Hoelang bent u al zo?


een verhaal van Herman Kleton

"Hoelang bent u al zo?"vroeg ze zacht, fluisterend bijna. Haar stem, die de muziek en het geroezemoes der stemmen ternauwernood oversteeg, klonk van verrassend nabij. Ik schrok, had haar niet opgemerkt. De verleidelijke geur van een bloemig parfum prikkelde mijn olfatorische receptoren. Absoluut geen goedkope eau de toilet, constateerde ik goedkeurend ondanks het overvallende karakter van haar aanwezigheid. De geur was heerlijk,niet opdringerig, maar wel heel erg dichtbij en héél erg verleidelijk..... Een gevalletje van geraffineerde, vrouwelijke verleidingskunst of domweg mijn mannelijke oerdriften die reageerden op de in de geur verborgen feromonen? Ik zou niet de eerste zijn die er instinkt. Mannenbroeders wapent u tegen de zalige geur der verleidelijkheid, want deze vervliegt waar de draagster blijft! Ja ja, ik weet het: weer zo’n typisch seksistische gedachte van een man. Gegarandeerd geagendeerd bij het stamtafeloverleg in het vrouwencafé. Zouden die er trouwens nog zijn, vrouwencafés? Ik was er nooit binnengeweest, in zo’n café. Had ook niet gekund, denk ik. Niet dat ik ooit de behoefte heb gehad zo’n etablissement te frequenteren. Ze hadden mij er waarschijnlijk toch niet binnengelaten, ook al ben ik.... Nou ja, ik ben wat ik ben maar blijf daarbij natuurlijk toch altijd een man. Dat valt nu eenmaal niet te ontkennen.

Haar stem had enigszins ‘buitenlands’ geklonken. Een licht accent, Duits, schatte ik in, maar het had ook Deens of Pools kunnen zijn. Ik dacht er een emotionele trilling in gehoord te hebben. Een trilling, misschien veroorzaakt door een zekere gemoedstoestand, van welke aard dan ook, die ik niet met de vraag, die zij plompverloren had gesteld, kon verenigen. Een vraag namelijk die, hoe multi-explicabel dan ook, als sterk stigmatiserend, ja, zelfs als ‘lomp’, ervaren kon worden. Wat bedoelde ze er eigenlijk mee? Hoezo ‘zó’? Wat was ik dan in haar ogen? We hadden tot aan haar vraag nota bene geen woord met elkaar gewisseld! Geen woord. Wat bezielde die vrouw? De impertinentie ten top, toch? Iemand die je helemaal niet kent, nooit eerder hebt ontmoet, die jou helemaal niet kent en dan out of the blue je zó’n vraag stelt. Wat gaat het haar aan wie of wat ik ben en hoelang ik dat al ben? Het is toch bij de wilde kamelen af dat iemand je daarmee lastig valt, terwijl je net wil gaan genieten van een welverdiende, en met de nodige moeite verkregen, koffie verkeerd met een groot stuk house made appeltaart. Met slagroom, extra slagroom!

