Het koetchi-koetchi-aquarium


een verhaal van Martin Doorn

1.


Dit vond ze wel een leuk karweitje. Het leeghalen van de autoclaaf. Je kon een beetje heen en weerlopen, je benen even strekken in plaats van steeds maar achter je werktafel zitten en allerlei spullen schoon te maken. Bovendien kon je als je stond, af en toe naar buiten kijken. Iets dat zittend niet mogelijk was. Als je achter de inpaktafel stond keek je vanaf de eerste verdieping, waar de sterilisatieafdeling gevestigd is, precies op de ingang van het ziekenhuis. Je zag de mensen in en uit het ziekenhuis gaan. Sommigen hadden een afspraak met een arts. anderen kwamen op bezoek bij een familielid of bekende. Als ze een bosje bloemen in de hand hadden waren het bezoekers. Een bloemetje meenemen voor een arts kwam zelden voor. Onder het inpakken van de gesteriliseerde spullen uit de autoclaaf, keek ze af en toe naar de constante stroom van mensen die van en naar de ingang liepen. Je moest wel blijven opletten anders kwam er een verkeerd instrument op de verkeerde afdeling terecht.
Plotseling verstijfde ze. Die vrouw in die grijze jas. Die kende ze. Ze keek nog eens goed. Het leed geen twijfel. Ze herkende ook het sjaaltje dat ze om haar hals droeg. Dat sjaaltje had ze van haar cadeau gekregen. Dat was weliswaar meer dan drie jaar geleden, maar ze herkende het meteen. Die vrouw die nu naar binnen ging was haar ex-schoonmoeder. Nou ja, bijna schoonmoeder, maar in ieder geval ex. Met haar zoon had ze een jaar verkering gehad en een jaar samengewoond. Dat was inmiddels drie jaar geleden, maar ze herkende de vrouw nog alsof het gisteren was.
Ze kon het destijds goed met haar vinden evenals met haar ex-schoonvader. Toch was het fout gelopen. Niet omdat ze niet meer van elkaar hielden, maar omdat hij geen kinderen wilde en zij wel. Daarover was veel gediscussieerd, tenslotte vee ruzie over gemaakt en het had uiteindelijk tot een breuk geleid. Maar wat kwam de vrouw hier doen? Was ze ziek? Was haar man ziek? In ieder geval behoorde ze tot de categorie bezoekers met bloemetje. Haar zoon, mijn ex-vriend. Zou toch niet ziek zijn? Bedacht Mandy zich plotseling, terwijl ze de plastic doos bestemd voor de operatiekamer vakkundig sloot. Ze moest het weten. Ze stroopte haar latex handschoenen af, gooide ze in de afvalbak en liep de sterilisatieafdeling af. Nog in haar witte jas en met het haarkapje op liep ze regelrecht naar de receptie. Nog net zag ze haar ex-schoonmoeder de lift instappen. Mandy stapte in de naastgelegen lift waar de deuren net van opengingen. Ongeduldig maande ze de mensen die er instonden om de lift te verlaten. Haar ziekenhuiskleding hielp daarbij. Ze liet de lift op elke verdieping stoppen en wierp een blik in de gang. Op de vierde verdieping was het raak. Daar liep haar ex-schoonmoeder. Mandy stapte uit de lift en volgde haar behoedzaam. Terwijl