Schildpadsoep


een verhaal van Martin Doorn

1.


Graham Thomson reed voorzichtig, heel voorzichtig om zijn geliefde Mercedes 230 coupé 1976, vooral niet te beschadigen, het parkeerterrein van de container terminal van de haven van Felixstow op. Gewoonlijk zat hij met een grote glimlach achter het stuur van zijn geliefde oldtimer, die hij gedurende wel tien jaar met veel liefde had gerestaureerd tot het pronkstuk en troetelkind dat de auto nu was. Normaal gesproken ging hij, de paar kilometer die hij van zijn werk op het haventerrein af woonde, op de fiets, maar het sneeuwde licht en het was koud. Hij vond het wel vervelend dat zijn auto nu vuil werd en met de gestrooide pekel was hij ook al niet blij. Vanavond zou hij zijn geliefde Mercedes grondig wassen voor hij de garage inging. Hij parkeerde in het zicht van de portiersloge en liep op de ingang af. Er kwamen net vier Chinezen de poort uitlopen. Ze droegen plastic tasjes bij zich en liepen op slippers. Ze zager er nogal verfomfaaid en ongewassen uit. Graham schonk er niet veel aandacht aan. Het zouden wel Chinese zeelui zijn van een vannacht binnengelopen schip. Alhoewel, er stond geen Chinees schip op de lijst van verwachte schepen wist Graham, die walbaas op dit haventerrein was en het dus zou moeten weten. Hij haalde zijn schouders op. Er gebeurde in de haven weleens meer onverwachte dingen. Hij passeerde het waarschuwingsbord met de tekst dat eenieder die het haventerrein betrad, dit deed op eigen risico en dat alle aan laad- en loswerkzaamheden gerelateerde voertuigen voorrang hadden. Een reden te meer dat Graham zijn auto buiten de poort liet staan. Hij stak zijn hand op naar de portier en stapte in de auto die hij op het haventerrein gebruikte en die geparkeerd stond vlak achter de portiersloge. Het was een twaalf jaar oude Toyota Corolla die op geen enkel niveau voldeed aan de eisen voor het rijden op de openbare weg. Dat was ook niet nodig want die wetten golden niet op het haventerrein. De auto had een lekke band, twee tot op de draad versleten banden en het vierde wiel was voorzien van een zogenaamd thuiskomertje, een smal reservewiel van hard rubber. Het linker voorportier werd door een touwtje in gesloten toestand gehouden. De linker voorlamp ontbrak en de rechter deed het niet. Graham stapte in en pakte een schroevendraaier uit het handschoenenkastje, waarvan het klepje op de achterbank lag. Hij stak hem in het startslot, waarin zich nog een stukje van het afgebroken sleuteltje bevond, draaide een kwartslag, de motor sloeg onmiddellijk aan. Een echte Toyota. Doet het altijd. Hij reed weg over het nog met een dun laagje sneeuw bedekte haventerrein. De auto maakte het vertrouwde geluid van de lekke band. Flip, flop, flip, flop. In de smeltende sneeuw zag Graham voetsporen. Vier sporen naast elkaar. Waarschijnlijk de voetsporen van de vier Chinezen. Hij volgde de sporen in omgekeerde richting. Ze bogen af naar rechts, tussen de driehoog opgestapelde containers. Na vijftig meter bogen de sporen opnieuw naar rechts. Een ander pad in tussen de containers. Grahamvolgde. Na een meter of twintig hield het spoor op. De sneeuw voor een half geopende container was vrijwel helemaal vertrapt. Graham wist het onmiddellijk. Die Chinezen waren hier uit die container gekropen. Hij stapte uit en liep voorzichtig naar de container waarvan de rechterdeur open stond. Hij schrok toen er een flinke rat uit de deur gesprongen kwam. Graham trok de deur iets verder open en tuurde naar binnen in de donkere container. Hij zag dozen met Chinese opschriften waartussen zich een smalle doorgang naar achter in de container bevond. Hij boog zich iets naar voren om beter te kunnen zien, maar deinsde terug voor de onbeschrijfelijke stank. Daar ging hij niet nar binnen. Hij besloot eerst maar eens terug te rijden naar de poort en de portier te vragen of die wist waar die Chinezen heen waren gegaan. Al flipfloppend reed hij terug. De portier keek hem ongeïnteresseerd aan toen hij naar de Chinezen vroeg. ‘Ik weet alleen dat ze in een witte bestelbus zijn gekropen die op het parkeerterrein stond’, zei de portier. ‘Verder weet ik niets en dat is ook mijn werk niet’, voegde hij er nog aan toe. Graham tuurde het parkeerterrein af , maar kon geen witte bestelbus ontdekken. Hij haalde zijn schouders op en belde naar de politie. ‘Laten die lui het maar uitzoeken met die container. Ik ga dat smerige ding niet in’.

