MILIEU-ERVARINGEN


een beschouwend verhaal van Jacob Batoeck

De omgeving was anders dan die ik kende. Lanen met grote bomen en een bosrijke omgeving had ik niet vaak echt om mij heen gehad. Ik had altijd in de grote stad gewoond. Dat was weliswaar niet in een binnenstad, maar het verschil bestond uit niet meer dan een nog jong stadspark.
Herinneren is een wonderlijk gebeuren. Door een onduidelijk proces komt een fragment uit het verleden boven drijven. Het heeft iets van de was die in een tobbe boven water komt, teruggeduwd wordt en weer aan de oppervlakte geraakt. Zeker, dit is een oud beeld, ook vanuit een vroeger in het nu gesprongen.
Door wat erin mijn hoofd – waarin veel aanwezig is – opkomt, wordt ik mij bewust van perioden uit mijn leven. Ik weet het dan weer. Nee, eenvoudig werkt het niet. Tussen een toen en een nu zit tijd, die op mij heeft ingewerkt en mij heeft beïnvloed. Ieder verleden heeft een heden nodig om te kunnen worden herbeleefd.
Ik zat vanwege mij slechte ogen op een sluisinternaat in Zeist, in een groene omgeving met veel bomen. Bij het schrijven van deze zin vroeg ik mij af, of het woord ‘sluisinternaat’ een tot het algemeen Nederlands behorend woord is. Voor een antwoord besloot ik het op te zoeken. Ik haalde Van Dale, Groot woordenboek van de Nederlandse taal, editie oktober 2015, erbij. Jawel, ik trof het woord aan, voorzien van de volgende betekenis: ‘’centrum dat een sluis bedoelt te zijn tussen de psychiatrische inrichting en de maatschappij (in beide richtingen)’’. De essentie stond er, echter wel toegeschreven aan een specifieke inrichting. Was dit de realiteit geworden en bestonden er inmiddels van andersoortige inrichtingen geen sluisinternaten meer, of waren deze niet bekend bij de samenstellers van de Van Dale? Misschien moest ik voorzichtig worden en bij het gebruik van het woord ‘sluisinternaat’ er maar meteen aan toevoegen dat het voor visueel gehandicapten was. Ik beschikte, immers, niet over een psychiatrisch verleden.
Vanuit die mooie villa ging ik naar het dichtbij gelegen Christelijk Lyceum. Ik liep altijd, want mijn ogen waren te slecht om te kunnen fietsen. De school had twee gebouwen waartussen een loopafstand van bijna tien minuten lag. De verbindingsweg werd rijkelijk omzoomd door veel bomen en een van de twee gebouwen lag een beetje in een bos. Al lopend ging ik mij deze mooie omgeving beseffen. Ik raakte doordrongen van het verschil met de stadse sfeer van Rotterdam, die de eerste zeventien jaren van mijn leven getekend had. In mij groeide waardering voor het natuurlijke groen, dat hier en daar hoog reikte. En ik voelde mij meer betrokken bij de wisseling van de seizoenen. Vooral de herfst met het verkleuren van de bladeren bij een najaarszon en de enorme bladval vanwege de hoeveelheid bomen imponeerden mij. Mijn ogen zelf konden de kleurenpracht niet zien, maar in mij deed zich een omzetting voor naar een gevoelswaarneming die veel goedmaakte bij mijn visuele gemis.
Naast de directe beïnvloeding van de door mij als vol natuur beleefde omgeving die ik vaak om mij heen wist, waren er ontwikkelingen in de actualiteit die mijn aandacht vroegen voor het milieu, een nieuw woord toen. Voorheen las ik wel eens in een krant, maar ineens vond ik dat niet mee voldoende. Ik ging tot dagelijkse lezing van de in het sluisinternaat aanwezige Algemeen Dagblad over. Ik was, omdat mijn school andere roosters kende en zich dichterbij bevond eerder thuis dan de andere bewoners van het sluisinternaat en voordat ik aan het huiswerk ging, las ik dan de krant. Mijn interesse voor wat er in Nederland en in de wereld gebeurde en mijn kennis en inzicht in politiek nam toe. Op het lyceum werd bij diverse vakken de actualiteit betrokken. Verkregen inzichten werden besproken en gedeeld. Dat droeg bij aan mijn ontwikkeling en mijn begeerte naar meer kennis en groei van inzichten. Ik vond het Algemeen Dagblad niet goed meer, te algemeen. Ik had behoefte gekregen aan De Volkskrant, waaruit ik meer achtergronden, politiek nieuws en tot discussies aanzettende opinies haalde. In het sluisinternaat was deze krant niet aanwezig. Ik moest zelf af en toe een exemplaar kopen. Dat deed ik ook. Als dat werd geconstateerd, kreeg ik de waaromvraag. Het was voor mij niet moeilijk om deze te beantwoorden. Maar onverdeeld begrip ervoer ik niet.
