Laignelet

Een verhaal van Hans Godfroid

Op goed geluk kies ik het eerste paadje dat van het geasfalteerde weggetje richting Fougères afbuigt en dat dieper het bos in daalt. Aan weerszijden van het modderige spoor rijzen hoge sparren met kaarsrechte stammen op, hun toppen verscholen in de ochtendmist. Laag struikgewas is opgerukt waardoor het pad soms moeilijk te vinden is. Het gaat heuvelafwaarts, de sparren maken plaats voor loofbomen met een kroon van herfstgoud. Voorbij een open plek staan terzijde twee heel hoge sparren. Ik krijg een onbestemd gevoel van herkenning, alsof deze opstelling van bomen en struiken me vertrouwd is. Ineens staat daar dat geëmailleerde bordje met die merkwaardige tekst, het bordje waarop de plaatsnamen Laignelet en Kedichem vermeld worden met de toevoeging “sapin de la reine Beatrice”, spar van koningin Beatrix. In mijn brein worden over de plek waar ik sta, beelden geprojecteerd van een bont gezelschap Nederlanders en Fransen, van een burgemeester met een sjerp, een bombardespeler, een boswachter die een gedicht voordraagt en een boom waaromheen linten zijn gebonden in de driekleur van beide nationaliteiten. Ik schud mijn hoofd, nee, dat was niet hier, de originele sapin stond verderop maar overleed een jaar of tien na zijn inauguratie, door een ziekte of het noodlot? La reine Beatrice leeft nog steeds, het was geen voorspelling. Het bordje is verplaatst naar een vergelijkbaar exemplaar dat hopelijk nog een paar jaar mee zal gaan.
Grinnikend stap ik verder over de kronkels van het bospad. Mistflarden trekken op en onthullen een veldje waarop een vervallen schuurtje de tijd trotseert en een bejaarde pony die ook zijn tijd afwacht. Ik passeer een waterput die ik moet onthouden als oriëntatiepunt voor straks. Ik sla linksaf een beukenlaan in en verwacht half om half weer zo’n bordje, want ik ben er vrijwel zeker van dat ik deze laan ook ken. Maar nee, de aanwijzing naar het Maison Forrestière de la Fièffe verschijnt niet tussen de struiken. Hoe onbetrouwbaar is het geheugen. Het granieten boswachtershuis zal iets westelijker liggen en dan nog, wat zou ik er terugvinden? Een grauwstenen bouwsel met een paar schuren, een groentetuin, een weitje en heel misschien nog de reuzenschommel van Solenn die nog aan één touw bungelt aan die hoge tak en wel overwoekerd zal zijn door braamstruiken.
Ja Solenn, zij was de eigenlijke aanleiding voor de treinreis van Arkel naar Rennes, of liever Cali, die in september geboren is, zusje van de driejarige Raphael, die allesbehalve een knappe zuigeling was. Gelukkig is hij inmiddels aardig opgedroogd.
Als ik met wat hulp in het totaal vernieuwde station van Rennes, eindelijk opa Christian en oma Martine heb gevonden, staan we wat te stuntelen volgens de covid-richtlijnen, maar omhelzen elkaar dan toch. Gaan we eerst even langs in Liffré waar Romain en Solenn een huurhuis hebben gevonden? De grootouders lopen over van trots op hun jongste kleinkind. Raphael stormt op zijn opa af en beklimt hem alsof die een eik is. De oude boswachter slaakt allerlei vergeefse kreten om hem schrik aan te jagen, Raphael vindt het prachtig. Even later doe ik hetzelfde wanneer ik samen met hem zijn speelgoedbeesten tot leven probeer te wekken. Solenn staat in de keuken en bakt crêpes om de eerste honger te stillen.
“Neem er vooral niet teveel Hans, want je weet hoe het gaat: Straks in Laignelet gaan jullie eerst aan de apéro en dan wacht je nog een hele maaltijd.”
Ik ken Solenn al vanaf de schommel, ze was bij ons toen het koor van haar collège optrad in ons dorp, ik zocht haar op in Parijs na de geboorte van Raphael en was aanwezig bij haar huwelijk. Nu is ze al moeder van twee kinderen. Ik ben erg op haar gesteld en ik heb zo’n vermoeden dat het wederzijds is.