2.


Een kwartiertje later kwam er een politieauto aangereden met twee agenten. Graham deed zijn verhaal en er werden grapjes gemaakt over de bijzondere auto van de walbaas. Met Graham voorop reden ze naar de container. Graham liet ze alleen met de container, hij had nog meer te doen en reed weg in zijn Toyota. De agenten benaderden de container en roken al vanaf een afstand de verschrikkelijke stank. Ze keken elkaar eens aan tot de jongste zei dat hij wel naar binnen zou gaan. Hij wreef wat Vicks mentholzalf op zijn bovenlip en gewapend met een sterke zaklamp wrong hij zich door het smalle tunneltje tussen de dozen. Even later klonk er een gesmoorde kreet en een reeks niet mis te verstane vloeken. Enkele seconden later tuimelde de agent met een asgrauw gezicht uit de container, boog zich voorover en met zijn handen steunend tegen de container ging hij langdurig over zijn nek. Toen hij uitgekotst was deed hij met een wit gezicht zijn relaas tegen zijn collega. ‘Er ligt daarbinnen een lijk. Er zaten twee ratten aan hem te knagen. De ene aan zijn gezicht de ander aan zijn rechterhand. Verder ligt het vol met lege blikjes en het stinkt als een beerput’. De agenten besloten niet verder onderzoek te plegen, maar om versterking te vragen. Die arriveerde een half uur later . Het werd groots aangepakt met afzetlinten, mannen in witte pakken, een lijkschouwer en een forensisch fotograaf. De container werd stukje bij beetje voorzichtig leeggehaald en alles gefotografeerd en minutieus onderzocht. Uiteindelijk kwamen ze bij het lijk. Dat bleek ook een Chinees te zijn. De lijkschouwer constateerde dat het lijk opmerkelijk vers was. Het was zelfs nog warm en kon niet meer dan een paar uur dood zijn. Er werden ook heel veel lege blikjes gevonden, waarvan een aantal weer gevuld was met uitwerpselen. Uit de etiketten van de blikjes bleek dat er schildpadsoep in gezeten had. Ook de inhoud van de nog gesloten dozen bleek blikjes met schildpadsoep te zijn. Nadat de container helemaal leeg was gehaald en het lijk afgevoerd, gingen de mannen in witte pakken nog geruime tijd door met hun onderzoek. Ze vonden een dun plastic afvoerbuisje met een trechtertje er op gemonteerd, dat kennelijk gediend had om de urine van de vijf Chinezen af te voeren. De lege blikjes hadden gediend om de ontlasting in te deponeren. Er werd een blikopener gevonden en een lange dunne stalen pin. Op diverse, vanaf de buitenkant vrijwel onzichtbare plaatsen, waren gaatjes geboord om de afvoer en aanvoer van lucht te garanderen. Ook onder de handvatten van de deurvergrendeling waren gaatjes geboord, zodat de deuren van binnenuit geopend konden worden. Daar had de stalen pin voor gediend. Er werden slecht vijf lege waterflessen gevonden. Lang niet genoeg om de drie tot vier weken durende reis te kunnen overbruggen. De blikken schildpadsoep hadden gediend voor eten en drinken tegelijk. Dit was een tot in elk detail overdachte en uitgestippelde operatie geweest. Tot aan het wachtende witte bestelbusje op het parkeerterrein toe. Het enige raadsel was waarom de vijfde Chinees was gestorven. En nog wel op het moment dat de hele operatie geslaagd scheen te zijn.

