KLEURVERSCHIL

een verhaal van Joke Clazing

deel 1 van 2 delen (in de volgende Pointe-editie verschijnt deel 2)

Er stond iemand in de deuropening naar me te kijken. ik voelde het niet alleen, ik wist het, doordat er opeens bijna geen licht meer binnenviel. Toch kwam er geen beweging in de persoon achter me toen ik gewoontegetrouw, "kom verder!" riep. Ik draaide me echter pas om, toen ik klaar was met meten. Enigszins verbaasd keek ik naar de jongen, die daar bijna al het daglicht stond weg te nemen. Slank, van gemiddelde lengte, met gitzwarte krullen en diepbruine, ietwat verlegen ogen. Een mooie jongen, bedacht ik, terwijl ik mijn handen aan mijn broek afveegde. Het zwijgen tussen ons duurde langer dan normaal. Juist toen ik wilde vragen wie hij was, en wat hem naar mijn werkplaats had gevoerd, begon mijn bezoeker snel te spreken.

"Ik ben Enrike. Sinds kort woon ik in de molen. Men heeft mij gezegd dat…," hier aarzelde hij even, "dat u mij misschien zoudt kunnen helpen. Er zijn veel reparaties nodig, en hoewel ik het molenaarsvak van mijn oom heb geleerd, weet ik niet zo goed waar ik met de herstelwerkzaamheden zal beginnen."
'Geen jongen zonder enige ontwikkeling, aan zijn taalgebruik te horen,' schoot het onwillekeurig door mijn hoofd.
"Wil je dat ik nu meega, of zal ik op een later tijdstip komen?"
De jongen leek even te aarzelen.
"Later. Misschien vanavond. Alstublieft."
"Goed," antwoordde ik, "vanavond dan, enne... zeg asjeblieft jij en noem me Jort, dat doet iedereen hier."
De jongen knikte en haastte zich weg. Ik bleef staan met het werkstuk in m'n hand, opeens niet meer verlangend het af te maken. Een vreemd gevoel beving mij, alsof er iets was, dat de jongen in de werkplaats had achtergelaten. Dan borg ik mijn werk weg in het rek aan de muur en liep ook naar buiten. Vanavond 's kijken of het bezoek aan de molen een ander gevoel bij mij te weeg zou brengen.

Op het moment dat de torenklok twaalf sloeg, bukte ik me enigszins om door de lage deur van het kleine huis naar binnen te stappen.
Mijn moeder, een tengere vrouw met wakkere ogen, had het warm eten al bijna op tafel. Ik waste mijn handen en ging zitten, nadat ik haar een zoen op haar wang had gegeven.
Tijdens het eten vertelde ik haar over mijn karweitje. Ik was een soort stoof aan het maken, voor Teuntje, het jongetje van de herbergier verderop. Er was iets met Teuntje, hoewel niemand precies wist wat, maar zijn handjes deden niet zoals hij het zelf wilde. Ook leek hij minder goed te kunnen horen. En hoewel Geert, zoals de man van de herberg heette, ogenschijnlijk een harde, doortastende kerel was, was hij zacht en geduldig ten opzichte van zijn kind. Om het jongetje aan te moedigen zijn handjes goed te oefenen, had hij mij gevraagd iets speciaals te maken. Hij had een houten doos in gedachten, met vormpjes erin. De vormpjes moesten echter door soortgelijke openingen in de bovenkant van de doos geduwd kunnen worden. En dat nu, was het klusje dat ik onder handen had.

"De bakkersdochter had vandaag weer een praatje," begon moeder, toen ze de pudding op tafel zette. "Er is iemand in de molen komen wonen. Een jongen van een jaar of 16, 17 misschien. Hij is heel knap, maar ook erg verlegen en terughoudend, heb ik me laten vertellen."
"Die indruk had ik vanmorgen ook," beaamde ik. "Ik moet er vroeg in de avond heen. Hij wil mijn advies over de reparaties, en dan moeten we alles nog goed kunnen zien."
"Waarom niet vanmiddag?" vroeg moeder verwonderd.
"Geen idee moeder. Het zal er, ben ik bang, niet bepaald rooskleurig uitzien. En nu moet ik gaan."
Ik legde even m'n arm om haar schouder en verdween. De relatie met m'n moeder is bijzonder hartelijk te noemen. Vooral sinds de dood van mijn vader, nu drie jaar geleden. Onze gemeenschappelijke belangstelling voor filosofie en levensvragen leidt nogal eens tot diepgaande gesprekken. Ik voel me dan ook heel tevreden met de situatie. Omdat ik in mijn timmerwerkplaats goede zaken doe, leven we niet in armoede.

Meteen na het avondbrood ging ik naar de molen. Enrike stond me al op te wachten bij de deur. Eén blik op het geheel was voldoende om te zien dat de molen in slechte staat verkeerde. Hoe lang was het eigenlijk al geleden dat ik hier voor de laatste keer kwam… Samen liepen we om de belt heen. Op de opgeworpen aarden heuvel rond de molen groeiden allerlei planten en struiken.
"Deze wildgroei beteugelen zodat de wieken weer kunnen draaien, lijkt me om te beginnen al een enorme hoeveelheid werk," zei ik, in m'n hart al mismoedig bij de gedachte aan de inspanning en de tijd die dit zou kosten. In het houten huis naast de molen moest ook veel gebeuren. Hier en daar stond een oud pannetje onder een vermoedelijk lek. De muizen hadden bovendien flinke schade aan de kap toegebracht. De stoel waar de assen in draaiden, de kar waar het graan in lag, de houten raderen, het was allemaal in erg slechte staat. De wieken moesten gerepareerd en ook de zeilen die men gewoon had laten zitten. Zwijgend liepen we samen overal langs. Ik schreef af en toe wat op in m'n notitieboekje en keek soms naar het jonge gezicht naast me. Ook het hekwerk moest dringend hersteld worden. Terug in de woonkeuken gingen we samen aan tafel zitten. Enrike bood me koffie aan, die ik maar al te graag accepteerde. Toen, terwijl mijn handen om de warme stenen kom lagen, kon ik me niet langer inhouden.
"Ik wil me allerminst met je zaken bemoeien, jongen. Maar als ik vragen mag, waarom woon je in godsnaam alleen in deze bouwval van een molen?"
Enrike haalde zijn schouders op en nam een flinke slok.
"Zoals ik je al zei, heb ik het vak van mijn oom geleerd. Hij wekte de indruk dat hij wilde dat ik later de molen van hem over zou nemen. Toen hij stierf, zomaar, zonder enige aanwijzing, bleek dat er niets beschreven was. Zijn zoon, waarmee hij al jaren ruzie had kwam uit de stad en verkocht de molen. Met het beetje geld dat ik bezit...." hierbij keek hij enigszins schuchter naar beneden, “kon ik niet én een molen kopen, én het onderhoud voor mijn rekening nemen. De zaak was er lang niet zo slecht aan toe als hier, maar er moest daar toch ook het nodige gebeuren."
"Maar waarom hier? Hier is de molen al zeker vijf jaar onbewoond. Heb je overigens gehoord, hoe ...," Weer zweeg ik abrupt, plotseling in twijfel of ik deze jongen, dit kind bijna nog, moest opzadelen met de akelige verhalen, die de ronde deden.
"Dat er geen zegen op deze plek rust, vooral niet als de molenaar een vrouw meeneemt, ja, dat heb ik gehoord."
We keken elkaar over de koffie heen aan en even zag ik een vonk van humor in de donkere ogen.
"Maar aangezien ik niet van plan ben een vrouw mee te nemen, en daarbij niet zo heel veel keus heb, wil ik het hier toch proberen. Bovendien kon ik er intrekken zonder te hoeven kopen."
Hij legde twee, nog jonge, tamelijk kleine handen open voor zich op tafel en keek me weer aan. Nu met iets onmiskenbaar uitdagends.
"Het zál me lukken, met deze twee handen, en alle hulp die ik betalen kan."
Ik voelde bewondering voor de jongen.
"Sta je…, sta je helemaal alleen in het leven?" moest ik ondanks mezelf vragen.
"Op dit moment wel, ja, en daar zal ook niet zo gemakkelijk verandering in komen."
We dronken zwijgend onze koffie. Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Zou ik, toen ik nog zo jong was, dit hebben aangedurfd? En, hoe jong was Enrike eigenlijk. Zijn taal was onverwacht volwassen, evenals zijn besluitvaardigheid.
"Heb je geld om een tijdje te leven, voor de molen z'n werk weer kan doen?" vroeg ik een beetje ongemakkelijk. Enrike knikte.
"Daarom is het gedeelte dat moet malen dan ook het eerst aan de beurt, wat mij betreft. De schuur is nog goed en daar heb ik de spullen opgeslagen die ik nu in dit lekke mandje niet kan neerzetten. Maar ik kan er wel tegen, tegen een beetje vocht. Bovendien wordt het straks zomer, we gaan een goede tijd tegemoet."
Nadat hij de lamp had aangestoken, er was hier kennelijk nog geen electriciteit, kwam hij weer naast me zitten. Samen schreven we op wat het allernoodzakelijkst was, en waarbij hij mijn hulp het hardst nodig had. Intussen zat ik zo af en toe steels naar de jongen te kijken. Naar zijn fijngetekende gezicht. 'Zijn naam is even vreemd in deze streek als zijn uiterlijk' dacht ik. Toen het buiten helemaal donker was, ging ik naar huis. We gaven elkaar een hand, waarbij ik me realiseerde dat het beklemmende gevoel van die morgen verdwenen was.
"Eén ding moeten we wel afspreken," zei Enrike nog, terwijl hij me onverwacht strak aankeek. "Ik ben erg op mijn vrijheid gesteld. Wat mij betreft, liever geen onaangekondigde bezoeken."
"Akkoord, zoals je wilt," antwoordde ik, terwijl ik me omdraaide. En toen ik tien minuten later mijn hoofd boog om mijn eigen knusse huis binnen te kunnen stappen, dacht ik dat ik eerst maar eens moest kijken waar dit allemaal toe zou leiden.

