Besloten ruimte

een verhaal van Willemeine Bol

Met de gloeiend hete beker koffie rennen mijn lief en ik over het perron om de trein te halen. Vlak voor het fluitje van de conducteur springen we naar binnen. We komen terecht op het balkon en het valt me onmiddellijk op dat het om ons heen doodstil is. Geen geroezemoes van mensenstemmen, geschuifel van voeten, ritselende jassen en van lichamen die een plekje vinden. De koffie is heet en met zoín plastic bekertje door de trein wandelen is niet fijn, dus besluiten we de stille ruimte binnen te gaan om de koffie eerst op te drinken. Schoorvoetend stap ik naar binnen en krijg het onmiddellijk benauwd. Het ruikt er naar nat karton, oud zweet, vieze sokken en nog iets wat ik niet kan thuis brengen. Mijn lief staat rustig naast me en slurpt van de hete drank. Ik sta als versteend en probeer te begrijpen wat er met me gebeurt. In mijn hoofd of schijnbaar iets daar buiten, hoor ik in de verte harde mannenstemmen. Ze schreeuwen commandoís; hard en ongearticuleerd. Ik versta niet wat ze zeggen, maar het klinkt angstaanjagend. En nog steeds is daar die geur, waarvan ik niet weet wat het is. Ik hoor hard gebons en het gekletter van ijzer op ijzer van dichtvallende zware deuren en ik voel het schokken van de rijdende trein. Mijn maag verkrampt, ik houd mijn adem in en mijn buik wordt bijna vloeibaar. Het kost me grote moeite, om niet door mijn knieŽn te zakken en op de grond te gaan zitten. Iets in mijn lijf zegt me dat ik moet blijven staan. Ik mag niet omvallen.
Ik steek mijn hand uit en voel een afscheiding van traliewerk. Ik raak nu echt in paniek. Ik laat de hete beker vallen en loop achteruit. Ik stoot met mijn rug tegen de andere kant van de ruimte. Als ik me probeer beet te pakken om overeind te blijven, ontdek ik daar ramen. Ik ben dus opgesloten en kan nergens meer heen. De paniek wordt groter en nog steeds begrijp ik niet wat er met me aan de hand is. Ik wil vluchten, maar ik weet niet waarom en ook niet waar heen. Mijn lief komt naar me toe en probeert me vast te pakken om te voorkomen dat ik me bezeer, maar ik wil hem slaan en weg duwen. Het voelt alsof hij me kwaad wil doen. Door diep adem te halen lukt het me mijn hoofd weer een beetje helder te krijgen. Waar ben ik nou eigenlijk? Gewoon in een rijdende trein toch? De trein van Eindhoven naar Santvoort, die mij een mijn lief naar het strand zal brengen. Met veel inspanning vind ik mijn stem terug en met een kermende zachte kreet roep ik dwingend:
"Er uit! Help me. Ik moet hier weg."
Hij slaat een arm om me heen en neemt me mee terug naar het balkon. Als we de gang in lopen voel ik weer de traliestructuur van de wand.
"Wat is dit?" vraag ik verbijsterd.
"De postwagen," antwoordt hij rustig.

Ik kom langzaam een beetje tot mezelf.
"Ik was zo bang" zeg ik zacht. "Zo verschrikkelijk bang. De reis duurde en duurde. En ik wist zeker dat ik nooit meer terug zou komen."
Mijn lief staat daar stil en verbijsterd om zoveel paniek in een postwagen van de trein en om wat ik zeg. Hij houdt me vast om me te troosten en gerust te stellen. Ook hij kan niet begrijpen wat er gebeurde.

We lopen door de schuifdeuren en vinden in een normale coupé een plekje waar ik kan gaan zitten omn bij te komen. Langzaam begin ik te beseffen waar deze onverwachte verschrikkelijke beelden vandaan komen. Het is een herinnering van heel lang geleden. Diep verborgen in de tijd en opgeslagen in een eindeloos collectief geheugen. Soms wordt het aangeraakt en krijgt het gestalte in dromen. Door een geur, een geluid, een gebaar, een ruimte, of woorden die een andere betekenis krijgen als waar ze voor bedoeld zijn, wordt het voor een kort moment realiteit. Hij vraagt niets. En zo kan alles van wat er gebeurde, terug glijden in het rijk van de schaduwen, waar het thuishoort en het nooit zal worden vergeten.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website