3.


In de autopsieruimte stond de afzuiging op de hoogste stand en nog was de lucht niet te harden. Op de snijtafel lag de dode Chinees die een uur in de wind stonk. Hoewel de patholoog-anatoom, Stephanie Greenwater, wel iets gewend was, had ze toch moeite met de stank van dit stoffelijk overschot. Met een extra mondkapje voor, begon ze aan haar werk. Voorzichtig de kleding verwijderen tot de man geheel naakt voor haar lag. Afgezien van een beetwond in het gezicht en een andere aan de rechterhand zag de man er gaaf uit. Uit het rapport was gebleken dat de beetwonden knaagsporen waren van ratten. Ze begon haar werkzaamheden te beschrijven op haar dictafoon. Man, Aziatisch uiterlijk. Waarschijnlijk Chinees, gave huid , geen specifieke kenmerken, enz., enz. Na twee uur had ze nog niets bijzonders kunnen ontdekken. Alle uitgenomen organen bleken gezond en vertoonden geen onregelmatigheden. Als laatste besloot ze ook nog de hersenen te bekijken en greep naar de botzaag. Vol verbijstering keek ze na het openen van de schedel naar de hersenen. Het achterste gedeelte van de hersenen was volledig vernield. Met een schok realiseerde ze zich dat dit een Chinees was en de oude Chinese methode van een moord plegen. Om de moord te verbergen staken de Chinezen vroeger een pin in de hals, schuin naar boven en kwamen dan in de hersenen terecht. Dan haalden ze de pin heen en weer en vernielden daar het hersenweefsel. Juist achter in het hoofd zit het gebied dat de ademhaling regelt. De dood treedt vrijwel onmiddellijk in. Het gaatje dat in de huid gemaakt wordt door de pin valt onder de haargroei in de nek en is op het eerste gezicht niet zichtbaar. Een poging tot de volmaakte moord. Stephanie stond er een beetje beschaamd bij. Dit had ze eerder moeten ontdekken. Het was vroeger standaardprocedure dat je even in de nek keek, maar het was al lang niet meer voorgekomen en de methode was inde vergetelheid geraakt. Om verdere missers uit te sluiten besloot ze ook nog röntgenopnamen van het slachtoffer te laten maken. Eigenlijk had ze dat al eerder moeten laten doen, maar waarschijnlijk was ze te veel afgeleid geweest door de onbeschrijfelijke stank. Een kwartier later kwamen de röntgenfoto’s binnen op een computerscherm. Als eerste keek Stephanie naar de foto’s van de schedel. Nu bleek duidelijk dat de hersenen in het achterhoofd beschadigd waren, zoals ze zelf al bij de schedellichting had geconstateerd. Ze schaamde zich nog steeds een beetje, want dit was in haar vak de verkeerde volgorde. Langzaam scrolde ze door de foto’s, van boven naar beneden. De organen had ze al verwijderd dus lette ze vooral op afwijkingen in het skelet. Bij de rechterbovenarm gekomen viel haar een klein zwart streepje op. Zo te zien zat het vlak onder de huid. Was het een splinter van één of ander materiaal of een foutje in de foto? Ze liep naar het lijk op de tafel en voelde aan de bovenarm. Ze voelde niets. Het lijk had inmiddels een volledige rigor mortis aangenomen, de lijkstijfheid die na een paar uur optreedt. Ze stond te twijfelen. Zou ze toch de arm opensnijden en dat vreemde dingetje er uithalen? Het was tegen alle regels, maar ze brandde van nieuwsgierigheid. Besluiteloos stond ze naar de dode te kijken, toen de stem van haar assistent, die naar het computerscherm met de foto van de bovenarm stond te kijken zei: ‘Dat is een identificatiechip. U weet wel zo’n chip die ze inplanteren bij honden en katten. Stephanie keek hem verbaasd aan, om hem vervolgens opbracht te geven een dierenarts te bellen. Na twee uur ongeduldig wachten, de dierenarts had ook zijn werk, verscheen de man met een afleesapparaatje een zogenaamde chipreader. Met een wat bleek vertrokken gezicht vanwege de dode man, zette hij het apparaat op de arm. Op het scherm verschenen de gegevens van de chip. Een registratienummer. ‘Is dat alles?’ vroeg Stephanie aan de dierenarts. Die knikte. Hij was nog steeds een beetje ontdaan vanwege de dode man op de snijtafel. Terwijl hij zijn chipreader zorgvuldig reinigde met een doekje met alcohol vertelde hij dat hij aan de hand van het registratienummer achter de eigenaar en diens adres kon komen. Al zou er van eigenaar hier hopelijk geen sprake zijn. Het ging hier immers om een mens. Hij beloofde direct op zoek te gaan naar de gegevens. Opgelucht verliet hij de snijkamer. Stephanie stopte de uitgenomen organen terug in de dode man. Diep in gedachten verzonken sloot ze de buikopening en samen met haar assistent schoof ze het lichaam in een koellade. Haar werk was gedaan. De doodsoorzaak, het verwoesten van de hersenen in het achterhoofd door middel van een lange dunne pin, ingebracht via de nek. daarmee was ook het moordwapen bekend. Nu was het afwachten of het registratienummer iets opleverde. Maar dat was aan de politie. Het duurde twee dagen voordat de dierenarts met een antwoord kwam. De informatie die bij het registratienummer hoorde was verrassend. Dat het om een Chinees zou gaan was te verwachten. De dode man was ongetwijfeld, gezien zijn uiterlijk, een Chinees. Dat het een inspecteur van de politie in Hong Kong was, was opmerkelijk. Hij bleek Liou Weng te heten. Nog opmerkelijker was dat er een bericht bij de chip hoorde. Er stond vermeld dat bij een ongeluk of de dood contact moest worden opgenomen met inspecteur James Norod van de Londense politie.