Ik ga verder door de beukenlaan tot de drukke weg die dwars door het Forêt de Fougères loopt. Ik aarzel om richting stad te gaan. Na de stilte en de herfstkleuren van het bos is dit wel veel lawaai. Een stukje dan, tot het terrein van de oude glasfabriek. Ik loop langs een vervallen kapel. Op het veldje ervoor liggen de meest absurde granieten voorwerpen. Sommige objecten lijken op grafzerken, op onderdelen van een fontein en weer andere zijn onherkenbaar. Een onvriendelijk hek sluit het terrein af, bezoekers zijn blijkbaar niet welkom. Later vertelt Martine dat André Philippe een wereldberoemd beeldhouwer is en in de Chapelle de la Verrerie aterlier houdt. Een enkele maal is ze er geweest toen ze er repeteerde met haar Bretonse dansgroep.
Ik keer op mijn schreden terug, de stad schrikt me af. Ik vind de laan terug, de waterput, Beatrix en steek het asfaltweggetje over naar een pad dat naar het dorp moet leiden. Even sta ik stil bij de massieve boerderij van één van de iconen van Laignelet, de inmiddels al jaren overleden Louis Pelé, een man van graniet, een rommelboer, een jager, een Bourgondiër die in een duistere schuur zijn eigen calvados stookte en zijn bezoek rond de enorme schouw er royaal van inschonk. De ziel is uit het huis, Louis is dood, zijn vrouw opgenomen in een verzorgingshuis, de struiken hebben bezit genomen van de gebouwen, een boom groeit dwars door het dak.
Mijn mobieltje gaat af, Christian vraagt me waar ik uithang, het is immers tijd voor de lunch. Ik kom er aan en heb geen tijd om even aan te wippen bij de familie James met de reuzentrampoline waarop ik voor een paar jaar nog acrobatische toeren uitvoerde en het met drie weken spierpijn moest bekopen. Ik loop haastig hun huis voorbij, de choucroute de la mer kan worden opgediend, zuurkool met vis en schelpdieren, een culinair recept, een gastronomische ervaring, een uitgelezen wijnkaart. Ik ken mijn adresjes.
Na de copieuze lunch staat er voor vanmiddag een bezoekje aan een bonsai-tentoonstelling op het programma en vanavond al ga ik verhuizen naar de Chemin de Pichonet, naar de andere Christian en zijn lief Sylvi.
Zelf zou ik nooit op het idee gekomen zijn om een bonsaitentoonstelling te bezoeken ook al was die bij mijn buurman. Toch, als het de passie van een vriend is, wil je hem niet teleurstellen, indachtig alle moeite die hij doet om zijn verzameling miniboompjes in leven te houden en te laten groeien volgens strenge regels.
Een pronte Vlaamse controleert onze coronapas. De tentoonstelling bestaat uit een verzameling mishandelde boompjes, gemarteld, verwrongen, geknipt en verbogen tot een esthetisch miniatuur van zijn volwassen bosfamilie. Merkwaardig genoeg zijn het vooral mannen die zich buigen over de schalen en potten met Japanse kunstwerkjes. Liefhebbers, fanatici en belangstellenden schuiven langs schraagtafels in het dorpshuis van één van de inwisselbare grauwgranieten dorpjes in het Pays de Fougères, gekarakteriseerd door veelvormige, met leisteen gedekte daken die verspreid zijn over een lage heuvel rond een oeroude kerk. Men kent elkaar van de bonsaiclub, men wijst, trekt elkaar aan de mouw om de richting van een takje te tonen, de vorm van een stammetje. Een deskundige geeft aanwijzingen aan een echtpaar dat een jonge spruit heeft opgegraven in het bos. Ze kijken bedremmeld hoe hij meedogenloos een twijg afknipt, met een nagelschaartje een minuscuul uitlopertje verwijdert. Hij legt uit dat de bonsai je moet aankijken, naar je toe moet buigen. Ze knikken angstig. Een handelaar probeert potten en schalen aan de man te brengen die zijn zoon heeft gefabriceerd. Duur, erg duur!