ze dit deed bedacht ze dat dit de kinderafdeling was. Hier werden zieke kinderen opgenomen, maar hier was ook de kraamkliniek. Er ging een onaangenaam gevoel door Mandy. Even verderop stopte haar ex-schoonmoeder voor de ruit van het zogenaamde koetchi-koetchi-aquarium. Zoals ze de afdeling waar de pasgeborenen aan belangstellenden werden getoond, werd genoemd. Door de grote ruit heen kon je de baby’s zien die hier in hun doorzichtige wiegjes lagen. Op verzoek tilde een verpleegkundige zo’n kind uit de wieg en hield het op achter de ruit. Steevast begonnen de mensen, voornamelijk grootouders, allerlei idiote woordjes te brabbelen. Zoals koetchi koetchi en poekie poekie. Gelukkig was de ruit van dubbel glas en konden de baby’s niets horen van die onzin. Als een bliksemschicht schoot het door Mandy heen. Haar ex, Norman Clifford, de man die geen kinderen met haar wilde, was getrouwd en kreeg nu een kind of had al een kind gekregen. Ze moest hier het fijne van weten. Ze kon het niet aan de receptievragen. Dat zou te veel opvallen. Mandy bleef op veilige afstand van haar ex-schoonmoeder en viste een mondkapje uit haar jaszak. Als ze dit voor haar mond hield was ze in combinatie met haar haarkapje en witte jas, vrijwel onherkenbaar. Langzaam liep ze achter de vrouw langs. Wat ze hoopte, gebeurde. Haar ex-schoonmoeder noemde de naam van de baby die een verpleegkundige achter de ruit ophield. ‘O wat is Patrick mooi’ kirde ze met een hoog stemmetje. Mandy liep snel door. Nu wist ze alles. Haar ex, die geen kinderen wilde had een zoontje gekregen, die Patrick heette. Die snol waar hij mee getrouwd was had hem er natuurlijk ingeluisd. Die stoephoer was natuurlijk zogenaamd per ongeluk de pil vergeten in te nemen. Nou Mandy zou ze helpen. In eerste instantie was het nu belangrijk dat ze haar handen vrij had. Snel liep ze terug naar haar afdeling. Ze klopte op de deur waarachter haar chef zijn bureau had. Met een gekwelde uitdrukking op haar gezicht opende ze, na het ‘binnen’, de deur en stapte het kantoortje in. De chef keek op vanachter zijn bureau en vroeg wat hij voor haar kon doen. Mandy vertelde op een wat bedeesde toon dat ze zich nogal beroerd voelde en naar huis wilde. De chef vroeg wat er dan wel aan de hand was. Mandy zei dat het een vrouwendingetje was, ‘U weet wel’, voegde ze er nog met neergeslagen ogen aan toe. Het leek wel of de chef een beetje achteruit deinsde in zijn stoel. Haastig zei hij: ‘Ja, ja, ik begrijp het. Ga maar gouw naar huis’. Met een lachje rond haar lippen deed Mandy de deur achter zich dicht. ‘Wat waren die mannen toch voorspelbaar. Zodra je over menstruatie begon, al hoefde je zelfs het woord niet te noemen, schrikken ze zich wezenloos en waren ze als was in je handen. Je kon ze dan van alles wijsmaken en ze stemden in alles toe als je maar zo snel mogelijk uit hun buurt verdween’.