4.


Commissaris James Norod zat in de wachtkamer van het ziekenhuis. Eigenlijk was het meer een verbreding van de gang, een open ruimte met wat tafels en stoelen. Er zaten echtparen jong en oud , een paar kinderen met een ouder en wat vrouwen en mannen alleen. Deze wachtruimte deed dienst als wachtkamer voor diverse specialisten. Af en toe kwam een verpleegkundige die een naam afriep en dan stond er iemand op om met haar mee te gaan naar de dokter. James Norod kwam hier voor de hartspecialist. De laatste paar maanden had hij last van een soort hartkloppingen. Het was net alsof zijn hart zo nu en dan een slag oversloeg, om dan weer met een extra krachtige slag door te gaan. Er werd hier zachtjes gesproken, maar vooral gezwegen. Mensen bladerden wat in zeer oude tijdschriften, terwijl de meesten wat in gedachten waren verzonken en in het niets staarden. Een deur sloeg dicht. Er klonken voetstappen, meer specifiek, het getik van hoge hakken op het linoleum. Wie dit geluid voortbracht was nog niet te zien. Het speelde zich nog af om de hoek van de wachtkamer waarop je hier geen zicht had. Toch ging er iets door de mannelijke helft van de wachtende heen. Een klein schokje, het inhouden van een ademtocht, het voorzichtig opkijken van het tijdschrift. Mannen alleen, reageerden iets explicieter dan mannen in gezelschap van een vrouw. De laatsten hadden iets heimelijks over zich. Toch kon geen van hen de lichamelijke reactie tegenhouden. Het was een duidelijk voorbeeld van een Pavlovreachtie. Het reageren op het tikken van hoge hakken, in de verwachting dat er binnen een kort tijdsbestek een aantrekkelijk vrouwspersoon zou verschijnen. Sommige keken nogal heimelijk. Anderen al openlijk naar de hoek waar ze verwachtten dat deze vrouwspersoon zich zou openbaren. Ook James Norod gaf openlijk toe aan de lichamelijke reactie en keek opzij. Hij zou de beloning van het aanzicht van een aantrekkelijke vrouw niet krijgen. Zijn mobiel trilde in zijn zak. Geërgerd verliet hij de wachtkamer en zocht een toilet op. De nummerweergave toonde een hem onbekend nummer. Toen hij opnam en zich bekend maakte bleek het een patholoog-anatoom te zijn die hij niet kende. Het was een zij en zij vroeg hem een dode te identificeren. Ze wilde niet zeggen om wie het ging. Norod vroeg of het nog een uurtje kon wachten omdat hij nog iets te doen had. Dat kon. Eenmaal op de stoel bij de hartspecialist kreeg Norod te horen dat zijn hartproblemen geen kwaad konden, maar dat hij slechts drie koppen koffie per dag mocht nuttigen, weinig alcohol mocht drinken, liefst ophouden met roken en meer aan sport moest doen en vooral minder hard moest werken. Norod beloofde het, al wist hij dat er niets van terecht zou komen. Alhoewel dat minder harde werken had wel iets aantrekkelijks. Sinds hij commissaris was, was het plezier in het werk drastisch minder geworden. Er waren veel dingen