Ik grijns als ik me realiseer waar ik nu weer ben terechtgekomen. Gisteravond nog hebben we gezongen en gedanst in een bar in net zo’n dorp. Het mocht weer dus iedereen die een instrument bespeelde, was present. Een stuk of acht diatonische accordeons, een paar klarinetten, een viool, een cello, allerlei percussie-instrumenten van een blokje hout tot een soort castagnetten en een sigarenpers.
“Hallo Hans”. Ik kijk in een grijnzend gezicht dat me vaag bekend voorkomt.
“Vertel eerst eens wie je bent.”
“Ik was bij jullie in Kedichem.”
Nu herken ik niet alleen het vettige haar en het magere staartje maar vooral ook de enorme buik.
“André, wat een toeval!”
Het is helemaal geen toeval, André Leverrier is overal waar muziek gemaakt wordt, op een traditioneel Fest Noz, in een bar of in kleine zaaltjes. Zijn stem is krachtig met een typisch Bretonse intonatie vooral als hij een traditionele beurtzang zingt samen met Christian.
Wat een avond, een ononderbroken stroom van volksmuziek op hoog niveau. Bijna iedereen speelt of danst, af en toe wordt ik ook in de kring getrokken maar moet het al gauw opgeven door gebrek aan ervaring. Ik zal Martine vragen me eens privéles te geven rond de keukentafel. Desondanks geniet ik van de muziek en denk terug aan het onstuimige leven van André, destijds nog getrouwd met de net zo dikke Brigitte en hun getalenteerde tweeling die zo jong als ze waren het hele bretonse repertoire al speelden op bignou en bombarde, op doedelzak en een vreselijk schel klinkend instrument dat in de verte iets van een klarinet weg heeft.
Niemand wordt dronken, amper tijd om een biertje achterover te slaan, nee, ze zijn bij elkaar voor de muziek. Rond middernacht rijden we terug over verlaten wegen onder een ongekende sterrenhemel.
Wat was er nog meer die eerste twee dagen? Na een week hebben alle ontmoetingen en gebeurtenissen in dit merkwaardige dorp zo hun plekje gevonden in mijn geheugen, hoewel ik twijfel aan de juistheid van de tijdslijn. Zo was er nog de lunch waarbij Solenn, Romain en de kleine Cali present waren en ze vertelden over hun verhuizing van een voorstad van Parijs naar hun wortels in Bretagne. Romain die het maar zozo vindt om zich bij de politie van Rennes alleen bezig te houden met drugs en verplicht was om de eerste drie maanden weer zijn uniform aan te trekken, terwijl hij in Parijs met gele hesjes vocht, zakkenrollers volgde en boeven achterna zat. Solenn moet na haar zwangerschapsverlof weer terug naar Créteil omdat leerkrachten in het basisonderwijs verplicht zijn een flink aantal jaren in of rond grote steden te werken, voordat ze toestemming krijgen om naar de provincie te gaan. Driemaal is haar verzoek om overplaatsing afgewezen, ondanks haar twee kinderen. Toch is er vooral het plezier van het weerzien, de grappen, de anekdotes en, natuurlijk de culinaire kwaliteiten van Martine. Christian en ik fietsten door alle nieuwbouw van het dorp, door het bos dat hij tot voor drie jaar beheerde, over de lage heuvels naar de familie Thomas waar Michel van verbazing niet goed wist waar de koffiefilters lagen. Sinds enkele weken speelt hij Nikolai Kapustin op de piano, ongelofelijk moeilijke muziek van een hoge virtuositeit en veel te moeilijk zelfs om naar te luisteren. Na de lunch even alleen door het dorp, wat een saaie nederzetting toch, goed dat er van die leuke lui wonen, dus toch even aangebeld bij Daniel en Solange Ronxin die aan de oorsprong stonden van de “stedenband” tussen onze twee dorpen. Keurige familie in een keurig huis met een keurige tuin, hevig geïnteresseerd in het wel en wee van ons rivierdorpje, stevig ontregeld door alle beperkingen en risico’s van de pandemie. Na twee koppen thee staat mijn blaas op springen en dat wordt niet minder als ik weer de frisse schemering in trek. Dan maar even aanwippen bij Christian Marboeuf die voor ’t laatst deze herfst zijn grasveld maait. Ik haal het toilet niet dus vraag toestemming een boom te bewateren. Vreemde ontmoeting met nog een goede vriend. Daar zal ik de laatste twee nachten te gast zijn.