En toen viel het kabinet Biesheuvel, waardoor zich verkiezingen voor de Tweede Kamer aandienden. Hierbij deed zich de bijzonderheid voor, dat het actieve kiesrecht kort ervoor van 21 naar 18 jaar was verlaagd. Ik mocht daardoor, omdat ik die leeftijd inmiddels bereikt had, gaan stemmen. Mijn eerder al in groei verkerende politieke interesse geraakte in een hogere versnelling. En dit proces ging door na de verkiezingen, aangezien er een uitgebreid – geschiedenis schrijvend – geheel van informaties en formatiepogingen volgde, waaruit uiteindelijk het kabinet Den Uyl voortkwam.
In de loop van zo’n twee jaar had ik tot een behoorlijk politiek wasdom bereikt en een daarmee samengaand bewustzijn. Bepaalde thema’s hadden daarbij mijn bijzondere belangstelling gekregen, waaronder het milieu.
Milieu was voor mij meer geworden dan de directe omgeving, waarin natuur in de vorm van veel groen en een rijkdom aan imposante bomen een rol speelden. Het was een besef geworden van afhankelijkheid van de gehele natuur en hoe er werd omgegaan met de aarde. Ik ging letten op aantasting van het milieu om mij heen. Zo vroeg ik welke wasmiddelen werden gebruikt. Daarin mochten geen fosfaten in zitten. Vervuiling van water, lucht en land kregen mijn aandacht. Hoeveel auto’s reden er wel niet rond, met hun uitlaatgassen?
Ik ging mee in een toenemend milieubewustzijn dat zich algemeen en in het bijzonder aan de linkerzijde van politiek denkend Nederland voordeed. In de voorafgaande jaren was de welvaart behoorlijk gegroeid en toen werd steeds duidelijker, dat daaraan naast voordelen ook nadelen kleefden. De natuur kon de grote hoeveelheden afval die geloosd, uitgestoten en gedumpt werden niet meer verwerken. En ook moest geconstateerd worden dat allerlei natuurlijke grond- en brandstoffen en uit de aarde gehaalde materialen niet onbeperkt aanwezig waren. Er moest over schaarste nagedacht worden, vooral internationaal. En dat gebeurde ook.
Belangrijk was het verschijnen van het rapport van de Club van Rome in 1972, waarin op basis van wetenschappelijk onderzoek de grenzen van de economische groei werden aangegeven in aansprekende modellen en schrikbarende grafieken. Mijn conclusie was, dat verandering onvermijdelijk was.
Ik maakte ontwikkelingen door, op school (havo, op het lyceum), in het sluisinternaat, in mijn oude vriendenkring en bij mijn ouders thuis. Ik zag verschillen en ontdekte invalshoeken.
De havo was een nieuwe vorm van middelbaar onderwijs met een gekozen vakkenpakket en nieuwe vakken. Bartiméus, het instituut voor blinde en slechtziende leerlingen dat zich over mij ontfermde, beschikte niet over een havo en zodoende kwam ik op basis van gemaakte afspraken op het Christelijk Lyceum Zeist terecht, nadat ik op de slechtziendenschool mijn mulodiploma had gehaald. Ik moest opnieuw op het onderwijsspoor komen voor een diploma dat een rechtenstudie op een universiteit mogelijk zou maken. Dat was de met mij uitgezette koers. Het lyceum was na mijn korte intermezzo op de kleinschalige slechtziendenschool een herbeleving van een grootschalige middelbare school met de drukte, de roosters en de organisatie die daarbij horen. Als slechtziende vormde ik weer, samen met een enkele lotgenoot, een uitzondering qua gezichtsvermogen. Ik moest mij aanpassen, wel kon ik eventueel opmerken dat ik van Bartiméus kwam. Dat hielp en kon mij ontlasten van visueel moeilijke taken, zoals bij het vak gymnastiek. Balspelen waren, bijvoorbeeld, niets voor mij.