De volgende dag al besloot ik met de trein een bezoek aan de stad te brengen. Het leek me verstandig eens te kijken of ik aan betaalbaar hout voor Enrike's molen kon komen. Op de een of andere vreemde manier voelde ik me erg bij het hele project betrokken. Misschien, dacht ik, had het er ook wel mee te maken dat hij nog zo jong was, en naar zijn zeggen alleen op de wereld. Ergens gaf hij mij het gevoel dat er raadsels waren rondom zijn bestaan. En door raadsels werd ik altijd geïntrigeerd.
Natuurlijk had ik met de oude rammelende fiets naar de houtzagerij kunnen gaan waar ik zelf altijd mijn materiaal bestelde. Maar omdat ik wist dat daar de keus nogal beperkt was, en uit heimelijke liefde voor de trein, stond ik om negen uur al op het stationnetje op het gepuf en het gegil van de stoomfluit te wachten. Hoewel ik op de houten bank tamelijk ongemakkelijk heen en weer hotste, raakte ik altijd in aangenaam gedroom verzonken. In mijn vrije tijd mocht ik namelijk graag tekenen of schilderen. Tijdens het houtbewerken moest ik er mijn hoofd goed bijhouden, en was er geen tijd voor fantaseren over. In de trein, waar het landschap aan me voorbij gleed, ontstonden er beelden voor mijn geestesoog, die ik graag op het doek zou vastleggen. Teuntje zou ik wel eens willen tekenen, of de oude eik, die voor het schoolgebouw stond, en de klas in de zomermiddagen zo aangenaam koel hield. Maar ook, en dit zou me in het dorp veel bevreemding opleveren, zweefden mij oosterse draken en magnifieke gouden koepels voor ogen. Dus toen ik eenmaal in de stad slenterde, kon ik geen weerstand bieden aan het kleine donkere winkeltje waar ze boeken verkochten met licht krullende hoeken. Of zware, half uit hun band hangende delen, die met hun harde kaft de inhoud tegen ettelijke koppen thee had beschermd. Toch was het dat beduimelde uiterlijk, dat mij het zo af en toe in bezit krijgen van zo'n schat mogelijk maakte.
Daarna zocht ik de houtzagerij op die mij misschien wat tweede keus hout kon leveren. Hoewel ik Enrike het beste gunde, wist ik dat hij zich geen enkele luxe kon permitteren. En inderdaad, de vriendelijke ouwe baas had de vorige middag een partij goed, gebruikt hout binnen gekregen. Niet elk bedrijf of iedere klant wilde met oud materiaal werken, dus, als ik geïnteresseerd was, zouden we vast tot overeenstemming kunnen komen. Geheel voldaan liep ik een uur later een kleine koffiegelegenheid binnen, om tot mijn grote verbazing Enrike achter een krant in een hoek aan te treffen.
Hij keek op en lachte verlegen.
"Mijn laatste uitspatting voor ik aan mijn grote klus ga beginnen."
Ik keek naar de kop koffie in zijn hand en nam de uitnodiging aan om bij hem te komen zitten.
"Ben je ook met de trein naar de stad gekomen?" vroeg ik, ondanks mezelf toch bevreemd.
"Nee, nee, daarvoor durfde ik geen geld vrij te maken. Ik kon met Wilde Willem meerijden."
"Wilde Willem is een zachtaardige man, maar pas op, hij weet je ongemerkt allerlei informatie te ontfutselen."
"Ik vond hem helemaal geen wilde indruk maken. Waaraan ontleent hij eigenlijk zijn bijnaam?"
Ik bestelde intussen ook een koffie en keek naar een magere hond buiten, die met iets in zijn bek probeerde ongezien de hoek om te sluipen.
"Volgens de verhalen in het dorp heeft hij altijd gevaren. Daarbij komt dat hij vroeger erg in trek was bij de vrouwen. Een beetje té, zouden sommigen zeggen. Het woord trouw kwam echter niet in zijn woordenboek voor. Er gaan zelfs heimelijk geruchten dat er in deze omgeving, en wie weet waar nog meer, verscheidene kleine Willempjes of Willemientjes rondlopen. Voordat er eventueel van trouwen sprake zou kunnen zijn, was Willem alweer voor maanden naar zee. Je kunt je wel voorstellen dat het nogal eens 'n probleem opleverde het kind ongemerkt geboren te laten worden of bij anderen onder te brengen. Temeer daar geen enkele vrouw kwaad over hem wilde horen of spreken."
Tijdens mijn laatste woorden was de jongen van kleur verschoten, en belandde zijn koffiemok rinkelend op zijn schoteltje.
"Is er iets?" vroeg ik geschrokken.
"Nee niks, echt niet. Ik werd opeens herinnerd aan een gebeurtenis een tijd geleden, in onze familie."
"Een minder aangename herinnering, begrijp ik?"
"Nee, nee, valt wel mee," verzekerde Enrike me. Bij deze woorden dronk hij vlug zijn laatste slok koffie en stond gehaast op. Met een groet verdween hij, na betaald te hebben, naar buiten. Toch enigszins verbaasd bleef ik aan het tafeltje achter. Vooral toen ik vijf minuten na zijn vertrek Wilde Willem door de deur zag binnenkomen, echter zonder een spoor van Enrike. Omdat ik geen enkele behoefte had aan een praatje met Willem, hoe aardig ik hem overigens ook vond, pakte ik mijn spullen en verdween eveneens. Over tien minuten ging bovendien mijn trein.
Die avond hoorde ik van moeder dat zij Enrike met de melkwagen in het dorp had zien aankomen.

De daarop volgende weken ging ik regelmatig bij Enrike een handje helpen. Steeds aan het einde van de dag, en zoals op zijn verzoek, alleen op afspraak. Dikwijls bood hij me iets te drinken aan dat ik maar al te graag accepteerde, omdat het ons de gelegenheid gaf wat van gedachten te wisselen. Ik vertelde hem over mijn moeder, en over de dood van mijn vader. Ook kwam de geschiedenis van de molen ter sprake. Enrike vertelde dat hij een klein bedrag aan huur betaalde, aangezien de familie van de laatste eigenaar geen zin had zich om enig onderhoud te bekommeren. Een andere keer vroeg hij enigszins aarzelend hoe het leven van Wilde Willem er nu uitzag. We zaten op de bank tegen het huis in de avondzon over de rivier uit te kijken.
"Het zal zo'n vijf jaar geleden zijn, denk ik, toen Willem langer dan gebruikelijk aan wal bleef. In en rond het dorp hield hij zich op amoureus gebied al geruime tijd rustig. Hij was immers zo langzaamaan bij de meeste vrouwen wel bekend. Vermoedelijk daarom ging hij in de naburige stad uit vrijen. Op een avond kwam hij doodsbleek en helemaal over stuur de herberg binnen. Niemand kon echter een woord uit hem krijgen. Hij dronk enorme hoeveelheden en ook toen maakte hij geen mens wijzer. Hij ging er met de dag slechter uit zien, tot de vrouw, die zijn huis een keer per week schoonmaakte, hem met hoge koortsen aantrof. In zijn angstdromen schijnt hij haar wel het een en ander verteld te hebben. Veel wilde ze er natuurlijk niet over zeggen, maar sindsdien wordt er hier en daar gefluisterd, dat één van zijn liefjes na 'n zwangerschap van enkele maanden plotseling was overleden.
Hij zou haar zelf hebben gevonden, juist voor ze stierf. Sinds die dag is Willem niet meer naar de meisjes gegaan. Hij heeft nog slechts één zeereis gemaakt, waar hij mank van terugkwam. Hij wil er nooit een enkel woord over loslaten. Hij herstelde maar langzaam en is niet meer dezelfde. Na aanschaf van een paard en wagen, brengt hij vracht van en naar de stad. Hij is nog steeds een vriendelijk mens, maar op een andere manier. Na zijn ziekte heeft hij zelfs nooit meer 'n druppel sterke drank gedronken."
"En hij beterde zijn leven, en ging elke zondag trouw naar de kerk."
Dit hadden normale woorden kunnen zijn, als Enrike ze niet zo vol bitterheid had uitgesproken.
"Zeg eens…," begon ik, maar bij het zien van zijn strakke gezicht, liet ik mijn vraag achterwege.

Op weg naar huis moest ik onwillekeurig over onze gesprekken nadenken. Hoe meer we praatten, hoe meer vragen er in mijn hoofd opkwamen. Waarom bijvoorbeeld was zo'n ontwikkelde jongen als molenaar gaan werken? Op een avond, toen hij mij op de bank voor ons huis had aangetroffen, was ik verdiept in een van mijn prachtige platenboeken. Hij keek geïnteresseerd toe en we raakten over het onderwerp aan de praat. Later besefte ik, dat hij beslist niet alleen de lagere school kon hebben doorlopen. Weliswaar had ik hier niet met een student te maken, daarvoor was hij bovendien te jong, maar hij wist meer van kunst en geschiedenis dan onze gemiddelde dorpsjongen.
Ook viel het mij op dat hij meer vroeg dan hij vertelde. Op het moment dat zijn familie of afkomst ter sprake dreigde te komen, ging hij ongemerkt op een ander onderwerp over. Hoe kwam hij aan geld om van te leven? Daar stond tegenover dat ook ik van mijn ouders langer naar school had gemogen. Werken met hout had mij bijzonder geboeid, hoewel mijn vader mij liever als onderwijzer of boekhouder aan het werk had gezien. Zelfs de handel was nog ter sprake gekomen. Maar wat mij betreft was en bleef het 't timmermansvak.
Bij thuiskomst vertelde moeder dat ze Enrike die middag met kleine Teuntje in het bos had ontmoet. Het jongetje had allerlei bloemen geplukt, die Enrike voor hem moest bewaren. Bij het zien van mijn moeder keek Enrike verlegen opzij, iets mompelend over de herbergier die Teuntje.....
Om hem verder niet in verlegenheid te brengen, was mijn moeder na een haastige groet doorgelopen.
"Misschien houdt hij bijzonder veel van kinderen," opperde ik, ondanks mezelf ook een beetje bevreemd. Als ik op welk tijdstip dan ook, de molen passeerde zag ik Enrike bijna altijd aan het werk.

