HET WAS 1976

een verhaal van Jacob Batoeck

Het was meer dan een griepje. Aanvankelijk leek het op vermoeidheid die samenging met iets van een verkoudheid. Mijn nek was ook stijf. Daarvoor lag een oorzaak voor de hand, meende ik. Deze kon gevonden worden in de voorafgaande dagen. Voor de vermoeidheid zou ik een uitgebreidere verklaring nodig hebben.
Het was mooi weer geweest gedurende een aantal dagen. Hoeveel dat er waren weet ik na zoveel jaren niet meer. De warmte en het nauwelijks aanwezig zijn van enige wind waren gezamenlijk een overtuigende reden geweest om de luiken in het dak van de bus, waarmee ik naar de tentamenlocatie was gereden, geheel open te zetten. Tijdens die ritten had dat door veel luchtverplaatsing aangename verkoeling geboden, maar ook een vorm van tocht die een teveel aan verkoeling had gegeven. En dat had een ongunstige uitwerking op mijn nekspieren gehad. Dat was de verklaring die ik had gevonden voor de toestand waarin ik verkeerde.
Zoals gebruikelijk bij een griepje was ik een paar dagen in bed gebleven. Verbetering trad echter niet in. Ik bleef mij ziek voelen en mijn temperatuur bleef iets onder de 38 graden, net geen koorts. ’s Nachts werd ik in het zweet wakker. Mijn bed was dan zo nat, dat mijn lakens vervangen moesten worden. Dat leverde, met de extra was, mijn moeder veel werk op. De huisarts kwam op bezoek – wat toen nog kon – en schreef na mij kort onderzocht te hebben een antibioticumkuur voor. Dat herhaalde hij bij een vervolgbezoek, maar ook de tweede kuur bracht mijn lichaam niet op orde.

Ik was naar Joegoslavië geweest. Het was een bijzondere vakantie geworden. Dat kon ook verwacht worden. Om dat uit de doeken te doen vergt een uitgebreid verhaal. Laat ik daarover maar niet beginnen. Dat kan altijd nog. Gedacht moet worden aan de samenstelling van het reisgezelschap, twee vrienden en een vriendin, en de onderlinge relaties. Ja, mijn verlangen – of moet ik het anders noemen – naar deze vriendin toe speelde gewis ook een rol. En tevens kan gedacht worden aan de manier van reizen – met oncomfortabele treinen en streekbussen - en het primitieve kamperen, noodzakelijk om de vakantie low budget te houden.
Teruggekeerd uit Joegoslavië moest ik stevig studeren, waartoe ik een strak schema diende aan te houden. Ik had mijn tweede semester van mijn eerste jaar Rechten bij een aantal vakken onvoldoende afgesloten. Dit geheel van ongunstige resultaten had – zo meen ik achteraf te kunnen vaststellen – een paar oorzaken. Primair denk ik aan de voldoende afgesloten tentamens van het eerste semester. Ik had wel last gehad van mijn slechte ogen bij het studeren, maar minder dan ik voor de aanvang van mijn studie had ingeschat. Zodoende meende ik er tijdens het tweede semester wel iets naast te kunnen doen. Ik was daar niet echt naar op zoek geweest. Het kwam eigenlijk naar mij toe.
Dat was in de vorm van een telefoontje. Ik werd gebeld door een partijlid, zo’n twee jaar nadat ik mij bij de PPR had aangemeld. Aan mijn passieve lidmaatschap kwam daarmee een einde. Na een huiskamerbijeenkomst van partijgenoten besloot ik met hen mee te doen aan verkiezingen voor een deelgemeenteraad in Rotterdam. Er was een bijzondere motivatie voor mij bij deze deelname. De man bij wie de bijeenkomst, die ik zojuist noemde, thuis plaatsvond en die – zo bleek al gauw – de lijstrekker zou worden, was blind. Was er dan meer mogelijk als je ogen nog slechter waren – zelfs geheel niets zagen – dan die van mij? Opluchting en verwarring buitelden in mijnhoofd. En ik deed actief mee aan de verkiezingscampagne die mijn partij op deelgemeenteniveau voerde. Dat kostte tijd en energie. En van rustig studeren kon geen sprake meer zijn.

