Abraham in het grensgebied


een verhaal van Hans Godfroid

Het voze gezicht van Igor flikkert geel op. In zijn ziekenfondsbrilletje en bijna druipend vette paardenstaartje weerkaatsen de vlammen van het houtvuur.
"Wat zingen ze toch allemaal Igor?"
Zijn blik richt zich op de muzikanten in stijgende extase, zijn lippen prevelen de vertaling:
"Zij is er met zijn beste vriend vandoor en hij gaat zich nu bedrinken en vraagt haar om verantwoording".
"En nu Igor, waar zingen ze nu over?"
"Zij is weggelopen langs de oevers van de rivier en hij roept het water op om een andere loop te kiezen".
Misère, niets dan misère.
Igors zware lijf buigt zich verder naar voren, hij zingt nu voluit mee met de melancholieke melodie. De accordeon haalt uit en snikt. Ieder die het Servische lied kent, valt nu in. "Excuse me", zegt hij en springt overeind, baant zich een weg langs het vuur en over het bruggetje naar het geïmproviseerde podium. Hij grijpt een microfoon en zingt de laatste strofen mee. Applaus, omhelzingen, tranen.
Ongetwijfeld zijn ze dronken of minstens op weg er naartoe en de sentimenten borrelen over de rand van de kookpot der vriendschap.

Igor: Die middag na aankomst in het kleine dorp in de stille vallei op de grens tussen Bosnië en Servië ving ik een gesprek op tussen hem en Wil, een Nederlandse uitgever, de één studeerde Grieks, de ander filosofie. Ze spraken over de Griekse filosoof Pytagoras. Ik ken Pytagoras vooral van zijn wiskundige stelling: De som van de kwadraten van de rechthoekszijden van een rechthoekige driehoek is gelijk aan het kwadraat van de hypotenusa en dat vond ik al heel aardig. "Never take the mainroad", was dat zijn motto. Nee dat was een andere Griek en hij had gelijk. De gebaande weg, het gemiddelde, de weg van de minste weerstand leidt tot een afgevlakte luchthavencultuur, waar men glimlacht zonder vreugde en tussen Amsterdam en Belgrado verveeld uit het raampje kijkt bij de veiligheidsinstructie "in case of emergency".
Igor studeerde ook Engels en is in feite bevoegd docent, werkt als journalist en verder is hij punckrocker. Vandaar dat vette staartje en die zwarte kleren, een geweldige vent!
In een zwetende bus werden ruim dertig feestgangers drie uur door plat Servië gevoerd met slechts één rookpauze voor verslaafden, dus voor de ruime meerderheid. Met kennelijke gretigheid wordt het leven hier geconsumeerd, opgerookt, opgedronken. Op het vliegveld van Belgrado viel het ons direct op: Met de Schipholparfums nog in de neusgaten, werden hier de reukpapillen geteisterd door een smerige tabakslucht afkomstig uit de bars langs de ontvangsthal.
Op weg naar Trsic kijk ik langs de rijen met stoelen. Onbekende tronies, licht getint, donker meest sluik haar, de vrouwen van te slank en donker tot vadsig en peroxide blond, ik zie er nog geen structuur in. Allemaal kwamen ze naar hier om de vijftigste verjaardag van "David" te vieren, voor mijn vierentachtigjarige vader, mijn dochters en mij, "David-Jan", zoon, oom en broer, onze Servische Abraham.