2.


Het liep tegen tien uur ‘s avonds toen Mandy door de hoofdingang het ziekenhuis binnen ging. Bewust niet door de personeelsingang, dan zou ze haar pasje moeten gebruiken en dat was achteraf controleerbaar. Ze sloeg direct rechtsaf om niet langs de receptie te hoeven en verdween in het trappenhuis waar ze afdaalde naar de kelder waar de kleedruimten van het personeel was. Uit een vuile-was-container viste ze een doktersjas en trok hem aan. Een haarkapje, handschoenen en een paar mondkapjes had ze die middag al mee naar huis genomen. Beide deed ze op en ging met de lift naar de negende verdieping waar zich de kleedruimten van de artsen bevonden. Schijnbaar achteloos slenterde ze door de gangen. Intussen speurde ze links en rechts naar de spullen die ze nodig had. Die waren snel gevonden. In een rustkamer van het personeel vond ze wat ze zocht. Een stethoscoop en een klembord met een aantal paparassen er op. Aldus gewapend haastte ze zich naar het koetchi-koetchiaquarium. Ze stelde zich op tegenover de deur die toegang gaf tot het aquarium. In haar doktersjas met mondkapje, haarkapje en de stethoscoop rond haar nek leek ze overtuigend op een arts. De doktersjas liet ze nonchalant openhangen, zoals ze de artsen vaak zag doen. Leunend tegen de muur deed ze alsof ze de gegevens op het klembord bestudeerde. Intussen hield ze de toegangsdeur nauwlettend in de gaten. Naast de deur bevond zich een klein paneeltje waarop je de toegangscode moest intypen. Veel deuren waren tegenwoordig op deze manier beveiligd. Om binnen te komen moest Mandy de code zien te achterhalen. Gelukkig lette niemand op haar. Af en toe knikte een voorbijganger haar vriendelijk toe, maar niemand vroeg zich kennelijk af wat die arts daar deed. Na een paar minuten kwam er iemand die naar binnen wilde. Hij toetste de code in en de deur ging met een klik open. Het intoetsen van de code ging erg snel en Mandy had slechts drie cijfers kunnen zien. Ze schreef ze haastig op een hoekje van een papier op haar klembord. Het duurde niet lang of er kwam een volgend persoon die naar binnen wilde. Deze keer was het een vrij kleine verpleegkundige. Mandy kon het intoetsen van de code nu duidelijk zien. Het was: 4478. Ze schreef het op en scheurde het hoekje van het papier af, waar ze het had opgeschreven en stak het in haar zak. Rustig wandelde ze de afdeling af. Ze ging naar de kleedruimten in de kelder. Stopte de jas en de andere spullen in haar eigen kast en vertrok via de bezoekersingang weer uit het ziekenhuis.

3.


Thuis aangekomen overdacht Mandy nog eens zorgvuldig haar plan. Tot dusverre was alles perfect verlopen, maar het was zaak je kop erbij te houden. Geen fouten maken en vooral geen sporen achterlaten. Nu eerst boodschappen doen. Sterke tape kopen. Een stevige, maar onopvallende plastic zak aanschaffen. Bij voorkeur in een grote zaak en vooral contant betalen. Geen sporen achterlaten. Op naar de avondwinkels. Die avond om ongeveer half twaalf verliet Mandy haar huis en ging op weg naar het ziekenhuis. Om twaalf uur zou de receptioniste haar wacht overdragen en zou ze het binnenkomen van een onopvallende vrouw waarschijnlijk niet eens opmerken. Gekleed en een donkere jas, met de kraag opgeslagen en met een sjaaltje om haar hoofd liep Mandy op zelfverzekerde wijze de hal van het ziekenhuis binnen, stak vluchtig haar hand op naar de receptie en stapte de lift in. Ze haalde opgelucht adem. Ze was nauwelijks opgemerkt. Ze haalde haar spullen uit haar kledingkast en veranderde weer in een arts in een witte jas. Op de kraamafdeling was het stil. Er waren geen bezoekers of personeel te zien. Kordaat stapte ze op het codepaneeltje af en toetste de cijfercombinatie in. 4478. Ze hoefde niet eens op het papiertje te kijken dat nog in haar jaszak zat. Een klik en de deur ging open. Ze zag nog net hoe de verpleegkundige van de wacht snel een computerscherm wegklikte en zogenaamd een medisch artikel las. In werkelijkheid had ze waarschijnlijk een computerspelletje zitten spelen. In twee grote stappen stond Mandy achter haar en wikkelde razendsnel tape over haar mond. Nog voor de verpleegkundige van de schrik bekomen was trok Mandy haar armen nar achteren en tapete ze vast aan de stoel. Daarna deed ze het zelfde met haar voeten. Toen legde ze de stoel op zijn rug zodat de verpleegkundige hulpeloos was. Zonder zich nog verder over haar te bekommeren snelde Mandy het vertrek in waar de baby’s in hun wiegjes lagen te slapen. Baby Patrick was snel gevonden. Hij lag vredig te slapen. Mandy trok hem de plastic zak over zijn hoofd en draaide tape om zijn nek. Met zijn hoofd ingepakt als een bosje bloemen, keek Patrick Mandy aan. Even kreeg ze het te kwaad en wilde de zak losrukken, maar toen dacht ze weer aan het kind dat haar was onthouden. Ze draaide zich om en liep de kamer uit, de gang in.