In mijn bed lag ik, bij mijn ouders thuis. Aan eigen huisvesting had ik voor de beginjaren van mijn studie niet willen denken. De extra kosten speelden hierbij zeker een rol, maar ook het zelfstandig wonen als slechtziende. Achteraf, na zoveel jaren, kan ik niet goed meer invoelen hoe ik dat toen beleefde, want ik meen mij eveneens te herinneren dat ik – hoewel ik het bij mijn ouders goed had – behoefte had aan zelfstandigheid.
Ik voelde mij grieperig en ook vermoeid. Zomaar in bed liggen wilde ik kennelijk niet, want ik was begonnen aan een boek, dat ik een keer in de uitverkoop had gekocht. Het was een Salamander-pocket, gemakkelijk hanteerbaar voor wie boeken dicht bij zijn gezicht wil houden. De titel was: ‘De vrijheid gaat in het rood gekleed’. Schrijver: Theun de Vries. Het lezen wilde echter niet vlotten. Mijn zich opdringende verlangen om boeken te kunnen verslinden – dat ik al had moeten afstemmen op mijn realiteit – botste stevig op tegenwerkende ogen. Had ik mijn kijkers tijdens de voorbereiding van mijn tentamens te lang te zware karren laten trekken? Kennelijk waren er qua visuele inspanningen grenzen en was ik daarop gestuit, wellicht zelfs overheen gegaan, en zat ik met de gebakken peren.
Een echt hulpmiddel had ik in die tijd nog niet. Als de letters te klein waren, gebruikte ik een uitklapbaar loepje, waarmee ik – met één oog kijkend – dicht op het papier zat. Vanwege de gebogen houding bij het lezen van ondergrond behoevende boeken en het ongerief daarvan had mijn vader een houten bouwwerkje voor op mijn bureau gemaakt. Dat werkte ontlastend. Door de krant worstelde ik mij heen. De radio was echter mijn belangrijkste verbinding met de wereld. Vanuit de luidspreker daarvan vernam ik ondermeer dat Mao was overleden en hoe dat nieuws zowel in China als elders werd ontvangen. In Nederland speelde de Lockheed-affaire. Ter opheldering van de gerezen vragen was door het zittende kabinet Den Uyl de commissie Donner in het leven geroepen, die na verricht onderzoek met een rapport kwam. Een rechtstreeks spoor naar prins Bernhard legde de commissie niet bloot, maar de algemene overtuiging bestond dat de prins-gemaal steekpenningen had ontvangen. Er kwam een zeer spannend debat in de Tweede Kamer. Premier Joop den Uyl legde verantwoording af over hoe zijn kabinet de affaire politiek had opgelost en hoe hij daarmee het Koninklijk Huis had gered. Prins Bernhard werd niet vervolgd voor de strafbare handelingen die hij –echtgenoot van het staatshoofd - met het aannemen van steekpenningen van Lockheed had verricht. Hiervoor in de plaats kreeg hij opgelegd dat hij in het vervolg geen militair uniform meer zou mogen dragen. Dat viel hem – van wie algemeen bekend was dat hij veel prijs stelde op militair vertoon – zeer zwaar. Dat was ook de bedoeling, zou gezegd kunnen worden, want er diende uitgebalanceerd te worden.
Het rapport van de Commissie Donner kreeg veel belangstelling en verscheen in de boekwinkels. Ik liet een exemplaar kopen. Dat nam ik door, maar van a tot z lezen – hetgeen ik graag gewild had – kon het niet komen. Dat was visueel niet mogelijk voor mij. Had ik toen maar de hulpmiddelen en de voorzieningen gehad, waarover ik nu wel kan beschikken.

