Doorstart 4


een verhaal van Menno L. Hoeksema

In zo’n tweeënhalf uur heeft hij zijn stadswandeling van vanmiddag gelopen. Zorgvuldig heeft hij weer vermeden in de buurt van zijn nu oude kantoor te komen. Na even in het rond kijken, gaat hij zitten op een van de bankjes bij het busstation HC. Bussen staan klaar, vertrekken, komen aan. Mensen praten, lachen, kijken voor zich uit, lopen gewoon, rennen, of staan stil. Geraas en dieselstank, vermengd met de frituurwalm van de vette happentent aan de overkant. Hij zit nu op een ander bankje dan vanochtend, wat verderop. Hij zorgt ervoor niet langer dan maximaal een half uur op de zelfde plaats te zijn. Zo vult hij zijn tijd. Met niets doen, onnodige wandelingen en overpeinzen.

Welke verwachtingen waren er eigenlijk geweest bij hun huwelijk, nu bijna tien jaar geleden? Zij was de dochter van een kennisje van zijn moeder en een paar jaar ouder dan hij. Zijn vooruitzichten leken toen heus niet zo slecht. Hij had een administratieve opleiding en een vaste baan. Die betaalde niet geweldig en bood beperkte doorgroeimogelijkheden, maar te zijner tijd zou hij toch wel eens een overstap kunnen maken? En zij zou er ook best wat bij kunnen verdienen. Zo zouden ze het heus wel redden, geloofden ze.
Gedurende drie jaar hadden ze het flatje bewoond dat zij voor hun huwelijk al huurde. Toen hadden ze, met hun spaargeld, wat hulp van een oude tante van haar en een hypotheek, een bescheiden eengezinswoning betrokken. Daar was hun zoon geboren. Daarna had zij het een tijd rustig aan moeten doen. Buitenshuis werken was er voorlopig niet bij. De dagelijkse zorg voor huis en gezin woog haar al zwaar genoeg.
Ze moesten veel rekenen om iedere maand alles financieel rond te krijgen. Iets extra’s kon dus niet. Zeg maar gewoon vaste lasten armoede. En zijn werk? Soms vond hij het best wel saai, iedere dag dat zelfde ritme. En zo’n financiële administratie was een wereldje op zichzelf. Anderen hadden daarmee weinig affiniteit. Veel ontwikkelingsmogelijkheden bleken er voor hem ook op termijn niet te zijn. En een overstap? Daarvoor zou hij door studie nog het nodige aan zijn beperkte praktijkervaring moeten toevoegen. En zijn vaste baan opgeven voor een andere? Dan moest je toch echt heel goed weten wat je deed.
Soms voelde hij zich wel wat verloren. Bijvoorbeeld op zomeravonden, als hij op weg van zijn werk naar huis van het station kwam lopen. Als het dan door de zomertijd nog zo licht was, met veel geluid in de lucht en iedereen druk met vrije tijds activiteiten. Sport en spel, doe het zelven. Daar liep hij dan, in zijn wat saaie dagelijkse werkkleren, met zijn koffertje, waarin niet veel anders zat dan een lege broodtrommel. Waar was hij dan mee bezig? Waar was hij dan naar onderweg? Naar vrouw en kind. Naar zijn vrouw die eigenlijk nooit blij was. Nee, de stemming thuis was vaak bedrukt. Ook voor dat jochie was dat niet fijn. Daarom gingen ze maar vaak samen naar de treinen kijken, daar hield ie van. En zelf deed hij dat ook best graag. Dus kop op man, zit zelf ook niet te zeuren. Gewoon goed je best doen, dan zal het best een keer komen!
Zo probeerde hij lopend naar huis of richting station de moed er in te houden. Maar veel perspectief bood zijn werksituatie niet. En wat meer financiële armslag hadden ze toch echt wel nodig. Voor nu en zeker voor later.

