambtenarij en daar genoemd belangenbehartiging en dienstverlening. Vraag: Welke pet droeg Der Alte Fritz? Die van a (voorzitter blindenbond) of die van b (hoofd bureau)? Ik kan best twee petten tegelijk dragen, vond Der Alte Fritz. Die passen je niet, bulderde de oppositie, aangevoerd door de blinde stadsbeiaardier van Zwolle. Ik trok toen partij voor Der Alte Fritz (en voel daarover af en toe nog wat retro-schaamte) en dat heeft mij (zoals verteld) niet gebaat (terecht).

Blindenonderzoeken


Later kreeg ik weer eens te maken met dat bureau. Het had toen flink wat kapsonis gekregen, daar het intussen werd gesubsidieerd door de Overheid (zestiger jaren). Het bureauhoofd was als een ambtenaar ingeschaald (dus hoog) en droeg niet meer de titel hoofd, maar de titel directeur. Die werd toen al niet meer gerecruteerd uit de lower class bonden, maar uit betere kringen.
Ik deed toentertijd een onderzoek voor het VNBW naar de maatschappelijke situatie van (volwassen) blinden en slechtzienden in Nederland (het eerste sociaal survey onder gehandicapten in Nederland). Het leek een tijdlang een gebed zonder eind te worden, maar op eenmaal lag het onderzoeksrapport op tafel (mede door de bijstand van doctoranda Toos, een ziende vakvriendin van mij). Eén (verrassende) uitkomst was dat het blindenvolk niet slechter was geschoold dan het ziendenvolk, maar wel slechter te werk gesteld. Een andere uitkomst betrof de schatting van het aantal blinden en slechtzienden van Nederland. Mijn schatting kwam uit op 6000.
Dat beviel de (blindgeworden) directeur van het VNBW helemaal niet. Dat zijn er veel te weinig, vond hij. Hij rekende zijn bestuur daarom een veel hoger getal voor, maar ja, goed rekenen is wat anders dan goed tellen.
Hij werd niet slechts geloofd door zijn bestuur, het Ministerie van Werkgelegenheid geloofde zijn hoge aantal werkloze vgn (visueel gehandicapten) evenzeer en wilde voor die groep een (arbeidsscheppend) project "opstarten".
"Het aantal vgn wordt geschat op 20.000 en daarvan is bijna de helft werkloos." verklaarde de collega van dat ministerie tegen mij.
"Daar moeten we wat aan doen. Kom in de begeleidingscommissie van het project zitten, wil je?"
"Volgens mij zijn er maar 6000 vgn." zei ik geprikkeld. "Daarvan is de helft boven de vijfenzestig. Van de andere helft is een derde onder de twintig. Blijven over 2000 vgn waarvan er 15 procent werkloos is. Ik kom uit op 300 werkloze vgn."
"Tjatja, dat omstreden onderzoek van je." weerde mijn collega af. "Ik heb ervan gehoord. Maar kom op, ik heb drie werkloze vgn nodig die aan mijn project meedoen."
Op zijn oproep meldde zich niemand en één werkloze vg, die we persoonlijk aanzochten mee te doen, zegde af omdat hij (HBO-er) zich voor ander werk liet omscholen, voor ... pianostemmer.
Besturen, politici, ambtenaren, bewindslieden laten zich nog steeds liever ompraten door een welbespraakte mond (zelfs als die blind is) dan blind te varen op moeizaam vergaarde data. Misschien ook op die wijze aangespoord, liet het VNBW eens een onderzoek verrichten naar nieuwe beroepen die door vgn uitgeoefend zouden kunnen worden. Een van de nieuwe beroepen was dat van onderwater duiker (wat voor mij inderdaad nieuw was). Dat data overigens zeer nuttig kunnen zijn, toonde mij mijn vriendin Toos die van het VNBW opdracht kreeg onderzoek te doen naar de zogenaamde mobiliteit van vgn (zonder ziende begeleider op straat lopen). Zij vond uit dat de meeste vgn hierover veel voorlichting nodig vonden.
"Hm," bromde Poes die door Martin Gaus tot de hond was bekeerd, "in dat hele rapport komt geen geleidehond voor."

Blindenrevalidatie


Op een open dag van het nieuwe revalidatiecentrum voor volwassen blinden en slechtzienden ontmoette ik mijn oude (ziende) vriend Vini weer, die daar docent (of beter trainer) was.
Ik had bijna dertig jaren tevoren met hem en zijn vrouw Miek vriendschap gesloten. Dat was in een tent van een jongerenkamp van een socialistische splintergroep (Vlamkamp). Omdat die groep elk jaar zulke jongerenkampen organiseerde en het mij, nadat ik met schemerlamp Gerben er voor de eerste maal was geweest, daar wonderwel beviel, troonde ik de volgende jaren wat blinde vrienden mee. Berend begeleidde er de volkszang op de piano en de volksdans op de trekharmonica, Poes zong er cowboysongs bij de gitaar (Er hangt een paardenhoofdstel aan de muur e.d.), Maaike piepte mee met de blokfluiters en ik deed mee aan de ochtendgymnastiek (wanneer ik mij niet versliep). Vini en Miek hadden zich al snel opgeworpen tot onze geleiders en Vini las ons met zijn sonore stem (hij was van huis uit zanger) ook nog de rode manifesten voor, waarmee we (vanuit het tentenkamp) de wereld hervormden.
"Ruik es", gebood Vini, die de zintuigtraining verzorgde, en hield mij iets onder de neus. "Wat ruik je?"
"Ik ruik niks", wilde ik antwoorden, maar bedacht me bijtijds en zei snel: "Een ondefinieerbare geur."
"Dat is de geur van de vermiljoene Drentse dopheide in het voorjaar", onderwees Vini streng. "Die moet je als blinde kunnen ruiken."
En toen ik de geur van de Guatamalteekse hoogland cacao ook niet thuis vermocht te brengen, voegde hij er smalend aan toe: "Een wetenschappelijke opleiding helpt je kennelijk niet bij je revalidatie". Tegen mij die eerst kort daarvoor de doctors-hoed had verworven.

Ik vertel dat voorval van niks, omdat ik eigenlijk wil vertellen, dat de oprichting van het revalidatiecentrum een echt goede daad was van het VNBW, want ziende mensen menen te vaak dat de meeste blinden vanaf hun jeugd blind zijn, terwijl de meesten dat worden tijdens hun (vaak gevorderd) leven. Tot dan toe hadden die niets om zich aan hun blinde leven aan te passen.
Dat de revalidatie van volwassen en oudere visueel gehandicapten echt een vak is, toonde ons het revalidatiecentrum zelf. Het was eerst gevestigd in een oud landhuis (De Schansenberg) waar je wel heel erg goed moest kunnen kijken om niet van de trap de kelder in te vallen. Terecht verhuisde het centrum dan ook naar het erf van het paleis 't Loo (Het Loo Erf), ook al stamt ook dat nog uit de achttiende eeuw.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website