4.


Commissaris James Norod zat in zijn kantoor de krant te lezen. Hij maakte zich kwaad. Alweer was de kinderbijslag omhoog gegaan stond er te lezen. Waren ze gek geworden? De wereld ging ten onder aan luchtvervuiling, er was een tekort aan betaalbare huizen, het verkeer was langzamerhand niet meer om door te komen en overal ter wereld maakten mensen elkaar af omdat ze boven op elkanders lip moesten leven. Maar de fokpremie ging weer eens omhoog. Nou ja. Hij had die milieuvervuilers in ieder geval niet op de wereld gezet. Net gooide hij de krant in de prullenbak toen er op de deur werd geklopt en op zijn ‘binnen’ een rechercheur zijn kantoor instapte. De man keek ernstig. ‘Vertel het maar’, zei Norod vriendelijk. ‘Een moord, zei de man. Er is een baby vermoord. Vermoord met een zak over zijn hoofd in de babykamer van het Centraal Ziekenhuis. Het bleef even stil in het kantoor. Had Norod daarnet nog elke nieuwe boreling een ramp voor de wereld genoemd, dit greep hem zichtbaar aan. Moorden was hij na al die jaren wel gewend, maar een baby? Hij stond op trok zijn jas aan en zei tegen de rechercheur: ‘kom we gaan.’
Zonder verder nog een woord vuil te maken beende hij zijn kamer uit om op weg te gaan naar het ziekenhuis. Op de plaats delict aangekomen nam hij resoluut de leiding van het rechercheteam over. Deze zaak moest opgelost worden en wel snel.
Er waren al politielinten gespannen en men was druk bezig met het sporenonderzoek. Juist daar bleek het onderzoek te haperen. Er waren geen sporen te vinden. De dader was buitengewoon voorzichtig geweest. Er waren geen vingerafdrukken, omdat hij handschoenen had gebruikt. Er waren geen haren of vezels van kleding, noch huidschilfers te vinden. De plastic zak en de tape die waren gebruikt, kon je in elk warenhuis of doe-het-zelf winkel kopen. De enige hoop was, dat de beveiligingscamera die in de hal hing en op de ruit en de toegangsdeur van de babyafdeling was gericht de moordenaar had geregistreerd. Misschien stonden daar beelden op van de dader. Norod vroeg of de beelden van die camera al veilig gesteld waren. Dat waren ze. Hij nam de situatie in de gang en in de babykamer goed in zich op en vertrok weer naar zijn kantoor. Tegen het rechercheteam zei hij nog: ‘Vanmiddag om vier uur op mijn kantoor’.

5.


Het hele team zat om vier uur met bedrukte gezichten in het kantoor van de commissaris. De stemming was ver beneden peil. Ze hadden niets. Geen sporen, geen getuigen. De verpleegkundige die vastgebonden door een collega was gevonden, had de dader niet gezien omdat ze van achteren was aangevallen. Zij vroeg zich af hoe de moordenaar binnen had kunnen komen. De deur was beveiligd met een code. Alleen personeel van deze afdeling en de kinderartsen kenden de code. Samen bekeken ze de beelden van de beveiligingscamera. Er was niet veel bijzonders op te zien. Er stonden telkens mensen voor de ruit van de babykamer te kijken naar door een verpleegkundige opgehouden baby. Af en toe werd de deur naar de afdeling opengedaan door een verpleegkundige of een arts. Soms drukte er iemand op de bel die naast de deur bevestigd was en deed de dienstdoende verpleegkundige de deur open. In beeld liep de tijd mee. Om ongeveer kwart over twaalf verscheen er een arts in beeld. Hij was gekleed in een witte jas, mondkapje voor, latex handschoenen aan, een haarkapje op en een stethoscoop losjes om de nek. In zijn hand had hij een klembord. Hij was maar een kort moment te zien, toen verdween hij uit beeld van de camera. Even later was hij weer te zien, maar nu als spiegelbeeld in de ruit van de babykamer. De ruit fungeerde als spiegel. De beveiligingscamera was bevestigd aan de muur schuin tegenover de ruit van de babykamer. De camera was hoog in de muur opgehangen, bijna tegen het plafond. Zodoende was de arts die nu tegenover de deur tegen de muur geleund stond, slechts tot even boven zijn middel te zien. Hij bleef geruime tijd tegen de muur geleund staan. Op een gegeven moment kwam hij weer, op de rug gezien volledig in beeld. De camera registreerde dat hij naar de deur liep, de toegangscode intikte en naar binnen verdween. Een halve minuut later zagen ze hem weer. Nu achter de ruit in de babykamer. Omdat het in de babykamer schemerig was, was het beeld van bijzonder slechte kwaliteit. Enige minuten later zagen ze hoe de arts de deur uitkwam en de gang in liep, uit het beeld van de camera. Norod zette de opname stil en zei tegen zijn rechercheteam: ‘Dat is de man die we moeten hebben. Ik wil dat er foto’s komen van deze man als hij tegen de muur geleund staat en als hij de afdeling binnengaat. Vandaag nog’. Voegde hij er streng aan toe. Daarna stuurde hij zijn team weg om verder onderzoek te gaan doen en alle artsen te ondervragen. Dat zou een heel karwei worden.