Die dag een paar weken geleden, die laatste ochtend had hij bijna twee uur moeten zitten wachten op het secretariaat boven. Direct na binnenkomst, na zijn tas bij zijn eigen bureau te hebben neergezet, had hij zich er gemeld. De vorige avond was hem thuis telefonisch door zijn directe chef opgedragen dit te doen. Het was duidelijk. Het was ontdekt. Mensen kwamen en gingen, met en zonder afspraken. Collega's, die hem goed hadden gekend, die met hem hadden samengewerkt. Een snelle, wat angstige blik, soms iets dat heel in de verte op een groet of teken van herkenning kon lijken, meer niet. Als een wild dier dat een soortgenoot in een strik aantreft. 'Ja, ja, jij leeft nu nog wel, maar het is met jou gedaan. Heel erg natuurlijk, maar ja, wij kunnen daar niets aan doen. Je had misschien wat beter moeten uitkijken.'
Nadrukkelijk werd het woord tot de secretaresse gericht. Zo nu en dan weergalmde de stem van de directeur uit de verte door de even geopende deur van zijn kamer. Zakelijk, energiek, opgewekt ook wel. Misschien zou het nog meevallen. Kwam hij er met alleen een reprimande van af, of wellicht een tijdelijke straf. Het zou niet meevallen. Hij zag het, hij voelde het. Nog het meest aan haar houding en het consequent door haar vermijden van enig oogcontact of enige voor hem bestemde lichaamstaal. Zij, de directiesecretaresse, met wie hij toch altijd goed overweg had gekund. Bij wie hij wel een potje kon breken. Ze negeerde hem nu. Hij was er totaal niet. Hij moest hier zitten om er niet te zijn. Om zich goed bewust te zijn van zijn laagheid, van zijn niets zijn. Zij had partij gekozen. Tegen hem. Net als alle anderen. Op gezag van hem voor wie hij moest gaan verschijnen. Hopelijk vandaag nog. Hopelijk?
"Je kan naar binnen" zei ze tenslotte met een stugge hoofdknik in zijn richting, nadat ze via de telefoon een bericht van haar baas in ontvangst had genomen.
Hij stond op en ging. Met knikkende knieën en vochtige handen ging hij zijn gang.
Binnen in de ruime, door daglicht en tl buizen goed verlichte directiekamer, zat de grote man achter het grote bureau en de kleine man van Personeelszaken ervoor, benen over elkaar, handen gevouwen, nietszeggende uitdrukking in de kleine half gesloten ogen en op het bleke gezicht. De grote man, de directeur achter het grote bureau, gebaarde hem de deur te sluiten en te blijven staan. Streng keek hij hem aan, terwijl hij enige seconden zwijgend bleef zitten. Tenslotte zei hij, op uiterst onvriendelijke toon:
"Meneer van Gulik, dit is zeer ernstig. Zeer, zeer ernstig. Bij mijn weten is dit in onze organisatie nog nooit voorgevallen. Ik neem aan dat u ook zelf inziet wat de ernst van uw vergrijp is en dat u zich bewust bent van de consequenties ervan."
Het bleef stil terwijl hij daar stond en niet wist wat te zeggen of te doen.
"U reageert niet?"
Zijn hoofd suisde, zijn mond was droog.
"Ja, eh, jawel meneer. Ik zie de ernst in. Het spijt mij ook heel erg. Maar, maarre, er zijn bepaalde omstandigheden, privé, bedoel ik."
"U moet begrijpen, u had moeten begrijpen, dat wij hier niet met alle privéomstandigheden rekening kunnen houden. Mooie boel zou dat worden zeg! Wat denkt u wel! U hebt zich aan de geldmiddelen van uw werkgever vergrepen. Dit is een delict. Wij kunnen dit niet zomaar laten passeren. Wij zien ons genoodzaakt aangifte te doen."
"Ik wilde niet stelen meneer" fluisterde hij bijna "ik zou het direct hebben terugbetaald. Vandaag al, of morgen. Maar ik moest direct een nieuw treinabonnement hebben. Anders kon ik niet op het werk komen."
"Daar moet u dan rekening mee houden bij de planning van uw uitgaven. Iemand met een financieel administratieve functie behoort dat te kunnen. U hebt het vertrouwen dat bij deze functie hoort onherstelbaar beschaamd, hoort u dat? U bent hier niet te handhaven en u bent dus met onmiddellijke ingang ontslagen. Op staande voet, zoals dat heet. U hebt tot half twaalf de tijd om uw bureau op te ruimen en uw sleutels en codes in te leveren. Dan dient u dit gebouw verlaten te hebben en hier nooit terug te komen. U kunt gaan."
Al die tijd had de man van Personeelszaken niets gezegd. Ook nu zei hij niets. Slechts een kleine, nauwelijks waarneembare, bevestigende hoofdknik verried zijn bewustheid van wat er was gezegd en zijn instemming.
Nee, niemand van zijn vanaf dat ogenblik vroegere collega’s sprak ook nog maar een woord met hem, keurde hem een blik waardig of maakte een gebaar of grimas naar hem. Hijzelf mompelde een vage, onbeantwoorde groet toen hij klaar was met zijn spullen uit zijn bureau in zijn tas te doen.
Hij ging met de lift naar beneden en de hoofdingang uit naar buiten. Een dienstverband van meer dan tien jaar was geëindigd. Zonder recht op uitkering, want door eigen schuld.
Hoezo eigen schuld? Wat had hij dan moeten doen? Je zat toch altijd als een rat in de val! Maar ze hadden het natuurlijk mooi geregeld. Je eigenschuld was het altijd, hoe dan ook. Wie wel geld had, wie de macht had, had gelijk. Wie afhankelijk was moest dank je wel zeggen of opdonderen.
Goed, hij donderde op.
Maar intussen.
Had hij toch moeten vragen, smeken misschien? Zijn gezin kon toch niet zonder geld? Nu hadden ze helemaal niets meer. Zou hij teruggaan? Zo'n onmens was de directeur toch niet?
'Dat zijn dingen die u van tevoren had moeten bedenken. De risico's die aan onze daden verbonden kunnen zijn behoren wij te voorzien en zo enigszins mogelijk te vermijden. Zeker als wij verantwoordelijkheid dragen voor medegezinsleden.'
Flauwe kul! Hij mocht niet eens meer in het gebouw komen. Hij bestond niet meer.
Het regende.
Hij had geen paraplu bij zich.