Op zaterdagavond heeft hij met zijn geliefde Sylvi de andere Christian, Martine en ook de Ronxins uitgenodigd voor het diner. Ik stap die avond binnen alsof ik gisteren ben uitgegaan voor een pakje sigaretten, herken het wat chaotische interieur en zie in een hoek van mijn kamer de werkeloze keltische harp van Sylvi staan. Behalve voor het zingen in hun koor, haar werk als reumatoloog en een ingewikkeld familieleven is er geen tijd voor andere hobby’s .
Een samenkomst als op deze avond wordt helaas gekenmerkt door een vast patroon. Gasten die binnenkomen blijven staan totdat iedereen er is en dan nog een poosje. Onhandig wiebelend van het ene been op het andere worden beleefdheden uitgewisseld tot die uitgeput raken en men uitgenodigd wordt om plaats te nemen, wat ook nogal wat tijd vergt. Nootjes en ander knabbelspul staan klaar, handen graaien en kaken kauwen, geen drankje nog, dat kan ook nog wel even duren. Als de wensen zijn genoteerd en eindelijk iedereen het glaasje heft, moet er vooral met iedereen geklonken worden, een ingewikkelde dans waarbij niet zelden een druppel gemorst wordt. Nog vlot de conversatie niet erg en is het opdienen van het voorgerecht een welkome onderbreking. Pas dan, na het voorgerecht en de bijbehorende wijn, komt er wat gang in de gesprekken, naar mijn smaak wat veel gang want ik ben meerdere malen het spoor bijster. Het gaat natuurlijk over covid19 en onvermijdelijk over computerbeveiliging en telemarketing, niet direct de onderwerpen die mij boeien. Even zou ik me onzichtbaar willen maken en de rest hun gang laten gaan, beleefdheid fixeert me op mijn stoel. Voorgerecht, hoofdgerecht, sla en kaas, taart en dessertwijn, koffie, dat kost tijd en vergt wat van mijn spaarzame geduld. Ik ben beter in kleiner gezelschap.
Pas de volgende ochtend merk ik dat er, behalve ik, nog twee logés in de herberg huizen. Een hond die in de kelder zit opgesloten, eigendom van Titouen, de jongste zoon van Sylvi en de anderhalf jarige Eleanora kleindochter van Sylvi, een grappig meisje met donkere krulletjes en een koffiebruin velletje, dochter van een dochter van Sylvi. Samen met de jongste dochter van Sylvi, de vijftienjarige Héléna, zijn Titiouen en die andere dochter naar een reggaeconcert geweest en hebben de nacht elders doorgebracht.
Het duizelt me een beetje, ik heb lucht nodig. Ik trek mijn wandelschoenen aan en vertrek naar het dal van de Pichonet, een beek die langs Laignelet eerst richting Fougères stroomt, maar die al snel afbuigt. Ik volg een pad dat ik me vaag herinner van een wandeling van een jaar of wat geleden met de huidige Christian. Het is een zogenaamde chemin creux, een kruisweg of holle weg met aan weerszijden doorgeschoten hakhout. Het paadje wringt zich uit het beekdal omhoog tot een landweggetje dat over de kam van een heuvel loopt en prachtig uitzicht biedt over de nevelige landerijen. Het is doodstil, er is alleen het ritselen van vallend blad en een zacht tikken van druppels die van de takken druipen op het goudgele tapijt onder mijn voeten. De tijd dwingt me om rechtsomkeert te maken, ik schuif omlaag door de bladeren terug naar het beekdal. “Thuis” is de familie verzameld. Eerst denk ik Héléna niet te herkennen, geen wonder want het is haar zus. Dan is ze daar, dat destijds elfjarige meisje dat me de oren van mijn hoofd kletste tijdens een bijeenkomst van de Ronde Tafel van haar moeder, een soort culinaire Rotary, nu een prachtige puber met zwarte krullen en een ondeugende blik in de ogen. Daar is Titouen een man inmiddels met een enorme bos haar dat met een bandje in toom gehouden wordt en desondanks toch een enorme pluizenbol vormt, baardje, brilletje, kortom nogal artistiek. Hij leert voor geluidstechnicus nadat hij zijn muziekopleiding staakte, te theoretisch. Dan is er nog die andere dochter met haar donkere man van wie ik de namen niet meer weet en ook is er de kelderhond. Allemaal in verschillende stadia van slaperigheid. Ik praat wat met de twee jongsten en ben na een uurtje weer helemaal bij.