Ik was in mijn leven al op de nodige botteriken gestuit en was dus wel wat gewend. Opmerkelijk genoeg, meestal op de NS-stations. Vreemd toch, dat de perrons, toch de overtreffende trap van ‘tijdelijkheid’, steevast zo’n sterke aantrekkingskracht uitoefenden op lomperiken en andere vage types. Hoe vaak ik, terwijl ik, aan het eind van een vermoeiende werkdag, nietsvermoedend gewoon stond te wachten, op mijn trein naar Amsterdam, niet ben aangesproken door zo’n figuur, weet ik niet, maar vaak genoeg om te verlangen naar werk dichter bij huis. Kwestie van een dikke huid kweken, merkte een goede vriend eens op. Het deerde hem niet langer, beweerde hij, wat een onbekende ook van hem wilde weten of aan hem opmerkte. Hij antwoordde hen gewoon en als hij er een keer geen zin in had, deed hij er het zwijgen toe. Als je maar lang genoeg zwijgt en stoïcijns voor je uit blijft staren, verklaarde hij, denken ze dat niet zij, maar jij gek bent en dan druipen ze vanzelf af. Echt, je moet het gewoon eens proberen, je zult zien dat het werkt.
Maar dit was anders. Dit was geen NS-station, zelfs geen stationsrestauratie. Dit was mijn stamcafé! Nou ja, Café.... Het was eigenlijk gewoon een overmaats koffiehuis, míjn buurtkoffiehuis, waar ik min of meer een eigen tafeltje had. Ik ging er met enige regelmaat binnen voor een bak koffie en een stuk van die lekkere taart. Het was er meestal vrij rustig, maar vandaag was het opvallend druk. Ach ja, dat was ook zo: het was lunchtijd. Dan kon het gebeuren, als er een congres in de R.A.I. was, dat de congresgangers hier een kop koffie kwamen drinken. Hun goed recht natuurlijk en ook goed voor de continuïteit van het koffiehuis, de welks bestaan ik juist zo hogelijk waardeerde. Het was dus niet aan mij deze drukte te veroordelen, maar ik was nu eenmaal niet op mijn best bij normoverschrijdend omgevingsgeluid, waarbij ik dien te vermelden dat de ‘norm’ sterk subjectief bepaald is, namelijk geheel en uitsluitend door mijzelf. Ik voel me namelijk nogal ongemakkelijk in een, te, luidruchtige omgeving. Vanwege het verloren gaan van de geluidsdetails in de onbestemde koorzang van van het meervoudige geluid, ook wel kakofonie genoemd, verzeil ik in een auditief isolement en raak ik gedesoriënteerd, omdat de specifieke geluiden, waarmee ik afstand en richting kan bepalen, verdwijnen in de anonimiteit. En dan ineens zo’n vrouwenstem van heel dichtbij....