Ik had, in mijn aanloop naar een rechtenstudie, voor een vakkenpakket gekozen dat mij nieuwe oriëntaties bood. Eerder had ik nooit kennis gemaakt met vakken als economie en handelswetenschappen en recht. Evenmin met muziek en vrije expressie, twee vakken die voor het eindexamen niet meetelden, maar wel vormend waren. Aan ‘vrije expressie’ denk ik met plezier terug. Het hielp mij bij bewust losser kunnen worden in gedrag en vertrouwen krijgen in anderen, medeleerlingen die eigenlijk onbekenden voor mij waren. Bij vakken die ik wel kenden, gingen vensters voor mij open, in het bijzonder bij Nederlands, Engels en Frans. Ik maakte meer kennis met de literatuur die bij het onderwijs in deze talen hoorde dan ik ooit eerder had gedaan. Ik moest een boekenlijst voor iedere taal maken en de erop geplaatste werken volledig lezen. Dat vroeg veel van mijn ogen. Zo las ik voor Nederlands onder meer werk van Louis Couperus (Eline Vere) en Jan Wolkers (Kort Amerikaans), voor Engels onder anderen George Orwell (Nineteen-eighty-four) en Aldous Huxley (Brave new world) en voor Frans onder meer Albert Camus (L’étranger). Ik herinner mij nog hoe de leraar Frans het existentialisme (een literaire stroming waartoe Albert Camus en Jean-Paul Sartre behoorden) uitlegde. Een mens heeft een existentie, een bestaan, waarin gekozen kan worden en verantwoordelijkheden kunnen worden genomen. Daarbij speelt vrijheid een rol. Ondanks de moeite die het mij kostte ging ik van literatuur houden. Het lezen van boeken zette mij aan tot nadenken en opende perspectieven. Er was meer dan direct kon worden waargenomen. Dat werd mij steeds duidelijker.
Het sluisinternaat voor slechtziende leerlingen vormde gedurende zo’n 20 maanden doordeweeks mijn directe woon- en leefomgeving. De fraaie villa met grote tuin waarin het gevestigd was, heette (overeenkomstig de al bestaande naam) Klein Schaerweijde. Ik behoorde tot de eerste groep bewoners. Daarvoor had ik binnen een internaat op het terrein van het instituut Bartiméus een jaar lang deel uitgemaakt van een groep van 4 jongens en 4 meisjes die op enige afstand van groepsleiding stond en in een soort voorstadium van een sluisinternaat verkeerde, een aparte woonkamer met keuken had en voor ieder een eigen kamertje in plaats van een plek op een slaapzaaltje. De villa betekende een vooruitgang, omdat er geen sprake meer was van een instituut-sfeer. Het bleef echter op kleinschalige wijze, in het huis ingepast, een internaat. Een directeur van het instituut woonde er permanent met zijn vrouw en twee kinderen. Er waren twee groepsleiders, die volgens roosters aanwezig waren, soms ook een slaapdienst hadden. Het koken en het doen van de was en het schoonmaken werden door twee in deeltijd werkende vrouwen gedaan. Het aantal bewoners bedroeg zo’n vijftien. Jongens en meisjes hadden de woonkamer, de slaapkamer en de keuken als gezamenlijke vertrekken. De kamers waarin geslapen werd en huiswerk gemaakt kon worden, waren zodanig in gedeelten van de villa en een voormalig personeelsonderkomen gekozen dat daar van een gezamenlijk verblijf geen sprake kon zijn. Op deze wijze werd een strak regime gevoerd, dat kennelijk uitging van jongens en meisjes die zonder toezicht wel eens iets met elkaar zouden kunnen gaan doen. Seks moest natuurlijk voorkomen worden op een internaat. Ik was de enige die op een school zat die niet tot het instituut behoorde. De anderen gingen dagelijks met de bus naar het terrein van Bartiméus, waarop de slechtziendenschool stond. Daar werd in diverse vormen en op uiteenlopende niveaus onderwijs gegeven. Mijn groepsgenoten zaten in de hoogste klassen van de school en zouden na een examen of andere afronding naar huis gaan, voor een vervolgopleiding of voor werk. Zij moesten toeleven naar een woon- en leefsituatie, waarin een instituut en omringende medeslechtzienden niet meer aanwezig zouden zijn.
Bood de villa de sluis naar een samenleving waarin goedzienden alles en iedereen domineren? Deze vraag – die ik nu stel - moet naar mijn inzicht individueel beantwoord worden. En dan zou er genuanceerd gereageerd kunnen worden.