Die zaterdag vroeg hij mij of ik zin had met hem de herberg te bezoeken, en hem te leren biljarten. Ik stemde verheugd in, omdat ik me normaal gesproken niet zo graag tussen de ruwe gasten begaf. Maar samen met hem had ik er wel zin in. Ik had de laatste tijd hard gewerkt, dus kon ik wel een verzetje gebruiken. De avond was nog warm na een van de eerste zomerse dagen. We slenterden door de dorpsstraat en keken naar de aanplakbiljetten van de bioscoop. Enrike zuchtte spijtig.
"Als ik ooit een beetje succes heb met de molen, tracteer ik je op een avondje naar de film. Je hebt me al zoveel geholpen sinds ik hier ben komen wonen."
"Bewaar dat uitje maar voor je toekomstige meisje," antwoordde ik grinnikend. Zijn toon was onverwacht ernstig toen hij zei dat hij daar voorlopig helemaal niets voor voelde. Ik keek opzij, maar Enrike stond gebukt, om de hond van de veldwachter te aaien.
In de herberg was het rokerig en druk. Aan de toog hingen mannen elkaar sterke verhalen te vertellen. Aan de tafeltjes langs de kant werd gepraat of gekaart. Het biljart was nog vrij en ik begon hem, in afwachting van een biertje, de grondbeginselen van het spel uit te leggen. Aangezien ik het jaren geleden al dikwijls met mijn vader had gespeeld, ging het mij natuurlijk een stuk beter af dan hem. Hoewel ik een beetje 'roestig' was geworden, bij gebrek aan oefening. Later, er wilden ook anderen hun krachten beproeven, zaten we tegenover elkaar en hadden het over mijn werk.
"Ik wilde vroeger altijd kinderarts worden," vertrouwde Enrike me onverwachts toe. "Maar hoewel ik een paar jaar h.b.s. heb gevolgd, was dáár bij ons thuis nu ook weer geen geld voor."
"Je had dan sowieso naar het gym moeten gaan."
"Dat was aanvankelijk ook de bedoeling. Mijn grootvader had dat heel graag gezien en bekostigd. Net in die tijd is hij gestorven, en ging het feest niet door."
"Waarom kinderarts, als ik vragen mag?"
"Omdat twee zusjes van mijn vader heel jong zijn overleden. Mijn grootvader vertelde mij altijd dat ze misschien gered hadden kunnen worden, als de dokters meer van kinderziekten zouden hebben begrepen. De laatste tijd beginnen ook enkele artsen zich in die richting te verdiepen."
"En hoe is het, molenaarsjochie, ga je binnenkort malen?" schreeuwde iemand vanaf de toog, middenin ons gesprek, dat nog zelden zo persoonlijk was geweest.
"Nee," schamperde een ander, "hij is liever kindermeisje voor Teuntje."
Er volgde een daverend gelach waarin ik Enrikes gezicht donkerrood van woede zag worden. Voor ik goed en wel besefte wat er gebeurde, vloog hij overeind en stond met gebalde vuisten tegenover de laatste spreker.
"Zeg dat nog eens, lefbek!" schreeuwde Enrike, met overslaande stem, net tegen een van de sterkste vechtersbazen van het dorp.
Oh God, dacht ik, hij kan niet tegen bier. Hoewel ik het ook een grove belediging vond, had hij bij Rinus de slagersknecht beter zijn schouders kunnen ophalen, en desnoods de herberg verlaten. Nu vreesde ik voor de afloop.
"Ben je dan zijn kindermeisje niet?" treiterde de knecht, "ik heb je toch al een paar keer met het jong in het bos zien lopen."
Toen Enrike hem razend snel een vuistslag tegen z'n kaak gaf, kwam de herbergier juist van achteren, waar hij een nieuw vat was wezen halen. Ik was ook hevig geschrokken overeind gesprongen en beiden haastten we ons naar de vechtenden toe. Hier kon niets goeds uit voortkomen. Op een ding had ik echter niet gerekend: Enrike was tenger en snel en sprong als een razende om Rinus' vuist te ontwijken. Dit kon echter niet lang duren. De waard pakte Rinus bij een arm, terwijl ik Enrike naar achteren trok. Die keek me aan met een vertrokken gezicht waarin de ogen fel van woede stonden.
"Laat me los! Ik kan mezelf heus wel verdedigen."
"Kom mee naar buiten, Enrike, iedereen verliest van hem. Met deze kerel moet je niet vechten. Al is hij nog zo grof."
Ik trok aan hem, terwijl de waard Rinus met nog twee andere mannen vasthield. Hij had door zijn afwezigheid de aanleiding tot het gevecht gemist, wat gegeven het onderwerp misschien wel zo goed was. Buiten stonden Enrike en ik hijgend tegenover elkaar. Zijn woede richtte zich nu tegen mij.
"Moet ik me door zo'n…, zo'n bullebak op m'n kop laten zitten?" brieste hij, terwijl hij niet stil kon staan.
"Als hij òngelijk heeft…"
Enrike wachtte het vervolg van mijn zin niet af en rende door de dorpsstraat, om de hoek om te verdwijnen. Daar stond ik dan. Verdwaasd, door een onbegrijpelijk gevoel bevangen. Ik kon deze jonge kerel niet volgen. Kon hij er dan niet boven staan? Kon hij dan niet met eigen ogen zien, dat hij, hoe dan ook, geen partij was voor deze 'bullebak' zoals de vent in beschonken toestand inderdaad genoemd kon worden. Ik liep naar binnen om onze drankjes af te rekenen. Daar leken de gemoederen enigszins bedaard, hoewel iemand niet kon laten nog een neerbuigende opmerking over dat 'maatje' van mij te maken. Ik haalde mijn schouders op en ging naar huis, omdat ik totaal niet meer in de stemming was nog langer te blijven. Het serieuze gesprek wat we net voor de ruzie waren begonnen, was nog niet uit mijn hoofd verdwenen. Toch voelde ik me ook geërgerd door Enrike, die eerst zijn boosheid op mij had gericht, om daarna ijlings en zonder groet te verdwijnen. Langzaam liep ik naar huis. Diep in gedachten. Ontevreden over het vervelende einde van de dag.
Thuis aangekomen vroeg mijn moeder me, nog voor ik binnenstapte, naar de buurvrouw te gaan. De hond was aan het jongen, en ze was zo ongerust. Omdat ik wel vaker had 'geholpen', vond ze het altijd prettig wanneer ik bij de gebeurtenis aanwezig kon zijn. Toen ik me naar het buurhuis haastte, kon ik het gevoel niet helemaal van me af zetten dat er iemand bij mijn moeder op bezoek was. Maar toen ik anderhalf uur later een stuk opgewekter thuiskwam, nadat het teefje aan acht prachtige kinderen het leven had geschonken, was mijn moeder alleen en repte ze niet over een bezoeker.
De volgende morgen stapte ik de zonnige tuin in en zag Enrike met bungelende benen en een schuldig gezicht op het hek zitten. Terwijl hij woorden van spijt mompelde, legde hij een prachtige, kleine fossiele steen in mijn hand. Ik keek er verrast naar en hoorde hem ondertussen zeggen dat hij inderdaad niet aan bier gewend was.
"Ik had beter niet met die vent kunnen gaan vechten, maar... wat was-ie gemeen, zeg."
"Let je dan zo regelmatig op Teuntje?" kon ik niet nalaten te vragen, terwijl ik hoopte, dat hij mij niet van een veroordeling verdacht.
"Ik ben hem 'ns op weg naar de post in tranen tegen gekomen. Om hem te kalmeren deed ik een paar kiekeboespelletjes met hem. Sinds die tijd kan ik me niet in de buurt van de herberg vertonen. Als hij me ziet, rent hij naar buiten en wil eigenlijk niet meer weg. Ik heb toen beloofd dat hij één keer per week met mij mee mocht. Ik houd hem in de molen bij me, of ga met hem naar het bos. Hij plukt bloemen en ik leer hem kransen vlechten. Dat gaat natuurlijk moeizaam, maar ik deed het hem voor en hij wilde het leren. In de zandverstuiving vlakbij het ven, bouwen we kastelen, als het weer het toelaat."
Rood tot in zijn haar zweeg hij, wat zijn ongemak waarschijnlijk alleen maar groter maakte.
"Ik heb op de een of andere manier ook een zwak voor Teuntje," kwam ik hem te hulp. Verrast keek hij op en begon enthousiast te vertellen.
"Als je ziet hoeveel hij in die paar weken al heeft bijgeleerd. Zijn kransen zijn natuurlijk nog rommelig en hij wordt regelmatig boos of verdrietig, maar met grotere dingen als kastelen gaat het al echt goed. Ook laat ik hem met een stuk witte steen op mijn stoep tekenen. Dan drinkt hij nog wat limonade, waarna ik hem terugbreng. Als je eens wist wat die middagen betekenen. Het is zo'n vrolijk mannetje, om om me heen te hebben in die stille molen."
"Had je vroeger kleine broertjes?"
Hij aarzelde even alvorens te antwoorden.
"Mijn tante was nogal ziekelijk. Daardoor kwam haar zoontje regelmatig maanden bij ons wonen. Hij is inmiddels wat groter en mijn oom is na mijn tantes dood hertrouwd."
Vanachter de half open keukendeur, riep mijn moeder of we zin hadden in een kopje chocolademelk met zelfgebakken frambozentaart, van de struiken uit onze eigen tuin.
"Zo vroeg in het jaar toch nog niet?"
"Nee, nee, van de inmaak natuurlijk," lachte mijn moeder. "Het moet eerst nog zomer worden, eer de nieuwe oogst komt."
Schoorvoetend volgde Enrike me naar de bank bij het huis.
We praatten wat over het weer, de tuin en de vogels. Enrike vertelde dat hij altijd met zijn vader mee mocht. Hij had hem geleerd hoe hij de tuin- en bosbewoners kon herkennen. Hij had met zijn vader eindeloos geoefend, en kon inmiddels een paar aardige imitaties weggeven. Enrike stelde me voor om, als ik zin had, binnenkort eens vroeg met hem mee te gaan. Over een dikke week wilde hij met malen beginnen, en dan zou hij daar misschien niet meer zoveel tijd voor hebben. Terwijl mijn moeder de laatste hand legde aan het middageten, keek Enrike geïnteresseerd toe.
"Ik moet toch af en toe een nieuw gerecht leren klaarmaken," lachte hij, "er is niemand die anders een beetje voor wat afwisseling zorgt."
Prompt vroeg mijn moeder hem te eten, wat hem opnieuw een blos van verlegenheid bezorgde.
"Het was absoluut niet mijn bedoeling om…"
"Stil maar," suste mijn moeder met een glimlach, "dat weten we toch."
"Onze Enrike is de onafhankelijkheid zelve," kon ik niet nalaten op te merken. "Zoveel mogelijk alles alleen doen, geen onaangekondigde bezoekjes, en vooral niet te veel liefdadigheid."
"Kom Jort," greep mijn moeder ijlings in, "zo is het wel goed. Anders loopt onze zondagmiddaggast onmiddellijk de deur uit en dat was toch niet de bedoeling?"
En inderdaad, Enrike stond al met de klink van de achterdeur in zijn hand.
"Ik plaagde je maar een beetje," probeerde ik de situatie snel te redden.
"Echt?"
Enrike's stem klonk zo jong opeens, dat we in de lach schoten, totdat hij ook meedeed, als een boer met kiespijn, zou ik zeggen.
"Dat was ongewoon scherp van je, Jort," wees mijn moeder me terecht, toen Enrike na een genoegelijke maaltijd, met veel 'dankjewels' was vertrokken.
"Voor een jongen van zijn leeftijd is hij ook ongewoon op zichzelf," antwoorde ik een beetje geërgerd.
"God weet welke redenen hij daarvoor heeft."
"Hij vertelt nooit iets over zijn thuis, nou bijna nooit tenminste, als je het hem niet nadrukkelijk vraagt."
"Voel jij je soms gekwetst, Jort, omdat je zoveel voor hem doet, zonder dat hij je kennelijk in vertrouwen neemt?"
Die was raak, moest ik toegeven. Enigszins terneergeslagen slenterde ik de deur uit. Zonder te helpen met de afwas, ontdekte ik later, toen ik mezelf terugvond bij de rivier. Na al die weken, ten dele samen, ten dele alleen in mijn werkplaats bezig met het herstel van de molen, vond ik het inderdaad moeilijk dat hij zo weinig over zijn verleden losliet. Nauwelijks verhalen over zijn ouders. Nooit een enkele verwijzing naar waar hij vandaan was gekomen en waarom hij niet meer thuiswoonde. Iets waar ik niet eens naar durfde vragen, omdat hij sowieso erg op zijn hoede was zodra familiebetrekkingen ter sprake kwamen. Natuurlijk had ik begrip en respect voor het feit dat hij niet van ons afhankelijk wilde worden, maar verdomd nog aan toe, hij was toch ook nog zo ontzettend jong! Als ik alleen in de wereld zou staan, zou ik zulke hulp dan verwelkomen, of zou ik net zo gereserveerd zijn als hij? En waarom was zijn vertrouwen eigenlijk zo belangrijk voor mij? Ik voelde me ontzettend bij zijn plan betrokken, misschien wel teveel. Boos gooide ik steentjes over het water. Enrike was op het dorp een van de eerste jongens, waar ik me bij op mijn gemak voelde. De meesten waren òf te stoer en niet bereid of in staat een behoorlijk gesprek te voeren, òf ze gedroegen zich te hooghartig, omdat ik als timmerman niet tot hun klasse behoorde. Enrike bleek mijn interesse voor kunst te delen en ook kon ik met hem over de boeken praten die ik gelezen had. Soms vroeg hij mij hem de een of andere techniek te leren, zodat hij dat straks zelf zou kunnen. Het was vanwege al die kleine dingen, dat ik graag in zijn gezelschap verkeerde. In gedachten op dit punt aangekomen, werd de stilte om me heen verbroken. Uit de verte klonken er stemmen over het water. Toen verscheen er na de bocht een roeibootje, met daarin drie meisjes en twee jongens uit het dorp.
"Hé Jort," schalde het in koor, "ga je mee roeien? We hebben er nog een tekort."
Ach, kan mij het ook schelen, dacht ik, en met mijn broek opgerold, sokken en schoenen in de hand, waadde ik naar de boot en klom aan boord.
Twee dagen later, we hadden elkaar sinds zondag niet meer gezien, liep ik in de richting van de molen. Ik had een houten onderdeel over mijn schouder, dat ik in de werkplaats voor hem had bewerkt en pasklaar gemaakt. We waren vergeten iets af te spreken, dus liep ik op goed geluk het pad op. Vanuit de verte zag ik Enrike al op zijn bankje zitten. Dat was ongewoon rond deze tijd van de dag. Zeker in aanmerking genomen dat hij binnenkort wilde gaan malen. Zijn gezicht stond strak en, zo meende ik te zien, ontoegankelijk.
"Niet aan het werk, Enrike?" vroeg ik voorzichtig.
"Ah, fijn, daar heb je dat ontbrekende deel al. Dat is snel gebeurd. Je moet het maar allemaal naast je gewone werk doen."
"Ik weet toch dat je binnenkort wilt gaan malen."
"Toch evengoed bedankt. Koffie?"
Toen hij met twee mokken terugkwam, leek hij niet meer zo gespannen en terwijl we dronken, praatten we nog wat. We pasten het stuk hout dat ik had meegebracht en hij liet mij zijn woonkamer zien, waar hij eindelijk het een en ander in had durven zetten. Behalve de tafel en het bankje die er al stonden, was er een oude schommelstoel, de kussens zo te zien opnieuw bekleed. Bij het raam stonden twee rieten fauteuils en tegen de wand had hij, met behulp van mijn aanwijzingen een open rek gemaakt. Daar had hij nu wat borden en mokken in gezet. Er was ook nog een rond tafeltje met een plant erop.
"Heb ik van de bakkersvrouw gekregen," meldde hij, toen hij mij er naar zag kijken. "Ze weet dat ik van planten houd."
"En die kussenbekleding, een cadeautje?"
"Zelfgemaakt."
"Wat? Kun jij naaien?"
Enrike schoot in de lach, de eerste keer die dag.
"Kleermakers zijn toch ook mannen."
Daar had hij gelijk in, maar toch. Omdat ik zeker wist dat er nog iets was dat ik wilde zeggen, aarzelde ik nadenkend in de deuropening. Op dat moment bukte hij zich en gooide een bal in mijn richting, die hij zomaar ergens vandaan viste.
"Hé, joh!" riep ik, toen ik het ding naar hem terugschopte, "je gooit onderhands, als een meid!"
En terwijl ik lachend wegliep zag ik nog net dat hij stil achterbleef, met een rood hoofd, zonder weerwoord of groet.