Christian, Sylvi en ik bezoeken Vitré, een middeleeuwse stad op een kleine vijftig kilometer van Laignelet. Ik was daar ooit een kwartier en miste de historisch verantwoorde uitleg van Michel Thomas omdat mijn gastheer tijdens die uitwisseling, me zijn buitenverblijf aan één of ander meertje wilde tonen. Nu we alle tijd hebben, nemen we die ook en slenteren door steegjes en langs oeroude muren en huizen rond de kathedraal en het kasteel. Vitré is hoog gelegen, een strategische plek aan het riviertje de Vilaine waar het departement naar genoemd is en waar ook Laignelet deel van uitmaakt, namelijk Ile et Vilaine. Rond vieren valt de schemering als we langs de steile muren van de stad lopen en over het duistere dal uitkijken.
De tijd dringt omdat we ’s avonds uitgenodigd zijn bij Céline Hedou, voorzitter van het Franse comité dat zich bezighoudt met de uitwisseling tussen onze dorpen. Ook die avond in de Rue Grand Dorange in Fougères dreigen we op hetzelfde spoor terecht te komen als de vorige avond, toch, halverwege de maaltijd wordt de sfeer ontspannen en mogen we getuige zijn van een komische imitatie door Franc van een Noordafrikaanse telemarketeer met mister Marboef. Toch weer datzelfde onderwerp nadat ik alles te weten ben gekomen over Harley-Davidson, de handel van Franc. Hij is de geliefde van Céline, maar ik ga dat verder niet uitleggen. Het onderwerp van de jumelage, de uitwisseling tussen de dorpen, boeit me meer, vooral om te horen dat er een kloof dreigt te ontstaan tussen de oude en jonge generatie comitéleden over het te volgen protocol versus de wat lossere teugels. Voorlopig zal er überhaupt geen uitwisseling plaatsvinden vanwege het C-woord, dus kunnen ze daar nog wel even kibbelen. Ik heb een zwak voor Céline. Hoewel ze best stevig is geworden, heeft ze nog altijd een lief gezicht en heeft een breekbaar stemgeluid voor haar lengte van 1,80 meter. Dat is behoorlijk lang in Bretagne. En ook omdat haar altijd van alles overkomt ondanks haar beste bedoelingen. Ik heb daar aardig wat goede gesprekken met haar over gevoerd voordat Franc in beeld kwam.
De laatste dag breekt aan. Een flinke wandeling met Christian langs bos en veld, langs meertjes en beken en inmiddels weet ik dat dan de confidenties komen. Daar ga ik dus niets over schrijven behalve dat het de vriendschap tussen ons kenmerkt, een vriendschap die waarschijnlijk in stand blijft door de afstand die ons scheidt.

De terugreis verloopt als de heenreis, gesmeerd dus. De assistentie is aanwezig waar die besteld is en taxichauffeurs zijn niet te beroerd om me op weg te helpen in de chaos van de stations. Inmiddels heb ik deze reis een flink aantal keren gemaakt en telkens was er wel iets dat anders liep dan gepland. Er was niemand om me van de trein naar de taxistandplaats te begeleiden voor de transfer van Gare du Nord naar Gare Montparnasse of andersom, de taxichauffeur weigerde me naar de assistentiebalie te brengen of het verkeer in Parijs liep vast. Mijn ervaring met het reserveren van reisassistentie in Nederland was ronduit teleurstellend, waardoor ik het deze keer in Frankrijk wilde regelen. Via een woud van linkjes op de site van de SNCF, de Franse NS, vond ik tenslotte een telefoonnummer van Accès Plus en na het noemen van de code van mijn reis werd zonder problemen in Nederland en Frankrijk assistentie geregeld, zowel voor de heen- als voor de terugreis. In tegenstelling tot vorige keren ontving ik per mail een reisschema met een bevestiging van de diverse stations. Telkens bij het uitstappen stond iemand klaar om me verder te helpen en in het andere station bracht iemand me naar de juiste tgv, het juiste rijtuig en de juiste zitplaats. Probleem