De avond ervoor aten we gegrilde worstjes met de Nederlandse vrienden, die uit Skopje en met Katja, architect en vriendin van mijn schoonzus Aleksandra. Xhabir was ceremoniemeester op het huwelijk, zenuwachtig van de verantwoordelijkheid, maar nu uiterlijk ontspannen, op reis met zijn beste vriend Kreshnik uit Macedonië en hun vriendinnen naar het gehate Servië. Dat ze toch kwamen, zegt iets over Balkanvriendschap, ze zijn namelijk van Albanese afkomst. Zij en hun families hebben tijdens de oorlog veel geleden. Ook het Nederlandse gezelschap is me maar ten dele bekend. Pieter, architect uit Den Haag, Jan die ik nog ken uit de zandbak tussen onze ouderlijke huizen en Tanja, toen nog in dienst van de NOVIB, nu juist bevrijd uit de benarde directiepositie bij omroep Llink. Dirk-Jan kende ik niet, fotograaf voor NRC, winnaar van de zilveren camera, werd een jaar geleden nog het ziekenhuis ingeslagen toen hij opnames maakte van de brandstichting van de Amerikaanse ambassade in Belgrado. Wil, bezig met de redactie van manuscripten van Dries van Agt en Marcel van Dam. En Ronald, muzikant, groot roker en drinker met een goed gevoel voor zwarte humor. Xhabir doet iets onduidelijks met artproductions, zijn vriend daarentegen heeft een radiozender in Skopje. Een bont gezelschap om op die eerste avond al kennis mee te maken. Na het eten naar het café? Opa moet naar bed, het wordt te laat.
Om half vijf ’s ochtends uit bed om eerst met de trein en daarna met het vliegtuig te reizen. Onderweg maakte hij al contact met een vrouw uit Luxemburg en een Heerenveense ambtenaar uit Joegoslavië. En dan nog vier glazen bier. De rest gaat naar een disco, een binnenplaats ommuurd door gevels van een saai kantoor, door lichteffecten opgeleukt tot een schapenwolkjeshemel met verspringende lichtcontouren. Een jongedame op een soort bordes doet haar uiterste best om het ongeďnteresseerde publiek iets onduidelijks toe te zingen, groepjes jongeren houden zich bezig met langs elkaar te schuiven vice versa naar de wc en de bar, druk bezig om hun mobieltjes te controleren of er dan toch iemand een sms-je wil sturen. Er zit niet veel anders op dan gewoon door te drinken en te roken, hoewel ik het bij juice houd en gratis meeroken. Mensen kijken op de markt heeft meer mijn voorkeur.
Want ze waren er nog, hoewel hun aantal was verminderd. Oude, kromgegroeide vrouwtjes onder luifels, hun groezelige lange vingers graaiend in de bakken met kersen en andere producten van de dagoogst van hun verwanten op het platteland. Hun gerimpelde bruine gezichten omkranst door slierten grijs haar, bijeengehouden door een donkere hoofddoek. Vrouwtjes zoals de heks uit Hans en Grietje, vriendelijk en uitnodigend met onbestemde onderliggende bedoelingen. We kochten vers fruit en gedroogde pruimen en vijgen voor in de bus en gedroogde paddestoelen voor thuis. In de zigeunerhoek verdrongen zich de meest exotische waren voor de achteloze blik van een toevallige passant. Van lampenkappen tot oude deosticks, van kralenkettingen tot potten en pannen, allen onmiskenbaar voormalige bewoners van een vuilcontainer.
Belgrado is, op een paar straten na, een vieze stinkstad, roet van oude knalpijpen bevuilt de gevels tot een eenvormige kleur van vermoeidheid, warmte stooft asfalt en straatvuil tot een ongezond elixer. Het dorp Trsic, het dorp van de taalhervormer Karadzic, ruikt daarentegen naar bomen en vochtige aarde. Er stroomt een beek doorheen, omzoomd met landerijen en goed geconserveerde oude huisjes. Hoger op de heuvels zijn loofbossen dooraderd met een web van geitenpaadjes. De optocht van feestgangers slentert over het enige weggetje naar het feestterrein. In de tuin van het hostel staan banken en stoelen rond tafels gevuld met flessen rakija en bakjes met pepers en paprika’s. De groep verspreidt zich en nestelt zich over het terrein, slaat het welkomstglaasje in één vloeiende beweging achterover en geniet van de frisse atmosfeer. Gesprekjes ontwikkelen zich, lopen even, doven uit en beginnen opnieuw aan een andere tafel in een andere samenstelling. Daar zijn Vlada en Andjelka, zwager en zus van Aleksandra. Andjelka is arts, doet onderzoek naar het conserveren van sperma in het kader van vruchtbaarheidsonderzoek. Later wil zij wel gaan praktiseren maar nu is dat lastig met Mihaela en haar jongste zoontje. Vlada is universitair docent in Nis en trekt er ieder weekend met zijn gezin op uit om deel te nemen aan de paintballcompetitie. Ik vraag hem wat daar de lol van is en realiseer me dat het beter is dan oorlog voeren en minstens zo zinloos als voetbal.