"O entschuldigung", vervolgde de vrouw die gemerkt moest hebben dat haar vraag misschien niet het gewenste effect bij mij gesorteerd had, "ik hoop dat ik u nicht heb laten schrikken. Dat zou schrecklich sein." Ik schudde mijn hoofd in antwoord. Misschien net iets te heftig om overtuigend over te komen.
"Heb ik mei misschien weer eens verkeerd oitkedrückt? Vroeg ze meer aan zichzelf dan aan mij. Haar parfum, in combinatie met haar meisjesachtige stem, riep beelden op van langvergeten lenteweiden, eindeloze tongzoenen en zenuwachtig en onhandig gefrunnik aan bh-stluitingen, blouseknoopjes en broeksritsen.
"Ja hè," zei ze, "zegt u het mei gerust. Ik heb weer eens wat dums gezegt hè?"
"Nee hoor", zei ik, "volgens mij zei u niets geks of zo en misschien, als u al denkt dat u verkeerd overkwam", loog ik erachter aan, "heb ik uw vraag waarschijnlijk niet goed verstaan of niet goed begrepen. Het is zo rumoerig hier, ziet u".
Ze lachte, een meisjesachtige lach.
"Mag ik even bei u komen sitzen?" vroeg ze. Zonder mijn antwoord af te wachten liet zij zich op de stoel naast mij glijden. Daar zaten we dan, knietje aan knietje. Wie was deze vrouw? Wat wilde ze van mij?
"Laat ik mei even aan u voorstellen. Ik bin Gertrud Schúler. Ik wohn hier in der nähe, uh.... dichtbei, bedoel ik en ik studier Nederlands aan de VU. U heeft aan mein accent natuurlich allang kehoord dat ik oit Deutschland kom."
Ik stelde vast dat deze laatste bewering niet ver bezijden de waarheid was. De gedachte, dat zij van Duitse origine kon zijn, had inderdaad een korte wijle bij mij verpoosd.
"Weet u," sprak zij, "ik bin nu al drie jahren in Nederland en ik kan mei nog steeds nicht goed oitdrücken in uw mooie tahl!"
Tja, hoe reageer je dan als man van middelbare leeftijd met gevoelige neus en jeugdige oren? Je zegt dat het allemaal best meevalt en dat haar uitspraak van het Nederlands juist grappig is, ja, heel charmant zelfs.
"U bent ein lieverd", lispelde ze, een klein, rank handje op mijn arm leggend. De aanraking, vederlicht en zo terloops dat de onschuld ervan wel spreekwoordelijk moest zijn, al reikte mijn kennis niet verder dan dat handen zich in onschuld konden wassen, voelde intens. Het was lang geleden, heel lang geleden, dat een jonge vrouw, want daar was ik inmiddels van overtuigd geraakt, zij was een jonge vrouw, mij zo quasi vertrouwelijk had aangeraakt. Ho ho jongeman, hold your horses! Niet te hard van stapel! Piep piep, hoi hoi, Peppie en Kokkie.... Even de band terugspoelen. Het was maar een terloopse aanraking. Amicaal, oké, maar toch niet meer dan dat. Ik had mij in het verleden vaker getrakteerd op beloftes van een teleurstelling. Deze jonge vrouw was echt niet uit op míj, ook al drong zij zich, in zekere zin, aan mij op. Ik zou zo langzamerhand beter moeten weten. Te vaak was de te groot opgeblazen ballon van mijn verwachtingen al uit elkaargespat in mijn gezicht.
"Wat wilt u van mij?" vroeg ik op geforceerd barse toon, meer om mijzelf te overtuigen van de afstand, die ik eigenlijk niet wilde creëren, dan om haar.
Ze reageerde niet, althans niet meteen. Ze trok zelfs het handje op mijn onderarm niet terug, dat daar, bijna onopgermerkt, was blijven liggen.
"Tja, weet u," antwoordde ze, geenszins uit het veld geslagen, "ik bin al heel lange op zoek naar iemand met wie ik Nederlands kan praten om het beter zu lernen spreken."
"Maar wat geeft u het idee dat ik die persoon ben?", wilde ik, plotseling oprecht nieuwsgierig, weten. Het bleef weer even stil aan haar kant. Ik dacht het ons omringende koor ‘Het is stil aan de overkant!’ te horen zingen. Zo nu en dan, heel onverwacht, drong mijn stadionverleden zich toch opeens weer aan mij op.
"Weet u", begon ze aarzelend, in sterk contrast met haar eerdere voortvarendheid, "u zult het misschien nicht geloven, maar eigenlijk bin ik een heel verlegen maischen. Als iemand mei aankijkt wanneer ik Nederlands rede.... ik bedoel ‘praat’, dan klap ik zu. En tun zag ik u binnentreden en wist ik gerade: Dass isst den mann der mir helfen kann’."

We waren drie koffie verkeerd verder, de home made appeltaart alweer enige tijd onvervreemd deel van mijn spijsverteringskanaal, toen ik haar vroeg:
"Oké, ik begrijp waarom u juist mij uitkiest om uw Nederlands te oefenen, maar waarom sprak u mij in eerste instantie aan met de vraag ‘hoelang bent u al zo?’ Wat bedoelde u daarmee?"
Ze grinnikte.
"Dat is nu genau wat er kebeurt als ik iemand in het Nederlands aanspreek: ik maak schreckliche fouten. Ik bedoelde naturlich zu zeggen ‘Hoelang wóónt u al zo hier in Nederland?’. Maar door mein nerven koos ik de falsche woorden en klapte ik halberweke mijn vraag zu. Ik wilde naturlich sicher weten dat u een echte Nederlander...."
"En? Ben ik echt genoeg?" vroeg ik grijnzend.
Ze knikte glimlachend, maar dat hoorde ik pas van de serveerster toen deze kwam afrekenen. De Duitse studente Nederlands was toen al enige tijd vertrokken, mijn naam, adres en telefoonnummer op een opgevouwen blaadje papier in haar broekzak.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website