TERUGROEPEN


een reconstructie van Jacob Batoeck

Van mijn brieven aan Yvia heb ik geen afschriften of kopieën gemaakt. Spijt komt achteraf, natuurlijk. Waarom had ik dan moeten bewaren wat ik haar had geschreven? Voor later? Als ik daar toen op gericht was geweest, had ik de houding van een boekhouder gehad. En dat was niet zo, niet voor haar althans.
Yvia’s brieven en volgeschreven ansichtkaarten had ik achterin een la liggen, onder mijn bureau in de tuinkamer. Dat was al jarenlang het geval. Ik wist dit. Onlangs heb ik het geheel, grotendeels bijeengehouden door een bijna verteerd elastiekje, opgediept. En ik begon te lezen.
Voor het bewaren had ik niet chronologisch geordend. Dat merkte ik nu. Ook zou ik mede een beroep moeten doen op mijn geheugen en aanvullend op mijn inbeelding. Zo zou ik haar wellicht kunnen terugroepen.
Los van de bundeling onder het elastiekje vond ik een kerstkaart, die kitsch oogde. Ik kan mij niet anders voorstellen dan dat Yvia het glanseffect en de engelenhoofden in aangezet romantische stijl bewust had gekozen. Misschien had ik haar ervoor een kerstgroet met een nieuwjaarswens gestuurd, of toch niet. Dat weet ik niet meer, na zo’n dertig jaar. De achterkant had zij dicht beschreven. Ze wilde mij een prachtige kerst en een fijn 1988 wensen, ook al hoorde ik van haar niet veel. Ging het goed met mij? Ze dacht dat de poëzie nog wel een grote rol voor mij zou spelen. Want eenmaal geraakt door de kunst der kunsten, blijf je er ontvankelijk voor. Het ging haar goed. Ze had een druk bestaan, de laatste tijd zelfs drukker. De kunst, vooral film en poëzie, waren belangrijker voor haar geworden. Zou zij cinefiel worden? Ze werkte nu bij de kunstuitleen, veel hedendaagse kunst om haar heen. Ze genoot daarvan, zo ook van haar nieuwe woonplaats.
We waren op afstand van elkaar geraakt. Anders kan ik niet opmaken uit de woorden die ze achterop die kerstkaart had geschreven. Helemaal loslaten wilde ze mij toch niet. Waarom wilde ze anders weten hoe het met mij ging en vertelde ze over haar bestaan, waarvan ze genoot?
Voor mijn ordening ga ik terug naar het begin, naar 1985. Allebei hadden wij, totaal los van elkaar, gekozen voor een vakantie in de vorm van een taalcursus Italiaans, op een boerderij in de nabijheid van Florence. Wij hadden elkaar voordien nooit ontmoet. Alle deelnemers waren, overigens, eenlingen. Dat werd alom als prettig beleefd: geen klonteringen vooraf. ‘s Morgens was er les, tot even in de middag. Daarna ging de gehele groep op pad, al dan niet in samenstellingen, om van alles te bezoeken en zien. Omdat ze veel kennis bleek te hebben van beeldende kunst en bijbehorende geschiedenissen en er ook graag over wilde praten, was een museumbezoek in een groepje met Yvia aangenaam. Recreatie werd niet overgeslagen. Ik herinner mij het zwembad en de felle zon die scheen. Ik was meegegaan, maar het licht en het schitterende water leverden mij beperkingen op. Ik bleef aan de kant zitten. Zij daagde mij uit om toch het bad in te gaan en bleef dicht bij mij. We spraken elkaar wel eens apart, echter niet in de zin dat er iets tussen ons groeide. Ik denk dat voor mij meespeelde dat zij naar die boerderij was gereisd met een man, ook deelnemer, die haar een lift in zijn auto had geboden. Ik nam aanvankelijk aan dat zij een relatie met hem had. Dat bleek steeds duidelijker niet het geval te zijn, maar ik hield er wel rekening mee. Mijn houding was eigenlijk altijd om mij niet te mengen in een relatie. Zoiets hoorde niet, meende ik.
De vakantie was alle deelnemers goed bevallen. Hoewel we nog geen vloeiend Italiaans spraken, hadden we het naar ons zin gehad en elkaar goed vermaakt, ook ’s avonds met het eten van Italiaanse gerechten en het drinken van rode wijn te midden van olijfbomen en bij het aanhoudende geluid van krekels. Een reünie kon daardoor niet uitblijvend. En die kwam er.
Voorafgaand ontving ik een kaartje in een envelop. Ze vroeg of ik al weer lekker aan de slag was, hoopte dat ik was geacclimatiseerd en dat mijn dia’s gelukt waren. Zij sloot af met een ferm geschreven ‘tot ziens’. Ik moest haar hebben uitgenodigd om de vakantiedia’s bij mij thuis te bekijken. Ze antwoordde vóór de reünie geen tijd te hebben en bedankte voor de invitatie. En als ik naar Parijs zou gaan om de Pont Neuf, toen ingepakt door de kunstenaar Christo, te zien, zou ik er dan een kiek van willen maken?
De reünie was een gezellig terugzien op de Italiaanse vakantie. Aankomst op zaterdagmiddag, een feestelijke avond tot een eindje in de nacht en in de loop van de zondag weer naar huis. Er waren foto’s en dia’s en verhalen. De stemming was goed. Details zijn door vergetelheid voor mij verloren gegaan. En omdat ik geen terugblik op papier heb kunnen vinden, kan ik er nu niet veel meer over vertellen.