6.


Het liep al tegen middernacht toen Norod met rode ogen van het turen achteroverleunde in zijn bureaustoel. Hij had de beelden nog eens één voor één afgespeeld. Beeldje voor beeldje. Aangezien de beveiligingscamera slechts één beeldje per seconde maakte viel de kwaliteit erg tegen. Toch had Norod kunnen constateren dat de arts, die al in beeld was aan het einde van de middag, iets op het klembord schreef, een stukje papier afscheurde en in zijn zak stopte. Na steeds weer de beelden te hebben bekeken kwam hij tot de conclusie dat de arts de code had opgeschreven en in zijn zak had gestopt. Dat was waarschijnlijk de verklaring waardoor hij kon binnenkomen in de babykamer. Was het ver gezocht? Misschien wel, maar het was het enige dat hij had. Met de foto’s die van de camerabeelden waren gemaakt was hij ook aan de gang geweest. Daar was hij niets verder mee gekomen. De foto’s waren vaag en bovendien te klein. Hij moest vergrotingen hebben. Hij liet de politiefotograaf opdraven en vroeg om vergrotingen. Een uur later had hij ze. Opnieuw bekeek hij de foto’s. De beelden die in delen vergroot waren leverden vooralsnog niets op. Een beetje moedeloost staarde hij naar een vergroting van het buikgedeelte van de man. Hij ging rechterop zitten. Er was iets met de foto. Maar wat? Kwam het doordat het in spiegelbeeld was? Weer liet hij de fotograaf roepen en verzocht hem de foto te spiegelen zodat het weer de realiteit werd. Dat gebeurde. Opnieuw bekeek Norod de foto. Weer zag hij iets. En weer wist hij niet wat. Hij wilde net opstaan om eindelijk zijn bed maar eens op te zoeken, toen hij het zag. De knoopjes. Op de laatste teruggespiegelde foto zaten de knoopjes op de doktersjas op het rechter jaspand. De knoopjes van het overhemd er onder, zaten op het linker overhemdpand. De doktersjas was een mannenjas en het overhemd was een vrouwenbloesje. Dit was geen man, maar een vrouw. Vrouwen trokken wel eens een mannenhemd aan van vader of vriend, maar mannen geen vrouwenbloesje. Althans, zeer zelden. Norod stond op. Hopelijk kon hij nu slapen. Het aantal verdachten was in ieder geval gehalveerd. Toch kwam er van slapen niet veel. Hij lag te draaien en te woelen. In feite was hij maar bitter weinig opgeschoten, tenminste als zijn rechercheurs niet met een verdachte op de proppen kwamen. Het was al tegen vijf uur in de ochtend toen hij doodmoe uit bed stapte en koffie begon te zetten. Hij had de hele nacht geen oog dicht gedaan. Terwijl hij zijn koffie dronk bedacht Norod dat dat briefje in die artsenjas nog wel eens iets zou kunnen opleveren. Al zeer vroeg arriveerde hij op het bureau en begon rond te bellen. In het ziekenhuis vertelden ze hem dat kleding die door het personeel wordt gedragen elke dag werd opgehaald door een gespecialiseerde wasserij en werd gereinigd. Dat ophalen van de kleding gebeurde ’s morgens om vier uur, wanneer ook de gewassen kleding werd afgeleverd. Norod vroeg het adres van de wasserij en ging gehaast op weg.
Het voordeel van werken bij de politie, zeker als je commissaris bent, is dat je nooit een afspraak hoeft te maken. Toen Norod zich dan ook meldde bij de ingang van de wasserij, kon hij na het tonen van zijn politiepenning, rechtstreeks doorlopen naar de kamer van de directeur. Dit was een kalende man, Norod schatte hem van zijn eigen leeftijd, rond de vijftig, die hem hartelijk verwelkomde en hem een stevige handdruk gaf. Norod legde hem zijn probleem voor. De directeur deelde hem echter mede dat de lading wasgoed, die vanmorgen was opgehaald al lang in de machines zat en waarschijnlijker al gewassen en gestreken was. Maar als er al iets in de zakken van een kledingstuk had gezeten was het er zeker uitgehaald. Dat gebeurde standaard. ‘Dan moet u bij Frau Frieda Hafels zijn, die kijkt alles na en neemt het in bewaring en zij doet dat met Duitse grondigheid’. De directeur pakte de telefoon en belde Frau Hafels. Even later