veranderd. Veel administratief werkveel vergaderen en weinig echt politiewerk. Met het vertrek van hoofdcommissaris Mc Gregor, wiens baan hij overgenomen had, was de sfeer op het bureau ook veranderd. Al een paar jaar eerder had Heather, de secretaresse van McGregor het bureau verlaten om nog net voor ze te oud was, de opleiding voor politieofficier te volgen. Norod had het contact met haar verloren, terwijl hij en zij toch een goed halfjaar hadden samengewoond. Dat dat geen succes was geworden lag zowel aan hem als aan haar. Het waren twee eigenzinnige karakters op één kussen geweest en dat botste te vaak. Toch waren ze goede vrienden gebleven. Maar de sfeer was veranderd. Dit alles overdacht Norod toen hij zich in zijn eigen auto door het Londense verkeer worstelde. Zijn auto met chauffeur, waar hij als commissaris recht op had, had hij voor dit privébezoek aan het ziekenhuis niet willen gebruiken.

5.


Aangekomen bij het laboratorium van de patholoog-anatoom werd hij meteen naar de kamer met de koelladen gebracht. Even later voegde de arts die hem gebeld had zich bij hem en trok een lade open. Ze sloeg het laken dat de dode bedekte terug en gebaarde naar Norod dat hij kon kijken. Deze boog zich naar voren en keek. Norod had al vele lijken gezien, maar schrok toch hevig. Hij staarde in het gezicht van een oude bekende. Zo te zien een jaar of tien ouder als toen hij hem voor het laatst gezien had, maar onmiskenbaar de Chinese jongen die een half jaar lang stage bij hem, toen nog. Inspecteur James Norod, gelopen had. Norod moest zich even herpakken maar zei toen met een ietwat schorre stem: ‘Dit is Liou Weng. Hij heeft in het verleden een half jaar stage bij mij gelopen’. Even later kreeg hij in het kantoortje van de patholoog het hele verhaal te horen. Hoe er vier mede chinezen waren weggereden in een wit busje en spoorloos ware verdwenen. Dat de pin waarmee Liou Weng was vermoord oorspronkelijk was bedoeld om de container van binnenuit te openen en dat ze zich in leven hadden weten te houden met schildpadsoep, waarmee de container gevuld was geweest. Uit contact met de politie in Hong Kong bleek dat liou Weng was geïnfiltreerd in een bende mensensmokkelaars om de hele route in kaart te brengen. Dat er verraad in het spel was hadden de Chinezen waarschijnlijk geweten, maar ze hadden gewacht met de moord op Liou tot het laatste moment, om niet met het lijk drie weken in de container opgesloten te zitten. Dat de daders ooit gevonden zouden worden was hoogst onwaarschijnlijk. Zelfs Liou had geen papieren bij zich. Hij was alleen uit voorzorg gechipped, als een hondje. Al wisten die andere vier Chinezen dat waarschijnlijk niet. De dood van Liou had Norod meer aangegrepen dan hij verwacht had en de woorden van de hartspecialist klonken noch behoorlijk drammerig na in zijn hoofd. Rustiger aandoen leek plotseling erg aantrekkelijk.