Mijn kamer die ik met twee jongens deelde bevond zich aan de achterzijde met zowel een raam naar de tuin als een erker aan de zijkant. Van daaruit kon naar de hoofdingang gekeken worden en was er ook zicht op de voormalige personeelswoning met garageruimte eronder, waar jongenskamers waren. Het gangetje voor mijn kamer had een buitendeur, die aan mij en mijn kamergenoten een idee van een eigen in- en uitgang gaf. Thuis komend vanuit school kon ik direct naar mijn kamer gaan. Op een dag kwam via deze buitendeur een bijzondere man mijn kamer binnen. Vanuit mijn erker had ik al gezien dat hij van zijn fiets stapte en even rondkeek. Dat was vlakbij. En hij zag mij natuurlijk. Ik kende hem, zoals iedereen van het instituut hem kende: professor Diepenhorst, hoogleraar aam de Vrije Universiteit, politicus en oud-minister van Onderwijs en de voorzitter van het bestuur van Bartiméus. Door iedereen werd hij kort en met respect de professor genoemd. Het gebeurde wel vaker dat hij een onverwacht bezoek bracht aan een onderdeel van het instituut. Hij ging een gesprek met mij aan en vroeg mij hoe het was op Klein Schaerweijde en hoe het ging op school. Ik antwoordde beleefd en probeerde een positief beeld te schetsen. Het was een kort bezoek, waarna hij op zijn fiets stapte en wegreed. Aan contact met een groepsleider en de directeur had hij kennelijk geen behoefte. Toen ik later vertelde over het bezoek van de professor werd ik bevraagd. Wat wilde hij allemaal weten en wat heb je gezegd?, vroeg de directeur nieuwsgierig of misschien een beetje achterdochtig. Het sluisinternaat was nog nieuw en hoe moest het functioneren ervan worden beoordeeld? De groepsleiders maakten hun rapporten en deze werden wel gedeeld, maar niet direct met de jongens en meisjes waarover het ging. En andersom vond er geen directe beoordeling plaats. Commentaar verliep via informele wegen, soms in gesprekjes en ongenoegens bleken nogal eens op diverse manieren uit gedrag. In die tijd werd, voor zover ik mij kan herinneren, niet van pubers gesproken, maar Klein Schaerweijde was er rijkelijk mee gevuld.
Het sluisinternaat bood mogelijkheden die zich in mijn thuissituatie niet voorgedaan zouden hebben. Was ik na mijn eerste jaar op Bartiméus vanuit de slechtziendenschool met zeilkamp geweest, op de Loosdrechtse Plassen na een jaar op Klein Schaerwijde volgde een kampeervakantie in Oostenrijk, geregeld en gehouden samen met de in de villa wonende directeur. Hiermee werd voor mij een sluis geopend naar het buitenland, want ik was nog nooit buiten de Nederlandse grens geweest en bergen kende ik alleen van plaatjes en televisiebeelden. Een extra ervaring was dat ik samen met mijn kamergenoot met de trein ging. Er waren niet voldoende plaatsen in het busje waarin de anderen reisden en zodoende moesten er twee per spoor. Ik wilde het avontuur wel aan en meldde mij als vrijwilliger. Waarom zouden twee slechtziende jongens dat niet kunnen? Wij werden op de trein gezet en in Oostenrijk afgehaald. Nodig was dat wij goed zouden opletten en informeren als ons gezamenlijke gezichtsvermogen ontoereikend. Wij kregen het vertrouwen. Het spannendste moment was voor ons de afronding van de reis. Aan onze bestemming mochten wij niet voorbij reiden en de bordjes met de namen van de stations waren nauwelijks leesbaar. Met de meegegeven kennis en nog eens extra navragen konden wij op het juiste station uitstappen en voet op Oostenrijkse bodem zetten. Voordat wij ons de vraag konden stellen ‘en nu?’ werden wij opgevangen door de zus van de directeur die op de camping stond die onze eindbestemming vormde. De reis was vlekkeloos verlopen en er begon een vakantie, waarin ik andere natuur en de effecten van wandeltochten in de bergen aan den lijve ondervond. Mijn stadse benen kregen het soms behoorlijk te verduren bij het klimmen en bij het afdalen.