Die nacht werd ik midden in mijn eerste slaap gewekt. Onder mijn raam, aan de voorkant van het huis, liepen een stel kroegmaten luid lachend en elkaar op de schouders slaand voorbij. Flarden van zinnen bereikten me en deden me onmiddellijk rechtop in bed gaan zitten.
"…mooi te pakken … lesje… niet lang meer of… die kindermeid."
En met het laatste woord herkende ik Rinus, de slagersknecht. Met een sprong stond ik naast mijn bed. Ik kleedde me vliegensvlug aan krabbelde 'Ik ben naar de molen' op een briefje en pakte mijn fiets uit de schuur. Er brandde geen kaars of olielamp achter het raam. Toch zou ik durven zweren dat Enrike wakker was. Ik zette mijn fiets tegen het hek en klopte zachtjes aan, terwijl ik mijn naam riep. Onmiddellijk ging de deur open en Enrike stond trillend voor me.
"Hoe lang is dit al gaande?" vroeg ik, geschokt en boos tegelijk.
Hij opende de deur verder en sloot hem meteen weer achter me, nog steeds zonder woorden. Moeizaam ontstak hij de lamp. Ik pakte een glas en schonk wat water voor hem in en duwde hem zachtjes op een stoel.
"Hoe wist je dat…"
"Ik weet niet wàt er precies gebeurd is, maar ik hoorde Rinus en z'n maten onder mijn raam door komen schreeuwen. Uit hun woorden meende ik op te kunnen maken dat ze bij jou vandaan kwamen."
Enrike's lippen trilden nog steeds. En hoewel ik aanvankelijk dacht dat het van angst was, sprak er boosheid uit zijn woorden, oftewel woede, ingehouden woede. Hij vertelde, moeizaam sprekend, dat ze gekomen waren. Al voor de derde nacht achtereen. Ze rammelden met kettingen en maakten spookgeluiden. Één had er zich als een duivel verkleed. Die schreeuwde dat vrouwen en kindermeiden nooit oud werden in de molen, tenzij ze een verbond met hem sloten. De rillingen liepen me over m'n rug. Niet omdat ik aan de waarheid van de legende geloofde, maar omdat het zo intens gemeen was. Bovendien...
"Bovendien weten ze dat ik hier alleen ben. En alleen tegen die drie heb ik geen schijn van kans als er echt iets zou gebeuren," vervolgde Enrike mijn eigen gedachtegang. "En moeten ze me nou werkelijk belachelijk maken omdat ik Teuntje regelmatig onder mijn hoede neem?"
"Ik vrees dat het iets zegt over de mate van hun onbenulligheid."
"Zouden ze me hier weg proberen te krijgen, nog voor ik heb kunnen beginnen met malen?"
Weer beefde z'n mond en ik meende een schittering in z'n ogen te zien.
"Ik durf het niet te zeggen. Dit soort lui hebben wel vaker wrede grappen. Maar echt gevaarlijk zijn ze meestal niet."
Dat verklaarde in elk geval zijn stugheid van gisteren.
"Weet je, Enrike, ga vannacht met me mee naar huis, naar moeder en mij. Anders doe je geen oog dicht en dan ben je op den duur niks meer waard."
"Graag," stemde hij opgelucht toe, "al is het normaal niet mijn gewoonte zo snel te capituleren."
"Wat je snel noemt, na drie nachten."
Hij was in een dikke ochtendjas gekleed en wilde natuurlijk niet zo over straat.
"Ga jij vast naar buiten, dan kleed ik me aan en blaas het licht uit."
Even later stapten we thuis de keuken in, waar we moeder aantroffen, eveneens in nachtkleding. We vertelden haar wat er gebeurd was en na een beker warme melk met salie en honing, wezen we Enrike het logeerbed. Onder mijn eigen dekens kon ik niet meteen slapen. Als dit zo doorging zag ik Enrike veranderen van een hoopvolle, moedige jonge kerel in een mens vol spanning en woede. Dat mócht niet gebeuren. En de molen moest malen. Misschien, dacht ik op het punt van inslapen nog, zou ik 'ns met Geert, de herbergier kunnen gaan praten. En met die geruststellende gedachte gleed ik het land der dromen binnen.