6.


Het is bijna twee maanden na de dood van Liou Weng als Norod op weg is naar zijn nieuwe baan. Hij heeft intern gesolliciteerd naar de baan van commissaris in een rustig kustplaatsje in het zuiden van Engeland. Een bijna subtropisch klimaat, ruimte en rust, maar vooral geen brute overvallen en moorden meer. Hij zal in het Zuiden die paar jaar tot zijn pensioen wel doorkomen. Voor de gelegenheid heeft hij zich in zijn beste uniform gestoken om zijn opwachting te maken op zijn nieuwe politiebureau. Toch wel enigszins gespannen parkeert hij zijn auto bij het politiebureau, gaat de drie treetjes op naar de ingang en stapt binnen. Een politieman achter een loket vraagt hem vriendelijk of hij iets voor hem kan doen. Norod verbaast zich toch wel een beetje. Ze moeten hem toch verwacht hebben. Of is het alleen maar een houding die uitdrukt dat hij niet erg welkom is. Hij vraagt naar de man of vrouw die op dit moment de leiding heeft. De man achter het loket doet weer een beetje weigerachtig en vraagt wat hij dan wel komt doen. ‘Ik ben de nieuwe commissaris’, antwoord Norod, nu duidelijk geïrriteerd. De politieman staat op en verdwijnt achter een deur. Even later komt hij terug met de hoofdinspecteur die tijdelijk het bevel voert. Deze begroet Norod op een wat norse manier en wijst naar het einde van de gang, terwijl hij zegt: ‘Daar is uw kamer commissaris’. Norod bedankt hem en loopt met rechte rug richting zijn nieuwe kamer. Hij is nogal teleurgesteld over de uiterst koele ontvangst op zijn nieuwe werkplek en begint er aan te twijfelen of hij wel de juiste beslissing genomen heeft. Hij opent de deur van zijn kamer en moet even knipperen tegen het licht dat hem tegemoet stroomt. Het is een lichte, sober ingerichte kamer met grote ramen waardoor veel licht toegang heeft. Voor het raam staat een gestalte met de rug naar hem toe. Als Norod zijn ogen iets toeknijpt tegen het felle licht, ziet hij een hoofd met een paardenstaart, een strak gesneden uniform, een zogenaamde ‘battledress’ een kort jasje met ceintuur en een broek. Twee dingen war Norod nu eenmaal op valt. Een vrouw met een paardenstaart en bovendien in uniform. Nu zijn ogen wat meer aan het tegenlicht gewend zijn dwalen ze van de paardenstaart naar beneden. Over haar rug naar haar achterste. Een welgevormd achterste. Zeg maar gewoon een lekkere kont. Met een schok dringt het tot Norod door. Hij kent die kont. Hij kent die kont zelfs zonder de bedekkende kleding. Dit is de kont van Heather. Het is al ongeveer tien jaar geleden dat hij dit zag, maar er is geen enkele twijfel. Dan draait de vrouw zich om en valt Norod in de armen. Ze verteld Norod dat de koele ontvangst allemaal maar komedie was om de verrassing nog groter te maken. Ze stappen gearmd terug de gang in. De nieuwe commissaris en inspecteur Heather, die hier al een paar jaar werkt. Op de gang stond het hele personeel ze op te wachten en verwelkomde Norod nu met bloemen en gejuich. Norod bedacht dat zijn nieuwe baan wel eens heel gezellig kon worden. Niet in de laatste plaats omdat Heather weer in zijn leven was gekomen.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website