blijft dat het van de taxichauffeur afhangt of hij bereid is om me na de rit ook nog naar het kantoortje van Accès Plus te brengen. Op Montparnasse kostte hem dat ruim twintig minuten. De terugweg versterkte mijn vertrouwen in de mensheid. Na van Christian Marboeuf afscheid genomen te hebben bracht een stevige donkere dame me naar het spoor en vroeg me waar mijn reis naartoe ging. Ik had Kedichem kunnen zeggen, maar om misverstanden te voorkomen noemde ik Rotterdam. Ze vroeg of ik Frans of Nederlands was, aan mijn uitspraak van het Frans kon ze het niet horen. Nederlander dus. Er verscheen een lach op haar gezicht, ze probeerde een paar zinnetjes in gebroken Nederlands, blij dat ze die taal na vijftien jaar weer eens kon spreken. Haar ouders waren gevlucht uit Ethiopië en Soedan, tot haar achtste jaar had ze in Leiden gewoond voor ze met haar familie naar Frankrijk verhuisde. Wat mij betreft mocht ze meerijden tot Parijs, ze zou een vrolijke reisgenoot zijn. Ze lachte en bleef doorgaan met praten tot ik in het juiste rijtuig op de juiste stoel zat. In Parijs putte de taxichauffeur zich uit in excuses omdat hij absoluut niet bij het Gare du Nord mocht parkeren om me naar Accès Plus te brengen. Hij zou iets regelen, ik moest blijven zitten. Na een paar minuten vertelde hij dat hij een voorbijganger op straat had aangesproken en bereid had gevonden om me verder te helpen, alleen ze sprak geen Frans, enkel Engels. Was dat een probleem? Hij leidde me naar de jongedame die me op sleeptouw zou nemen. Ze stelde zich voor, vroeg naar mijn bestemming. Toen ik wederom Rotterdam noemde, schaterde ze het uit, , ze was Nederlandse. Zelfs haar kostte het behoorlijk wat tijd om het kantoortje van de assistentie te vinden. Inmiddels heb ik ervaren dat als je in Frankrijk de weg vraagt, je doorgaans de meest tegenstrijdige adviezen krijgt. Na tweeëneenhalf uur sporen arriveerde ik in Rotterdam Centraal waar de intercity richting Dordrecht zojuist vertrokken was en in Dordrecht de boemel naar Arkel twintig minuten op zich liet wachten. Je bent tegenwoordig eerder in Parijs dan in Zwolle.

Waarom haal ik me eigenlijk al die heisa op de hals? De vraag wordt me regelmatig gesteld en soms stel ik hem ook zelf. Mijn altijd bezorgde vrouw, die mijn mogelijkheden en beperkingen kent, heeft wel enig recht van spreken. Mijn tegenwerping dat ik tot nu toe steeds ben teruggekomen, vindt geen grond. Desondanks weerhoudt ze me er niet van of laat ik me niet weerhouden, wie zal het zeggen.
Het is vaak in het najaar dat me een zekere onrust bekruipt. Alles wordt te benauwd, mijn huis, mijn dorp, mijn eigen vierkante kilometer, kortom alles. Mijn vader had er op hoge leeftijd nog last van. Ruim boven de tachtig jaren ondernam hij allerlei reizen per trein, per boot en per vliegtuig, hij was soms wekenlang zoek. Die nomadische onrust zal ik wel van hem hebben.
Door alle beperkende maatregelen was het al bijna twee jaar niet mogelijk mijn Bretonse vrienden op te zoeken, wat niet gecompenseerd kon worden door luister boeken die zich in Bretagne of Normandië afspelen. Ik klaagde mijn nood via de mail en ontving per omgaande verscheidene uitnodigingen. Ik was wel verplicht om er gehoor aan te geven, een sterk argument.
Mijn vrouw weet dat ik al besloten heb voordat ik de eerste toespelingen maak. Blijkbaar ben ik ook de enige in ons dorp die buiten de georganiseerde uitwisselingen, heimwee naar Bretagne heeft, naar dat suffe dorp, naar de woeste kust, naar de hoekige muziek.
Eenmaal terug is alle zwerfdrift over, ingelost, afbetaald. Tot het volgende najaar, of misschien al eerder.

 

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website