Het avondeten wordt klaargezet. Schotels met allerlei onbekende geurige stoofprutjes en brokken vlees van degelijk doodgeslagen dieren, sommige zeer smakelijk, andere van bedenkelijke culinaire herkomst worden leeggeschept in hongerige magen. Muziek uit blik wordt muziek uit instrumenten met een ziel of een stopcontact. Accordeon, contrabas, gitaar, toetsen en percussie verenigen zich van smartlap tot vrolijke gipsymusic.
Achter de rug van Andjelka spreekt Milos me aan. Of ik weet dat in dit dorp het geboortehuis van Karadzic staat. Achterover hangend op de wankele bank zeg ik hem dat ik dat wel begrepen heb, maar dat ik het belang ervan niet ken. Hij vertelt dat ergens in de negentiende eeuw Servië nationale gevoelens begon te ontwikkelen en daar hoort een uniforme taal bij met standaard uitspraak en schrijfwijze. De dialecten werden hervormd tot één taal en de schrijfwijze werd fonetisch. Dat klinkt makkelijk, schrijven zoals je spreekt, echter, de dertig lettertekens zijn in cyrillisch schrift dat behoorlijk afwijkt van latijns schrift. Inderdaad staan de meeste aankondigingen en richtingborden in die vreemde tekens geschreven, soms ook in twee schriften.
Milos vertelt verder over de Servische televisie- en radiozender van Belgrado B92 waar hij werkt en zegt dat ik absoluut moet praten met zijn collega en inspirator in het oranje shirt, Goran. Die presenteert belangrijke nieuwsrubrieken en zijn stem wordt gebruikt voor het inspreken van de programma’s van National Geographic. Hij demonstreert: "Nu sluipt de leeuw naar zijn prooi, duikt in elkaar en bereidt zich voor op een dodelijke sprong". Milos kijkt erbij of hij zelf gaat springen. Later op de avond tref ik Goran en raak overtuigd van diens kwaliteiten. Een levendige man met veel mimiek en veel speeksel pakt me voortdurend bij een arm, een schouder of klopt me op de rug. Hij vangt een vuurvlieg, knijpt het insect fijn en wrijft de fluorescerende brij op beide wangen van Eline, die er plots uitziet als een elfje. Hij raakt opgewonden door Nederlands weigering om Servië te nomineren als lid van de EU. "Onze generatie heeft niets te maken met die oorlog, wij willen samenwerken en vriendschap met de landen om ons heen. Ik snap wel dat Nederland littekens heeft van Srebrenica maar dit is koren op de molen van meneer Wilders". Hij kent hem blijkbaar ook al. We discussiëren nog wat over het probleem van objectieve verslaggeving, als er aangekondigd wordt dat Tanja Nederlandse smartlappen gaat zingen. Ze kijkt er zo benauwd bij dat vier Nederlanders haar te hulp schieten en met enige ervaring in Laignelet in Bretagne, help ik haar op weg.
Bierflessen klotsen tegen elkaar, de stemming wordt steeds kameraadschappelijker. Ik houd niet van bier. Jan van de zandbak haalt wijn voor me, die van pure jeugdigheid voortdurend uit de karaf springt, ik grijp telkens mis. Is dit soort mannelijkheid fout? De lust om te moraliseren zakt me in de schoenen wanneer Xhabir me naar mijn vrouw en mijn moeder vraagt. Met de laatste gaat het niet zo goed, ze valt steeds vaker en wordt erg vergeetachtig. Hij slaat een arm om me heen. "That’s life my friend, that’s life". Hij vertelt van zijn ouders en de toestand in de bejaardenhuizen hier.