Toen ik beneden kwam zaten Enrike en moeder al aan de keukentafel. Hij zag er een beetje bleek maar beheerst uit. En toen ik vertelde dat ik erover gedacht had een woordje in het oor van de herbergier te fluisteren, kwamen ze samen met een ander idee. Het was namelijk niet geheel ondenkbaar, en daar hadden ze wel gelijk in, dat de mannen dat laf zouden vinden, met nog meer vergelding als gevolg.
"We moeten ze een beetje bang maken, zou ik zeggen," opperde moeder en legde mij haar plan voor.
Die middag fietste ik naar de oude biologieleraar van mijn vroegere middelbare school. Ik vertelde hem mijn verhaal en vroeg hem om zijn hulp, me wel van het uitzonderlijke verzoek bewust. Hij luisterde aandachtig. Natuurlijk moest hij met het schoolhoofd overleggen, maar als die accoord ging, zegde hij mij alle medewerking toe. Daarna ging ik op zoek naar Wilde Willem om te vragen of ook hij ons kon helpen.
Tenslotte liep ik nog bij Tjipke, de jonge schoolmeester aan en vroeg hem ons vannacht gezelschap te houden. We spraken om tien uur af bij de molen. Rond elven hadden we het licht gedoofd en zaten gespannen in het donker te wachten. Al gauw hoorden we de drie drinkebroers aankomen. Tjipke en ik slopen naar buiten en verstopten ons bij de boom naast het pad. Weer herhaalde zich het tafereel dat Enrike ons had beschreven. Toen ze vlakbij de molen waren, zwegen de stemmen echter abrupt. Er knetterde een vloek door de stille avond.
"Moet je dat zien!" bracht Rinus uit en hij wees met een bevende hand naar onze verrassing boven het pad. Met een geleend skelet, goed aan de boom bevestigd, en een lichtje in de schedel, hadden we op hun angst en hun benevelde geesten gerekend. En inderdaad. Met witte gezichten draaiden ze zich om, terwijl wij een spookachtig gehuil probeerden voort te brengen. Ze renden struikelend het pad af en verdwenen ijlings in de verte. Enrike was in de deuropening verschenen en we grepen elkaar lachend bij de schouders.
"Stelletje schijtebroeken!" riep Tjipke. "Helden op sokken!" beaamde Enrike, terwijl we alledrie nog nalachten. Toen gingen we onmiddellijk aan het werk. We doofden voorzichtig het lichtje in de schedel en haalden het skelet naar beneden. We legden het in Enrike's schuurtje, waar Wilde Willem het morgenvroeg zou ophalen om het samen met mij weer netjes bij de school af te leveren. Verheugd dat ons idee, al was het wel luguber, zo goed gewerkt leek te hebben, namen we afscheid van Enrike, die ons hartelijk bedankte en gingen aan het eind van het pad ieder ons weegs.

De volgende dag besloot ik Geert de herbergier op te zoeken om hem het stoofje voor Teuntje eindelijk te brengen. Tegen mijn gewoonte in was het enigszins in het vergeetboek geraakt, door mijn bemoeienis met het werk aan de molen. Maar toen ik hem een beetje beschaamd probeerde uit te leggen, waarom het zo lang had geduurd, wuifde hij mijn bezwaren weg.
"Zolang je voor die jonge kerel werkt, zul je mij niet horen. Het is niet te geloven wat die met mijn Teuntje doet. Hij gaat zo vooruit en hij luistert ook beter. Als hij zijn naam maar hoort, is hij niet meer te houwe."
En inderdaad, toen ik hem vertelde dat het nu niet lang meer duurde, eer Enrike zou kunnen gaan malen, greep Teuntje mijn arm en stond naast me te springen.
"Rike! Rike!" riep hij met zijn hoge stemmetje. Bijna schoot ik in de lach, omdat ik Geert nog maar zelden zolang had horen praten en natuurlijk ook om de uitbundigheid van het kind. Gelukkig kon ik hem afleiden met wat ik voor hem had meegenomen. Samen, ik op mijn hurken naast hem, pasten we de vormpjes door de gaten in het deksel. Het zou hem niet meevallen, het boompje, het huisje, de kat en de hond in de goede openingen te krijgen. Er waren ook nog een zon en een maan, maar ik wilde nog wat te ontdekken voor hem overlaten. Door net te doen of ik alles wegtoverde, maakte ik hem begerig het ook zelf te proberen. Daarna nam ik afscheid met een aai over zijn koppie en een groet voor de herbergier.

De volgende dagen had ik het druk met mijn werk. Wel kwam Enrike nog vertellen dat hij die nacht ongestoord had geslapen. Een andere keer zag ik hem net de straat uit lopen, toen ik 's avonds thuis kwam. Moeder vertelde dat ze hem over had gehaald van de opening van de molen iets feestelijks te maken. Hij had het idee, enkel een bord op te hangen en gewoon maar te kijken wie er zouden komen.
"Dat is nou bepaald niet zakelijk van je, Enrike," had mijn moeder hem lachend gezegd. Daarom bood zij aan een heleboel koekjes te bakken en die bij een beker koffie te presenteren. Dat zou het de mensen hier veel gemakkelijker maken weer bij hem klant te worden. Tenslotte had de molen lang leeggestaan en ook daarvóór deden er sombere verhalen de ronde. Gaandeweg was Enrike voor haar plan gaan voelen en had hij haar advies opgevolgd om nog een aankondiging in het plaatselijke huis-aan-huis blaadje te laten zetten. Nu hoefde hij alleen nog maar proef te draaien en dan kon hij officieel beginnen.
En op de eerste zaterdag van mei was het dan zover.
Al vroeg waren we paraat om alles klaar te helpen zetten. Ik had voor deze gelegenheid natuurlijk mijn werkplaats gesloten. Tot onze verrassing kwamen er een heleboel mensen. De herbergier was er met Teuntje, die van Enrike had geleerd waar een molen voor diende. De bakker had zijn winkel aan zijn vrouw en dochters overgelaten, om 'ns te zien of hij weer klant bij de molen wilde worden. De veldwachter was er en de schoolmeester. En verder verschillende dorpsgenoten en bewoners van de omliggende boerderijen. Daar bakte men dikwijls nog zelf, met een aantal meiden en knechten in dienst waren er wel een aantal broden per dag nodig.
Ik bood mezelf aan als afwashulp, terwijl moeder rondging met koffie en koekjes. Enrike liep te midden van zijn gasten. Praatte met hen op zijn eigen verlegen manier. Op een gegeven moment vroeg Tjipke
de schoolmeester om een ogenblik stilte en hield een kleine toespraak. Met het losmaken van de wieken, samen met Teuntje, was de opening een feit. Iedereen klapte en er heerste meteen een feestelijke sfeer. Gelukkig waren Rinus en z'n maten niet van de partij. Wel hoorde ik een vrouw aan een ander vragen waar die jonge vent toch zo opeens vandaan gekomen was. Maar alles verliep verder prima, zodat we later met een mok koffie tevreden rond onze keukentafel zaten en terug konden kijken op een geslaagde dag.

De opening werd gevolgd door een periode van warm weer voor de tijd van het jaar. We zaten dan ook regelmatig 's avonds na het werk buiten op de bank. Moeder borduurde en ik las of sneed een figuurtje uit een stuk hout. Dikwijls kregen we gezelschap van Enrike. Dan praatten we wat of schaakten, het bord op een tafeltje tussen ons in. Met de molen ging het goed. Er kwamen steeds meer klanten en Enrike had besloten het assortiment wat uit te breiden. Buiten Rogge- tarwe- boekweit- en gerstemeel, verkocht hij zaden, bonen en mais.
Op hemelvaartsdag besloten we te gaan dauwtrappen. Rond vier uur 's morgens vertrokken we met koffie en brood terwijl Enrike nog snel een verrekijker meenam.
Wat slaperig liepen we over de bedauwde velden, omringd door het gezang van vele vogels. Enrike leerde me de leeuweriken kennen, de tjiftjaffen en de mezen. Evenals de merels, die meestal het eerste begonnen. We hoorden zelfs het miauwen van een buizerd op jacht. Het duizelde me na verloop van tijd, zodat we besloten aan het ven ons ontbijt te verorberen.
"Zullen we deze zomer een keer gaan zwemmen?" vroeg ik, loom uitkijkend over het water.
"Hmm, liever niet", antwoordde Enrike, een beetje terughoudend, "Ik kan niet zwemmen."
"Dan leer ik het je toch?"
"Nou," aarzelde hij, "ik ben eigenlijk bang van water."
Lichtelijk verbaasd keek ik opzij. Enrike bang? Soms kon ik er geen touw aan vast knopen. Opeens moest ik er aan denken dat hij hier regelmatig met Teuntje naartoe ging. Wat zou hij doen als het kind te water zou raken en hij niet kon, niet durfde te zwemmen? Ik haalde mijn schouders op en liet het maar zo, vooral na een blik op Enrike's afwerende gezicht. Dus stonden we een beetje ongemakkelijk op, om de terugtocht te aanvaarden.