stapte een vrouw het kantoor binnen. Ze voldeed aan alle vooroordelen die er over Duitse vrouwen bestaan. Blond, blauwe ogen en een flinke bos hout voor de deur. De directeur legde snel uit dat commissaris Norod op zoek was naar een papiertje dat in een doktersjaszak zou hebben kunnen zitten. Frau Hafels vroeg Norod haar te volgen. Hij liep braaf achter haar aan met het uitzicht op de, om de beurt, vrolijk op en neer wippende Duitse billen van Frau Hafels. In haar kantoortje gearriveerd zag Norod een hele wand met archiefkasten. Frau Hafels wees er op en zei: ‘In deze kasten bewaren we alles wat we in de vuile was vinden. Stethoscopen, koortsthermometers, balpennen, viltstiften, horloges, kettinkjes, brillen, armbandjes en allerlei andere rommel. Persoonlijke dingen bewaren we een maand. Daarna worden ze verkocht of weggegooid. Dingen van medische aard worden verbrand. Je weet immers niet wat er mee gebeurd is. De opbrengst van sierraden wordt aan het Rode Kruis geschonken. Maar het ergste zijn de balpennen en de viltstiften. Als die in de wasmachines terechtkomen is alle wasgoed verpest’. Na deze uitleg opende Frau Hafels een kast en deelde mede dat hier de opbrengst van vanmorgen lag. op de plank die Frau Hafels aanwees zag Norod plastic zakjes met daarin allerlei voorwerpen. Hij schonk er geen aandacht aan. Hij was op zoek naar dat ene papiertje. Tot zijn eigen verbazing vond hij een zakje met een papiertje. Door het plastic heen kon hij zien dat er vier cijfers op het papiertje stonden. Frau Hafels liet hem tekenen voor ontvangst en even later reed hij terug naar het bureau. Het plastic zakje met zijn vondst in zijn binnenzak. Op het bureau bestudeerde hij het papiertje door het plastic heen. Er stonden vier cijfers op. Zijn veronderstelling dat het de deurcode van de babykamer zou zijn won aan waarschijnlijkheid. Hij bracht het zakje met inhoud naar het laboratorium voor onderzoek, maar niet nadat hij de vier cijfers had opgeschreven. Met de code haastte hij zich vervolgens naar het ziekenhuis. Bij de babykamer aangekomen toetste hij de vier cijfers in. 4478. Er gebeurde niets. Nogmaals probeerde hij het. Weer niets. Hij drukte op de bel naast de deur en even later verscheen er een verpleegkundige achter de ruit van de deur. Ze keek een beetje ongerust naar Norod, maar deze hield zijn legitimatie duidelijk zichtbaar voor haar omhoog en ze opende de deur. Norod toonde haar de code die hij had overgeschreven van het papiertje en vroeg of dit de code van de deur was. ‘Ja, dat was inderdaad de code van de deur, maar dan wel de oude code. De deurcode was inmiddels veranderd. Dat was toch te begrijpen? ‘ Norod knikte en merkte op dat het verstandig was. In het restaurant van het ziekenhuis nam hij een kop koffie en zette op een rijtje wat ze nu hadden. Veel was het niet. De dader was hoogstwaarschijnlijk een vrouw. Ze had de toegangscode op een papiertje geschreven en dat in haar doktersjaszak gestoken. Dankzij Frau Frieda Hafels had hij het papiertje nu in zijn bezit. Dat was in feite alles. Dan was er nog het echtpaar Clifford wier baby vermoord was. Beiden hadden een sluitend alibi en voor zover beken zoals ze zelf verklaard hadden, geen vijanden. Bleven de twee vragen die hij al vanaf het beging had moeten beantwoorden. Wie en waarom? Ondanks dat zijn rechercheteam al een bezoek aan de familie Clifford gebracht had besloot Norod er toch nog eens langs te gaan. Mijnheer Clifford deed open en liet Norod, na het tonen van zijn legitimatiebewijs, binnen. Norod condoleerede hem en vroeg waar zijn vrouw was. Die bleek op bed te liggen met zware rustgevende medicijnen. Norod knikte begrijpend. Hij haalde de foto’s die de technische dienst van het papiertje gemaakt had en toonde ze aan de heer Clifford. Nog voordat Norod iets gezegd had fluisterde Clifford: ‘Dat is de acht van Mandy.’ Norod begreep er niet veel van en keek Clifford vragend aan.