Met Pieter en Eline komt het gesprek op de heldere hemel van deze nacht en Pieter denkt dat hij wel enige sterrenbeelden zal kunnen herkennen buiten de lichtkring van het vuur en de lampen. Gedrieën klimmen we de heuvel op dwars door een pas ingeplant veld. Hij ziet de zwaan, de grote beer, de noorderkroon, maar mist cassiopeja en loopt tegen een jong boompje. We worden ons bewust van onze nietigheid en ik van mijn slaap. Bij mijn nachtverblijf neem ik afscheid. Mijn vader ligt onwrikbaar opgerold in het grootste deel van het dekbed dat we moeten delen. De volgende ochtend zijn de rollen omgedraaid.
Om half negen ben ik wakker, loop voorzichtig naar de waranda en wil op de bank lekker in de zon gaan zitten. Plots hoor ik gesnurk onder me. Is het een man, is het een vrouw? Het is onzichtbaar en het ruikt onfris onder die paardendeken en ik besluit om er niet bovenop te gaan zitten. Ik wil wandelen in de stilte van de natuur, verder het dal in, verder de heuvels in. Ik wandel tot het water van de beek over de rand van mijn schoenen loopt en soppend beklim ik de heuvelflank, steil omhoog, rechts een pad volgend tot ik de kam van de heuvel bereik en over een breed pad een open veld inloop met verderop een stil gehucht. Het uitzicht naar alle kanten is ver en fraai. De zon wordt al warm en ik daal op goed geluk de heuvel weer af voor het ontbijt. Door het trage tempo van ontwaken, herhaal ik deze exercitie nog twee maal, telkens iets verder noordwaarts, voor er voldoende animo is om te ontbijten.
De ochtend is bijna om, de middag slentert loom en warm het dal binnen. Hier en daar kaarten groepjes gasten, Annemarieke probeert samen met een autochtoon een krant te ontcijferen. Ik hoor voor de derde maal het verhaal van meneer Karadzic. Die naam krijgt een andere associatie dan wanneer hij in het Nederlandse journaal wordt genoemd. Ik lees nog een boek op de bank, die nu leeg is en koester me in de zon. Vlada en Andjelka ruimen hun spulletjes op, we kletsen nog wat over kinderen, het vaderschap en paintball. Vijf jaar geleden logeerden we na het huwelijksfeest bij hen in Nis. Ze hadden toen nog geen kinderen.
Tegen drieën verlaten we de idylle en keren terug naar Belgrado. Na een afscheidsetentje bij een Italiaan gaan we naar bed, de rest gaat weer naar het café. De meiden en ik moeten morgen weer vliegen en willen voldoende slapen. Opa zal pas over vier dagen naar huis komen, hij heeft de tijd.
We stouwen onze bagage achter in de wagen. Een sjofele man met een kind aan de hand komt op ons af. Het kind heeft een astmapuffertje in zijn andere hand. Hij vraagt iets. "Nista!". Mijn broer is daar duidelijk in. De man houdt aan en kijkt treurig een welgevulde auto na op weg naar het vliegveld, op weg naar het rijke westen. Wij lossen dat probleem toch niet op, maar mijn geweten zou gesust zijn. Thuis maar een straatkrant kopen.
Vliegveld Belgrado, afscheid van David-Jan en Aleksandra. De luidsprekerstem roept namen om die wij kennen van het Joegoslaviëtribunaal, maar die waarschijnlijk niets anders betekenen dan Jansen of De Vries. Het gebouw is minder smoezelig dan vijf jaar geleden toen we hier waren voor de bruiloft van mijn broer en schoonzus.
In Zürich moet Annemarieke de fles whisky inleveren die ze voor haar Harold had gekocht. Belgrado ligt nog niet in de EU.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website