Een paar dagen later kwam de buurvrouw ons vragen of we nog eens naar het nest jonge hondjes wilden komen kijken. Ze waren al bijna groot genoeg om hun moeder te verlaten. Enrike, die juist met onze kat op schoot zat, keek spijtig van mij naar de buurvrouw.
"Ze zit net zo lekker bij me …"
Dus hielp moeder hem, door gauw een beetje melk op een schoteltje te gieten, zodat wij met een gerust hart konden vertrekken. De moederhond was een kruising tussen een herder en iets onbestemds. Haar kinderen waren bijna allemaal gevlekt. Twee hondjes leken echter nauwelijks bij het nest te horen, met hun geheel zwarte vachtjes.
"Wil je er eentje, Enrike?" vroeg de buurvrouw hoopvol, verlangend nog iemand te vinden waar ze een dier aan kon slijten. Gefascineerd zat hij op zijn hurken en staarde verliefd naar een jonkie met een vlek boven de smekende oogjes.
"Wat denk je Jort, zou ik het doen? Vroeger hadden we thuis ook grote honden, maar ik heb ze zelf nooit hoeven verzorgen."
"Dat leer ik je wel," sprong de buurvrouw onmiddellijk bij, verheugd dat ze hem leek te kunnen strikken.
Weer voegde ik een stukje aan de puzzel Enrike toe. Grote honden in het ouderlijk huis, een goede opleiding, hoewel waarschijnlijk niet afgerond, vermoedelijk geen onbemiddelde ouders. Daarentegen een oom die hem het molenaarsvak leerde, al zo jong een eigen bedrijf, nooit familie of vrienden over de vloer. Hij bleef een raadsel. Toen realiseerde ik me dat Enrike nog steeds verwachtingsvol naar me opkeek.
"Je kunt het toch altijd proberen, een huisgenoot lijkt me wel gezellig, hoewel…"
"Hoewel?"
"Dan moeten jouw hond en onze kat wel vriendschap kunnen sluiten."
Maar de buurvrouw stelde hem gerust, aangezien de kat hier een dagelijkse bezoeker bleek te zijn, niet altijd tot vreugde van de moederhond. Dus vertrokken we met de opdracht een naam te verzinnen voor de nieuwe molenbewoner.

Helaas bracht Pinksteren een weersomslag. Dagen vol regen en wind temperden onze wederzijdse bezoeken een beetje. Ook had ik in die periode een lastige klus onder handen. Ik had beloofd een oude kast te restaureren, die er heel wat erger aan toe was dan ik had gedacht. Gelukkig bleven de pesterijen van de maten uit de herberg nog steeds achterwege.
Op een middag, de zon scheen eindelijk weer eens uitbundig, besloot ik te gaan fietsen, aangezien ik vond dat ik wel een beetje ontspanning verdiend had. Na de kilte voelde de wind lauw aan en er heerste een wonderlijke rust in het bos om me heen. De vogels leken ook wel een middagslaapje te doen. Deden zij zoiets eigenlijk, vroeg ik me onwillekeurig af. Er zoemde een enorm insect om mijn oren, die me deed schrikken, waardoor mijn fiets een slinger maakte en haast van het pad afschoot. In de verte blafte een hond.
Morgen komt Enrike’s huisgenoot, herinnerde ik me een beetje afwezig. Spot. Een vreemde naam had hij bedacht, maar ach, wat was er nou eigenlijk gewoon aan Enrike. Gedachteloos had ik de weg naar het ven genomen. Ik stapte af en zette mijn fiets tegen een dikke eik. Het was een vredige plek. Een ven omzoomd door bomen, met als contrast de zon, die fel op het water scheen. Terwijl ik daar zo stond, werd mijn aandacht getrokken door een lichte beweging uit de richting van het struikgewas. Ik keek opzij en zag Enrike daar liggen, zo te zien diep in slaap. Toch moest hij het geweest zijn, die het gerucht veroorzaakt had. De zon raakte net z'n voeten en hij sliep met zijn arm onder zijn hoofd. Vlakbij hem hing een kletsnatte handdoek te drogen aan een boomtak. Mijn gedachten waren nog bezig met de verwondering over wat ik zag, toen mijn blik langs zijn halfopen overhemd gleed en...
Nogmaals keek ik, ongelovig, verbijsterd, in zekere zin gegeneerd. Dit, dit wat ik hier zag kon gewoon niet waar zijn! Maar toch...
Terwijl ik op het punt stond me om te draaien, werd Enrike wakker en keek me aan. Eerst slaperig, maar daarna zag ik het begrip dagen in zijn ogen, toen z'n hand z'n overhemd dichttrok. We staarden elkaar aan. De tijd duurde; het moment werd uitgerekt. Bijna wilde ik iets zeggen. Hem door elkaar schudden en tegen hem schreeuwen. In plaats daarvan beende ik weg. Weg van Enrike. Enrike die niet mijn vriend was, maar... Hier stokten mijn gedachten. Ik kòn het eenvoudig niet geloven: Enrike was een vrouw.
Ik greep mijn fiets en racete daar vandaan. Ik trapte en trapte en trapte, terwijl mijn bloed door mijn aderen gonsde. Ik keek nauwelijks waar ik reed. Achteraf was het nog een wonder dat ik zonder ongelukken een van mijn geliefde plekjes bij de rivier bereikte. Ik kwakte mijn fiets tegen de dijk en liet mij op een grote steen vallen.
Waarom-waarom-waarom? leek het enige wat ik kon denken. Later, toen ik enigszins tot rust was gekomen, kwamen er mij allerlei herinneringen voor de geest. Enrike die het zo goed met Teuntje kon vinden. Zijn, nee, háár handigheid in huis en in de keuken. De bekleedde kussens van de stoelen. Haar woede in het café en later in de molen. Haar bevende mond en de tranen, waarvan ik nu veel zekerder was ze te hebben gezien. Haar kwetsbaarheid op allerlei momenten. Waar kwam die woede vandaan en eerst en vooral: waarom deed zij zich voor als een jongen.
"God weet, welke redenen er voor zijn geslotenheid zijn," hoorde ik moeder in gedachten weer zeggen. Beschaamd dacht ik ook over mijn eigen woede na. Het gebeurde maar zelden dat ik zo kwaad werd. Maar het was ongetwijfeld omdat ik me in een vriendschap gewaand had tussen twee mannen. Ik was niet vergeten dat ik regelmatig geïntrigeerd was door het raadsel dat om Enrike leek te hangen. Ik voelde me bovendien op mijn gemak. Toch, als ik eerlijk was, had het contact met Enrike me ook af en toe een vage onrust bezorgd. Een, die ik niet goed had thuis kunnen brengen, en die ik nu mogelijk beter kon begrijpen. Want een vrouw, zo dacht ik, bracht toch een andere sfeer met zich mee dan een man. Misschien had ik mede daarom de behoefte gehad, samen met moeder, een beetje voor die verweesde jongen in de bres te springen. Hadden die kerels in het café... nee, dat kon niet waar zijn. Zij tolereerden enkel geen zorg voor een kind bij een jonge knul. Maakten het liever belachelijk. Maakten hèm liever belachelijk. Hoe moesten we elkaar de komende tijd in de ogen kijken. Want ik wist nu dat ik er niet met iemand over wilde of kon spreken. Zelfs met moeder niet. Toch realiseerde ik me dat dat moeilijk zou worden. Aangezien moeder mij kon lezen als een open boek. Met een zucht kwam ik overeind en reed met een kalm gangetje naar huis.

Toen ik de achterdeur opende, kwam mij een ongewone stilte tegemoet. De kat sprong van het aanrecht en er dwarrelde een briefje van de keukentafel op de grond.
"Jort, ik voelde me vanmiddag opeens helemaal niet lekker. Ben tegen mijn gewoonte in dus maar naar bed gegaan. Hoop me straks weer wat beter te voelen. Moeder."
De kat gaf kopjes tegen mijn benen en mauwde klaaglijk. Ook hij vond de situatie kennelijk erg ongewoon. Aangezien moeder inderdaad zelden ziek was, haastte ik me naar boven, naar haar slaapkamer. Met rode wangen en koortsige ogen keek ze naar me, terwijl ik in de deuropening stond.
"Zal ik de dokter halen, moeder?" vroeg ik, en ik hoorde hoe ongewoon mijn stem klonk. Toen ze wilde antwoorden werd ze door een hoestbui overvallen waar ze bijna niet uitkwam. Dus hielp ik haar met drinken en snelde daarna naar buiten. Op de terugweg kwam ik de buurvrouw tegen, die mij vertelde dat Enrike bij haar langs was geweest. Hij had gevraagd of zij het hondje nog een paar dagen kon houden, aangezien hij zich niet lekker voelde.
"Ook al niet," bromde ik, en vertelde haar dat ik net de dokter voor moeder was wezen halen.
Toen die kwam, stelde hij me echter gerust. Er heerste een griep die gepaard ging met korte, maar felle koorts, die gelukkig geen kwaad bleek te kunnen voor gezonde mensen.
"Je moeder is een sterke vrouw, jongen," sprak hij bemoedigend,
"Maar voor de zekerheid zal ik morgenavond toch nog even komen kijken. Probeer jij intussen gezond te blijven en zie of je eventueel wat sinaasappels voor haar te pakken kunt krijgen."
Met die woorden vertrok hij weer, mij in 'n vreemde stemming achterlatend in het stille huis.