7.


Clifford wees op de foto. Die acht in de code …… is een Amerikaanse acht. Hij wordt anders geschreven. Een acht bestaat uit twee nulletjes boven elkaar. In Europa beginnen we in de taille van de acht met schrijven. Vanuit de taille linksom naar beneden en dan terug naar de taille. Dan weer vanuit de taille rechtsom naar boven en terug naar de taille. De Amerikanen beginnen bovenaan en gaan dan linksom via de taille naar beneden, dan rechtsom via de taille naar boven en eindigen aan de bovenkant. Vrijwel nooit sluit het dan precies aan. Hij wees op de bovenkant van de acht op de foto. Na dit relaas bleef hij enige tijd zwijgend zitten. Toen zei hij met zachte stem: ‘de overleden moeder van Mandy was Amerikaanse en heeft Mandy thuis les gegeven. Mandy kon al schrijven en rekenen voordat ze naar school ging. Die rare acht heeft ze van haar moeder geleerd. Ik heb haar er vaak mee gepest’. Hier zweeg hij weer. Ook Norod zweeg. De praktijk wees uit dat je beter kon zwijgen tot de persoon uit zichzelf verder ging. Dat gebeurde. Na een minuut of tien zei Clifford: ‘Mandy is mijn ex-vriendin. We zouden trouwen, maar dat is niet doorgegaan omdat zij kinderen wilde en ik niet. Ze werkt in het ziekenhuis, op de afdeling sterilisatie. Ik zal ook haar adres opschrijven.’ Norod stond op, bedankte de beduusde man en vertrok. Hij wist genoeg.

8.


Met twee agenten in uniform ging Norod naar het opgegeven adres. Mandy was thuis. Met ziekteverlof. Al na vijf minuten barstte ze in snikken uit en bekende alles. Ze werd gearresteerd en zou waarschijnlijk voor lange tijd achter de tralies moeten verblijven.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website