Nu, op het bankje bij het busstation HC, ziet hij er tegenop om naar huis te gaan. Daar ziet hij iedere dag tegenop, iedere dag meer. Zij weet nog van niets. Thuis heeft hij nog niets verteld en zijn dagelijks ritme zo veel mogelijk voortgezet. ‘s Ochtends met koffertje en broodtrommel de deur uit, later in de middag terug. Met een verhaaltje dat het op kantoor niet erg druk is en hij daardoor wat vroeger thuis komt.
Op het busstation wordt het steeds drukker. Het spitsuur komt op als de vloed aan het strand. Bussen rijden af en aan. Inmiddels zit hij niet meer alleen op dit bankje.
Ze hebben hoe dan ook geld nodig. Een uitkering kan hij vergeten. Daarvoor heeft zijn werkgever gezorgd. En hij heeft geen getuigschrift. Administratief werk kan hij verder dus ook vergeten. Het zal een los vast ander baantje moeten worden. Maar dat gaat hoe dan ook wel even duren. Tot zolang zullen anderen hen moeten helpen. Wie? Haar oude tante? Dan zal hij toch eerst de situatie thuis moeten bespreken.
Zijn broer? Tja, geen idee wat die kan en wil. Maar de meest creatieve van hen beiden was hij altijd wel. Hij heeft andere vrienden en kennissen, opereert in bepaalde circuits. Toch bestond een zekere vertrouwelijkheid tussen hen beiden soms best.
Hij zit nog even en neemt dan een besluit. Hij gaat naar zijn broer toe. Nu direct. Daarvoor hoeft hij niets anders te doen dan bij zijn woonplaats in de trein te blijven zitten en door te rijden naar D.

Najaar 2002/zomer 2017

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website