Hoe moest het verder met mij? De huisarts wist het niet. Duidelijk was geworden dat een griep niet gediagnosticeerd kon worden. Een eenvoudige bacterie was ook niet in het spel, want die had door de ingezette antibiotica uitgeschakeld moeten zijn. Even veronderstelde mijn huisarts – kennelijk vanwege het in het nieuws geweest zijn van een zogeheten papegaaienziekte - dat de in huis aanwezige parkieten een veroorzakende factor vormden. Met pijn in zijn hart gaf mijn broertje de vogeltjes maar aan zijn biologieleraar, in wie hij vertrouwen had. Mijn conditie verbeterde er echter niet door. Omdat hij het echt niet meer wist en ik genezing behoefde, stuurde mijn arts mij voor een opname ter observatie naar het ziekenhuis.
Welke gevoelens had ik daarbij? Ik voelde mij onzeker en ik was bang dat ik iets ergs zou hebben. Dat zou dan ontdekt worden. Echter, om ooit te kunnen genezen – als dat mogelijk zou kunnen zijn – moest het eerst van de juiste medische ontdekking, de echte diagnose, komen. Wat zou ik hebben? Dat was de vraag die mij obsedeerde. En het was niet alleen deze niet weg te poetsen vraag, ook de bijgedachte dat iets vaags het begin van een in wording zijnde ernstige ziekte zou kunnen zijn. Zou de weg naar het einde van mijn leven zijn ingezet? Dat mocht toch het geval niet zijn. Ik diende mij over te geven aan de enige zekerheid op korte termijn die ik had: dat ik goed onderzocht zou worden.
Mijn ouders brachten mij naar het ziekenhuis. Na de opnameverrichtingen doorgemaakt te hebben kwam ik op zaal te liggen. Het onderzoek begon met de algemene metingen en het doorlopen van lange vragenlijsten. Wat ik aan ziekten had gehad? Wat ik dit en wat ik dat. Oh, je bent student. Wat studeer je?
Daarna kwam de mantoux-prik, in bed gegeven. Vervolgens mocht ik met een verpleegster meelopen naar de röntgenafdeling, voor een foto van het binnenste van mijn borstkas, die ik later – medische termen overnemend – mijn thorax ben gaan noemen. En na verricht onderzoek mocht ik weer naar zaal, terug in een unheimisch ziekenhuisbed.
Nog dezelfde dag werd mijn arm die de mantoux-prik had ontvangen bekeken. Rondom het stukje huid waar de injectienaald was ingebracht vertoonde zich een duidelijke schijf. Ja, dat was een groot ding. En omdat ik de bedoeling van de mantoux-test kende – op de lagere school werd deze door middel van krasjes op je arm toegepast -, wist ik dat ik tbc moest hebben. Even later vernam ik ook dat deröntgenfoto een vlekje op één van mijn longen had laten zien.
Hoewel ik dacht, dat een behandeling naar genezing meteen kon worden ingezet, werd die stap niet meteen gezet. Omdat ik niet hoestte, gaf ik geen sputum op. Op zich vond ik dat prettig, maar voor onderzoekende medici was het lastig. Op diverse manieren, onder anderen door water achterin mijn keel te spuiten, probeerden verpleegsters sputum los te krijgen, voor de kweek. De pogingen mochten echter niet baten. Dat was, zo bleek kort daarop, geen aangename vaststelling, want er moest daardoor naar een zwaar onderzoeksmiddel worden gegrepen. Dit hield in, dat ik een bronchoscopie moest ondergaan. Met een naar binnengeduwde, relatief dikke buis zouden mijn longen intern bekeken worden en voor de kweek moest een klein stukje vezel met een miniem tangetje worden weggenomen. Het was geen gering gebeuren, waarvoor ik vanwege de geweldsaspecten morfine kreeg toegediend. Dat verzachtte de pijn en bracht een roes teweeg, die na afloop – terug in bed – even een aangenaam karakter had.

Ik moest wachten op de uitslag en daarmee op een vastgestelde diagnose. De longarts zou hiertoe aan mijn bed komen. Ik wist dat hij in aantocht was en zat alvast rechtop en vol spanning in bed. Ik wilde direct vernemen dat ik inderdaad tbc had, en wel in een niet open vorm. Dan kon de medicatie gestart worden en daarmee de weg naar beterschap worden betreden. De longarts stapte over de drempel van de zaal en op dat moment ging zijn pieper. Hij werd opgeroepen. Hij draaide zich meteen om en ging de gang weer op. De volgende minuten duurden erg lang. Maar na zijn terugkomst kreeg ik bevestigd wat ik wilde horen. Voordat ik echt naar huis mocht, moest ik nog wel een paar dagen in het ziekenhuis blijven, om vast te kunnen stellen of ik de medicijnen zou kunnen verdragen. Gelukkig was dat zo. Voor mijn geestesoog doemde de universiteit al weer op.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website