Een jaar later ging ik met drie vrienden uit Rotterdam op vakantie. Mijn verblijf op het sluisinternaat had ik afgesloten en mijn havo-diploma had ik gehaald. Ik was mijn oude vrienden blijven ontmoeten in de weekenden, die ik - op een enkele uitzondering na – thuis bij mijn ouders doorbracht. Onze vakantiebestemming was Joegoslavië. Wij wilden ver weg gaan. Het onbekende trok ons. Wij hadden als negentien- en twintigjarigen niet veel te besteden. Daarom waren wij aangewezen op kamperen en een voordelige en langdurende treinreis. Dat betekende geen comfort. Hierop hadden wij gerekend, maar de beleving in de praktijk was soms harder dan wij hadden kunnen vermoeden. Joegoslavië kende veel niet dat wij wel dachten eraan te treffen. Het was een arm land, dat voor ons goedkoop was. Er reden op sommige trajecten nog stoomlocomotieven. Mooi om te zien, maar wij beseften dat het een blijk was van achterstand. Dat gold ook voor de wegen. Dat wij de taal, het Servo-Kroatisch, niet kenden, leverde ons onmiskenbaar communicatieproblemen op, zoals bij het reizen en het doen van boodschappen. Slechts een enkele jongere die wij ontmoette, sprak een beetje Engels. Praktisch gezien was het lastig, maar met tijd voor recreatie en contact kreeg het soms iets aangenaams, niet in de laatste plaats als er meisjes bij betrokken waren en wederzijds interesse in elkaar groeide. Seksuele gevoelens speelden zeker een rol, maar het ging ook om de wil te weten hoe het leven van de ander eruit zag in het geheel van verschillen tussen het vrije Westen van Nederland en het onvrije Oosten van Joegoslavië. Hierover werd dan voorzichtig gesproken. President Tito, wiens portret in ieder café en restaurant hing, werd nooit expliciet becommentarieerd. En jongens die dienstplichtig soldaat waren, droegen ook in hun vrije tijd een uniform. Dat leverde een straatbeeld op van onvrijheid, ook al vertoonden deze soldaten geen militair gedrag.
Na die avontuurlijke en verrijkende vakantie woonde en leefde ik weer thuis bij mijn beide ouders, mijn anderhalf jaar jongere zus (verpleegster in opleiding) en mijn bijna tien jaar jongere broertje (die nog twee jaar te gaan had op de lagere school). Ik ging beginnen aan de twee laatste jaren van het Atheneum om het schooldiploma te halen dat mij toegang tot de universiteit zou bieden. Mijn ogen, die inmiddels meer gezien hadden en die ik beter had leren kennen, hadden weliswaar geen beter gezichtsvermogen gekregen, maar mijn verblijf op het instituut Bartiméus had betekenis voor mij gehad. En bij de intake op de nieuwe school vormde het een goede basis voor afspraken. De leraren werden op de hoogte gesteld van mijn slechte ogen en dat er geen bril voor mij was om beter te kunnen zien. Ik kon niet scherp zien, had moeite met veel licht, droeg donkere glazen en kleuren kon ik niet waarnemen. Op het bord kon ik niet veel lezen en bij gymnastiek kon ik niet aan alle onderdelen deelnemen.
Ik begon op mijn vierde middelbare school. Via Zeist ging ik verder. Het kostte mij, na het vastlopen op het gymnasium en bijkomende onmogelijkheden, extra tijd om tegemoet te komen aan mijn ambitie te studeren. Bij de ontwikkeling van mijn toekomstplannen op Bartiméus was het voordeel van het duidelijk niet te hoeven voldoen aan de militaire dienstplicht verrekend. En ik hoefde er ook daadwerkelijk niet aan te voldoen. Zelfs het opkomen voor de keuring kon ik achterwege laten. Toen ik op het sluisinternaat de brief ervoor ontving, kon ik een reactie sturen met een verklaring van de oogarts van het instituut. Van de burgemeester van Zeist kreeg ik vervolgens uitsluitsel in de vorm van een brief met het stempel ‘voorgoed ongeschikt’.
Ik was niet de enige die na de havo nog twee jaar Atheneum deed., maar ik was wel de senior van de klas geworden. Van een discussie hield ik wel, ingegeven door de maatschappelijke en politieke belangstelling die zich in mij had ontwikkeld. Met genoegen nam ik actief deel aan het vak Maatschappijleer, dat vaak de ruimte bood voor debat. Een medeleerling die doorgaans VVD-standpunten innam vormde op den duur mijn vaste opponent.
Mijn favoriete vakken, waarin ik ook ontwikkeling zocht, waren Geschiedenis en staatsinrichting en Nederlands, vooral het onderdeel letterkunde daarvan. Aan mijn scores viel dat ook te zien.
Van lopen naar school in de sfeer van een bomenrijke omgeving en bladerpracht met mooi zonlicht in de herfst was voor mij geen sprake meer. Ik ging voorzichtig op de fiets via een redelijk eenvoudige route. Soms reed ik wel een stukje door het in mijn beleving toch wat schamele Zuiderpark. Mijn ouderlijk huis stond eenvoudig in een rijtje en was geen villa. En mijn kamertje had geen erker. Zeist was voorbij. Ik wende aan het weer altijd thuis zijn en aan de nieuwe school. Ik richtte mijn blik vooruit om mijn ambitie waar te maken.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website