Twee dagen later was de koorts inderdaad geweken en zat moeder, wat bleek nog, voor het eerst in de stoel bij haar slaapkamerraam. Ik had de trein naar de stad genomen en was met een aantal sinaasappels teruggekomen. Gelukkig bleek moeder, met behulp van de vitaminen en haar sterke gestel, opgewassen tegen die korte, hevige griep. Alleen haar hoesten was nog een doorn in mijn vlees.
"Moet je niet 'ns gaan kijken, Jort, hoe het met Enrike is?" opperde ze, "we hebben hem al een tijdje niet meer gezien."
"Die is ook ziek." antwoordde ik een beetje onverschillig.
"Daarom juist. Doe me een plezier, Jort, en ga er even heen. Die jongen ligt daar maar in z'n eentje."
Omdat ik het gevoel had dat het moeder erg zou bevreemden wanneer ik niet ging, zegde ik haar toe dat ik er na het werk even langs zou fietsen. Met lood in mijn schoenen sloot ik die middag mijn werkplaats en reed langzaam in de richting van de molen. Wat moest ik in vredesnaam tegen Enrike zeggen. De avond van mijn ontdekking dat Enrike een meisje was, was mijn woede langzaam overgegaan in bewondering. Ik had me gerealiseerd dat de restauratie en het werk op de molen bepaald niet gemakkelijk voor haar moesten zijn. Sommige karweien vereisten zelfs behoorlijk wat behendigheid en kracht. Toch had ze het allemaal moeten doen en was er geen enkele mogelijkheid geweest het als 'mannenwerk' op iemand anders af te schuiven. Behalve bij mij, was ze aan niemand hulp gaan vragen, terwijl de meeste molenaars toch op z'n minst één knecht in dienst namen. Ik begreep nu maar al te goed waarom ze dat in dit geval niet had kunnen doen. In onze onwetendheid waren we er van uitgegaan, dat Enrike misschien een jaar of zestien-zeventien kon zijn, maar nu was ik daar helemaal niet meer zo zeker van. Mogelijk was ze zelfs wel van mijn eigen leeftijd....
In de buurt van de molen gekomen, zette ik mijn fiets tegen een hek en wilde het laatste stukje lopen. De wind was met de avond gaan liggen en de wieken stonden stil, zag ik. Toen ik de hoek om kwam, werd ik door een enorm gekraak van takken begroet. Geschrokken keek ik op en zag Enrike, met een jong poesje in haar arm geklemd, angstwekkend wankelend, tamelijk hoog in de boom. Het kraken was veroorzaakt doordat ze al een stuk naar beneden was geschoten. Met een schreeuw sprong ik op de boom af, toen ik de laatste tak hoorde knappen en Enrike naar beneden zag glijden. Juist op tijd had ik de plek des onheils bereikt en haar op kunnen vangen, terwijl het kleine katje met gesis en gekrab uit haar armen op de grond belandde.
"Verdorie Enrike! hoe kon je zo iets gevaarlijks in je eentje doen!" snauwde ik tijdens een poging mijn evenwicht te hervinden met haar zo dicht tegen me aan. Op datzelfde moment voelde ik dat ze worstelde om los te komen en trof mij haar felle blik.
"Ik heb toch niet om je hulp gevraagd, wel?" schreeuwde ze me toe en duwde uit alle macht tegen mijn borst. Op mijn beurt nog kwader hield ik haar stevig vast, iets dat ik in normale omstandigheden nooit zou doen."Los!" schreeuwde ze, nog voor ik haar had kunnen antwoorden. "Laat me los!"
Daarbij schopte ze me tegen mijn schenen en sloeg me in mijn gezicht. Verbijsterd, maar ook nog kwaad liet ik mijn handen langs mijn lichaam vallen. Toen stonden we hijgend tegenover elkaar.
Dit kan niet echt zijn! schoot het door me heen.
"Wat bezielt jou in hemelsnaam, Enrike," bracht ik uit, terwijl ik met één hand aan mijn gloeiende wang voelde. Op dat moment piepte het poesje klaaglijk bij onze voeten en begon Enrike te huilen. Voorzichtig zette ik het kleine ding op Enrike's arm en duwde haar zachtjes naar binnen. Op de vensterbank naast de deur zag ik een bordje liggen met 'gesloten' erop. Dit hing ik buiten en deed de deur achter me dicht. Enrike was intussen hartverscheurend huilend, met het poesje op schoot in de schommelstoel gaan zitten. Ongevraagd maakte ik koffie voor ons beiden en hoopte dat ze intussen de tijd kreeg wat tot zichzelf te komen. Daarna ging ik tegenover haar zitten en wachtte. Ze dronk dankbaar haar mok leeg en droogde haar ogen. Steels keek ik naar haar in haar mannenkleren. Ze had het toch goed weten te verbergen. Zelfs nu ik het wist, viel het niet mee het te zien. Toen keek Enrike schuw op en zuchtte.
"Ik veronderstel dat je wel een verklaring wilt horen."
"Nou, als je denkt dat je…," ik zweeg ongemakkelijk.
Ze ging wat verzitten en aaide afwezig het katje.
"Een jaar geleden ben ik van huis weggelopen. Geloof me, daar had ik alle reden toe. Later, als ik," hier slikte ze, "als ik er aan toe ben, zal ik je daar misschien meer over vertellen. Ik had een oude, excentrieke oom, oom Herbert. Hij had nog weinig contact met de familie, behalve dan met mij. Om de een of andere reden was ik van meet af aan zijn lievelingsnichtje. Toen tante Clari nog leefde ging ik er zelfs dikwijls logeren. Om kort te gaan, bij hem was ik welkom. Hij bezat een wonderlijke passie voor molens. Daarom had hij er een, hoewel ik er niet zo zeker van ben dat hij de verdiensten nog nodig had. Hij was al oud toen ik bij hem kwam wonen. Er waren dingen gebeurd waardoor ik me vreselijk verdrietig voelde. Werken hielp, dus stond ik elke dag tegelijk met hem op en leerde zodoende het molenaarsvak. Ik deed alles. Op een gegeven moment was ik zeker net zo sterk als hij.
Ook zwierf ik soms uren rond in de omgeving. Op één van mijn tochten had ik deze molen leeg zien staan. Toen mijn oom vijf maanden geleden stierf, zomaar, onverwacht, zoals ik je vertelde, was ik verbaasd wat geld en wat spulletjes van hem te erven. De molen kwam aan zijn zoon, hoewel die helemaal niet geïnteresseerd was. Daarom aarzelde hij geen moment en verkocht alles. Ik weet nu dat mijn oom er nooit serieus over gedacht had, dat ik na zijn dood het bedrijf wel zou hebben willen voortzetten. Een vrouw hoort wel in een molen, maar alleen naast de molenaar, en als de moeder van zijn kinderen."
Haar stem stokte en even vulden haar ogen zich met tranen. Toen herstelde ze zich en beëindigde haar verhaal.
"Daarna zat er weinig anders voor mij op dan te vertrekken. Ik huurde de molen hier en een vriendelijke boer bracht mijn weinige bezittingen over. De rest weet je."
"Heet je echt Enrike?"
Het was misschien een onzinnige vraag, maar het leek opeens zo belangrijk. Ze knikte.
"Alleen schrijf je er nog een e tussen."
Langzaam was het donker om ons heen geworden. Juist toen ik wilde opstaan om de lamp te ontsteken, boog Enrieke zich naar me toe. Even, heel zachtjes, raakte ze mijn wang aan.
"Het spijt me zo Jort, dit, dit allemaal was niet voor jou bedoeld. Misschien dat je het ooit kunt begrijpen en me vergeven, als ik in staat ben je de rest te vertellen."
"En hoe ga je nu verder?"
Naast de ontroering door haar lieve gebaar, streden er allerlei vragen om de voorrang. Toch wist ik dat ik ze geen van allen kon stellen.
Inderdaad haalde ze haar schouders op.
"Zoals gisteren, vandaag en morgen; er moet toch brood op de plank komen. Voor het dorp ben ik nog steeds Enrike van de molen en dat wil ik nog wel een tijdje zo houden. Ik zal wel moeten trouwens."
Ik stond op om thuis eens te gaan kijken hoe moeder het maakte. Op weg naar de deur vroeg ik voorzichtig of het zou gaan voor vandaag.
"Ik maak nog wat te eten en dan kruip ik in mijn bed. Ik ben doodop," antwoordde Enrieke. Voor ik vertrok legde ik even mijn hand op haar hoofd. Ze legde de hare erover, één moment maar, doch dat maakte voor vandaag alles goed.

De volgende dag was het zondag. De dag waarop Enrieke altijd bij ons kwam eten. Moeder voelde zich zover hersteld, dat ze weer naar beneden kwam. Alles was bijna als vanouds, bijna. Alleen bij mij lag er nog het een en ander overhoop. Tijdens de maaltijd, we hadden moeder allebei een handje geholpen, vertelde Enrieke dat het poesje zomaar was komen aanlopen. Ze schatte het een maand of drie oud en bij navraag wist niemand waar het vandaan kwam.
"Ga je het houden, samen met je nieuwe hond?" vroeg moeder, terwijl ze de pudding op tafel zette.
"Ach, ik kan er nu al bijna geen afstand van doen, daarbij is ze vast wel goed tegen de muizen. Bovendien heb ik altijd gehoord dat een kat en een hond het beste samen gaan, als je er maar jong mee begint. Het katje is nou drie dagen bij mij, en morgen wilde ik Spot gaan halen."
"Waarom gaan jullie vanmiddag niet 'ns samen naar de stad? Jullie hebben allebei hard gewerkt en de boog kan niet altijd gespannen zijn. Als jullie opschieten, kunnen jullie nog gemakkelijk de middagtrein nemen."
Enrieke keek vragend naar mij, waarop ik enthousiast knikte.
"Ik trakteer je!" riep ik, terwijl ik naar boven rende om mijn portemonnee te halen. En zo zaten we even later tegenover elkaar op de houten banken. Er scheen een bleek zonnetje de coupé in, wat ons een beetje slaperig maakte, voldaan als we waren na het middageten. Enigszins gerustgesteld zag ik dat Enrieke weer wat meer kleur op haar wangen had dan gisteren. Ook zij leek blij met het onverwachte uitje.
Na wat rond geslenterd te hebben, stuitten we zomaar op een kleine liefdadigheidsbazaar, met aan de overkant een vrouw in een kraampje, die luidkeels en schor haar wafels aanprees. Het was er druk. De kramen lagen vol theemutsen, eierwarmers, kindersokjes en pannenlappen. Ook hadden mensen voor het goede doel hun zolders opgeruimd. We schuifelden langs verweerde koffers, roestig gereedschap, jasjes die duidelijk betere tijden hadden gekend. Ik liep bijna tegen Enrieke op toen ze opeens stil stond bij een oude hondenriem. Maar het leer was nog goed, zodat ze besloot 'm te kopen. Net toen ik een mok aanwees, waarop een molen stond die wel wat op die van Enrieke leek, sprak iemand achter mij haar aan. Ik keek om en zag een oud dametje in het zwart en Enrieke's onmiskenbaar bleke gezicht. Omdat de handelaar mij juist zijn prijs noemde, ging het korte gesprek tussen hen voor mij verloren. Enkel Enriekes antwoord, scherp gesproken, drong tot mij door.
"Me dunkt dat er wel wat meer nodig is, dan vergeving van mijn kant."
Haastig betaalde ik, ik wilde haar zo graag een kleinigheidje geven, toen de dame in kwestie alweer in het gedrang was verdwenen.
"Straks," antwoordde Enrieke op mijn nog niet gestelde vraag. Dus gaf ik haar de mok en zag haar gezicht meteen verhelderen. Ze produceerde een jongensachtige grijns, en bedankte met een duw tegen mijn schouder. Het bleef onwennig, merkte ik, om met twee Enriekes rekening te moeten houden. Het meisje in mijn gevoel en de jongen in de wereld. Want nu ik het wist zag ik veel meer kleine, vrouwelijke dingen dan ervoor. Verwonderlijk dat kleding en haardracht zoveel invloed op een mens hadden.
Een paar straten verder bereikten we een klein parkje. Aan een stalletje kochten we wat limonade en zegen op een bankje neer. Het was rustig om ons heen. Her en der liepen wat mensen te wandelen, moeders met hun baby's en een enkele bejaarde heer.
"Dat was mijn oude kinderjuf," verbrak Enrieke het zwijgen tussen ons.
"Ze wilde hier bij haar nicht op bezoek en had juist een bloemenman gevonden, toen ze mij zag."
"Herkende ze je dan, in die mannenkleren?"
"Ze is de enige die er van weet. Ze is erg verdrietig over hetgeen er allemaal gebeurd is. Maar het ligt niet in haar aard, om er teveel over te zeggen. Omdat mijn moeder net erg ziek is geweest, vroeg ze of ik me niet met hen wilde verzoenen en hen vergeven."
" Ah, nu begrijp ik je antwoord, dat was het enige dat ik heb gehoord."
"Ik was verloofd en moest een baby krijgen."
Haar woorden kwamen er bijna uitdagend uit. Ik keek expres niet op en speelde met mijn horlogebandje.
"Toen ontdekt werd dat hij aan tbc leed, een uitzonderlijk ernstige vorm, verbrak hij de verloving en stierf een half jaar later."
Onverwachts sprong ze op en begon te lopen. In een wat rustiger gedeelte van het parkje bleven we bij een brugleuning in het water staan turen.
"Mijn ouders wilden dat ik trouwde. De buurjongen, 'de eeuwige vrijgezel', hadden ze hiertoe bereid gevonden. Maar ik weigerde. Hoewel ik hun schaamte kon begrijpen, wilde ik geen huwelijk zonder liefde. De baby kwam en....."
Weer duurde de stilte.
"Aanvankelijk zeiden ze dat het kindje dood was. Ik was razend omdat ze het me niet hadden willen laten zien. Later kwam ik erachter dat ze gelogen hadden. Ze hebben het van me weggehaald en het bij een kinderloos echtpaar onder gebracht. Inmiddels zijn die mensen naar Indië vertrokken. Toen kòn ik eenvoudig niet meer thuisblijven. Op mijn eenentwintigste verjaardag ben ik weggegaan."
Toen ze zweeg keek ik voorzichtig opzij. We stonden een eindje uit elkaar en ik moest me met geweld herinneren dat Enrieke voor het eventuele publiek een jongen was. Geen uiterlijk vertoon van troost dus, hoewel ik voelde dat het bloed uit mijn gezicht was weggetrokken. Wat een vreselijk verhaal.
"Nu weet je het. Nu kun je op me neerkijken als je wilt. Een verachtelijke vrouw. Ik háátte het om 'n meisje te zijn. Hij was immers even schuldig als ik, maar ík moest boeten. Hij heeft trouwens nooit geweten dat ik in verwachting was."
"Wilde je dáárom ook als jongen door het leven gaan?" vroeg ik zachtjes, biddend dat mijn vraag niet verkeerd geïnterpreteerd zou worden. Ze knikte en beet op haar lip.
"Laten we hier weggaan, Jort, laten we nog iets gaan doen, voor we terug naar huis moeten."
Toen we in de richting van het station liepen, kwamen we voorbij het gebouwtje van de archeologische vereniging. Er hing een aanplakbiljet van een tentoonstelling en de deur was open. We keken elkaar aan en gingen naar binnen. Ik geloof dat het ons allebei niet zoveel kon schelen waar we op dat moment waren. Als het maar afleiding betekende. En dat was het ook. In feite was het zelfs heel interessant. We slenterden rond en keken naar de oude vazen, de scherven en de bijlen. Er waren wat foto's en hier en daar hing een kaart aan de muur met de nodige uitleg. Dit kleine schemerige museum stelde ons in de gelegenheid onszelf weer te hervinden. Enrieke's oom Herbert had haar verschillende platenboeken te lezen gegeven, vertelde ze. Het was prettig om eens temeer te merken, dat we een gemeenschappelijke interesse bezaten. In de kleine koffiegelegenheid waar we elkaar destijds al 'ns hadden getroffen, deden we ons tegoed aan een warme chocolademelk. Daarna was het dan toch de hoogste tijd voor onze avondtrein; we moesten ons zelfs haasten. Samen in de lege coupé zaten we stil naar elkaar te kijken. Geen van ons beiden leek behoefte te hebben aan een gesprek. Toch was de stilte niet ongemakkelijk. Ik was nog steeds onder de indruk van Enrieke's verhaal. Het duurde maar een kwartiertje eer we ons dorp bereikten, en toen de huizen in zicht kwamen, raakte ik even haar hand aan.
"Ik wil dat je weet dat ik nooit op je neer zal kijken, om wat er vroeger gebeurd is, Enrieke. Ik vind het heel erg voor je, maar ik voel niet de minste behoefte je te veroordelen. Wie weet wat ik in jouw plaats zou doen."
"Dank je," fluisterde ze. Ik zag de ontroering in haar ogen, en ik was me bewust van een nieuwe broze vriendschap tussen ons.

Die avond in bed kon ik de slaap maar moeilijk vatten. Het scheen me toe dat mijn leven in een soort stroomversnelling was geraakt. Daarbij waren Enrieke's ontboezemingen van dien aard, dat ik alles wat ik gehoord had de revue nog eens moest laten passeren. Haar verloving en het verbreken ervan. De ziekte en dood van die jongen. De ontdekking van haar zwangerschap en de druk van haar ouders om snel weer een huwelijk te sluiten. Het krijgen van haar baby, met het daarop volgende bedrog. Mocht dat zomaar, vroeg ik me af, je dochter een kind afnemen? Ook als ze nog minderjarig was? En hoe leefde je in vredesnaam verder met zo'n verlies. Enrieke zag eruit als iemand die graag kinderen zou hebben. De manier waarop ze zich over Teuntje ontfermd had was daar het zichtbare bewijs van. Was haar woede, die zo onverhoeds en heftig opvlamde een uitlaatklep? Dan toch wel een, die ze niet erg onder controle leek te hebben. Dat ze boos werd vanwege het getreiter kon ik me levendig voorstellen, maar waarom richtte die woede zich op mij, toen ik haar van een val uit de boom redde. Weliswaar had ze gezegd dat die niet voor mij bedoeld was, maar.... hier bleven mijn gedachten steken. De beelden en vraagtekens die me toen dreigden te bestormen duwde ik weg en ging uit bed. Met een beker warme melk aan de keukentafel gingen mijn herinneringen terug naar mijn verliefdheid van jaren geleden. Naar Suze, het klasgenootje van de HBS. ze was een kei in wiskunde, maar talen waren niet haar sterkste kant. Dus had ik haar wel eens geholpen; was na afloop van de lessen regelmatig bij haar thuis gekomen. Haar vader werkte op een groot kantoor in de stad. Omdat hij behoorlijk verdiende konden alle vier de meisjes van Bergum naar de middelbare school. Ze mochten zelfs gaan studeren, als ze daar behoeften toe zouden voelen. De toenadering leek als vanzelf te gaan. Achter de boeken, met de onvermijdelijke thee. In de ruime serre, in de zonnige tuin, en tenslotte, af en toe op haar kamer. Thuis keek ik heimelijk in de spiegel van de linnenkast van mijn ouders. Wat zag Suze, die zelf zo rank en blond en opvallend was in zo'n gewone jongen als Jort Kusters. Een jongen van ongeveer een meter tachtig, met kort donker haar en helderblauwe ogen. Een aardig gezicht, maar niks bijzonders. Niet lelijk en niet knap.
"Je ogen, Jort, die zijn heel opvallend"" zei ze dikwijls, "En je dikke donkere haar, wat zo lekker wild gaat zitten als je er tijdens moeilijke sommen met je handen doorheen woelt."
Dan voegde ze de daad bij het woord en maakte mijn pruik lachend in de war. Oooh, die uren met Suze. Die jonge aantrekkelijke Suze. Toen was het zomaar opeens voorbij. Papa kreeg een fantastische baan in Zwitserland en het gezin ging verhuizen. Mama, die ons prille geluk met lede ogen aan had gezien, had een verstandig woordje met haar dochter gewisseld. In haar reeds gedeeltelijk ontmantelde kamer was Suze voor me gaan staan en had tegen me gepraat. Dat Zwitserland zo ver weg was, dat we nog zo jong waren, dat ze eerst maar 'ns wat van de wereld moest zien. Dat ik misschien volgend jaar na mijn eindexamen naar Zwitserland kon reizen. Dan konden we elkaar ontmoeten en ontdekken wat er over was gebleven. Ik knikte, was het halfslachtig met haar eens en gaf haar een schuwe afscheidszoen.
Ze zeggen dat je eerste liefde het meeste indruk maakt. Maar ook zeggen ze dat je zo'n kalverliefde wel weer te boven komt. Tot overmaat van ramp stierf vader tijdens mijn laatste schooljaar. En wat iedereen ook zei, ik had Suze niet licht kunnen vergeten. Natuurlijk waren er nog brieven gekomen. Met steeds grotere tussenpozen, steeds onpersoonlijker van toon. Behalve toen vader stierf, toen schreef ze nog oprechte, hartelijk-meelevende woorden. Vanavond realiseerde ik me dat het al een tijdje geleden was, dat ik zo aan Suze had gedacht. De pijn was inderdaad verzacht, en mijn levenslust teruggekeerd. Maar verliefd was ik niet meer geworden. Met een hartgrondige zucht spoelde ik mijn beker om en liep zachtjes naar boven.

 

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website