Op een gegeven moment vertrok ze uit Tilburg, de Brabantse stad waar zij haar kunstopleiding had gedaan, naar Zeeland, waar zij vandaan kwam. Ze stuurde mij een ansichtkaart van een jongentje dat een meisje op haar wang kust, allebei in klederdracht. Het beviel haar prima in Middelburg, schreef zij, al was het nog even wennen en mensen leren kennen.
Achterop een foto van een schilderij (‘’model in olieverf’’) dat – als ik mij niet vergis – door haar is geschilderd schreef ze een nieuwjaarsgroet voor 1986 aan mij. Ze wenste mij veel succes. Ondanks een griep ging het goed met haar. Het werk dat ze voor haar expositie moest produceren, was af. Ze noemde de kijkmomenten. Als ik kon komen, zou ze mij van het station afhalen.
Op een ansichtkaart, die ik niet heb kunnen dateren, staat geschreven:

Tot Jacob.
Hobbele Bobbele Biebele.
Doet die trein op zijn wiebele.
Doe Lie dang. Kie doe kie dang.
Jacob,
wat is die spoorrails lang.

Loesje

In januari ontving ik een brief met dagboekfragmenten van haar. Ze begon tijdens een treinreis van Rotterdam naar Amsterdam, voor een werkweek. Vervolgens zag ze in een bus in Zeeland terug op haar hoofdstedelijke verblijf, rijdend door een aardedonker landschap. Ze was blij met mijn brief. Het verheugde haar deze te lezen. Gelukkig had ik de moed niet opgegeven haar te schrijven na een periode van wederzijds stilzwijgen. Bij een vriendin thuis schreef ze over haar prettige omgang met jonge studenten en haar zin in het audiovisuele territorium. Ze was bezig met film en volgde cursussen filmkunde. Mijn woordkeus in mijn brieven frappeerde haar. En op mijn vraag over haar Zeeuwse gevoel, antwoordde ze dat het haar had verwonderd dat te hebben bij haar terugkeer naar die provincie. Voorbeelden van ervaringen volgden in beschrijvingen. En hoe de zon vallend over natte grond haar herinnerde aan Italië en Zuid-Frankrijk. In het vervolg van de brief kwam ze op haar wens om naar het Internationaal Filmfestival te gaan. Daarvoor zou zij een dag vrij kunnen krijgen en daarvan zou ze dan een lang weekend kunnen maken. Vond ik het leuk een lang weekend met haar naar dat festival te gaan.

Achterop een niet-figuratieve foto schreef ze bij mij langs te willen komen om te zien hoe ik het maak en om haar lichtbeelden te laten zien. Wanneer zou het uitkomen? Ze had Elly, deelneemster aan de Italiaanse vakantie, ontmoet, die mij ook weer eens wilde zien. Met z’n drieën?

In maart 1986 stuurde Yvia mij een foto van haar, omringd door schilderijen die zij had gemaakt. Ik had haar schilderstijl inmiddels leren kennen. Haar gezicht is niet goed te zien, voorover gebogen. Ze kijkt in een opengehouden blocnote. Schreef zij? Bij deze foto zat een briefje. Of was het andersom? Ze wilde me nog eens bedanken voor het logeren bij mij, in Rotterdam. Het verblijf in mijn kamer met boeken had ze interessant gevonden. En aan ons bezoek aan een literair café had zij leeshonger overgehouden. Zij was daarna, in Tilburg, naar een nacht van het boek geweest. Ze vertelde over haar rondreis langs vrienden en kennissen, die ze had gemaakt nadat ze bij mij was. En deelde mee dat de reünie in Bergen aan Zee vanwege gebrek aan belangstelling niet door kon gaan. Ja, als die niet voltallig is, is het geen echte reünie. Daarom moesten wij elkaar via iets anders blijven ontmoeten, bezoek aan een tentoonstelling in een museum, een literair café etc. En als ik in de buurt van haar studentenverblijf zou komen, moest ik niet dralen en gewoon bij haar binnenwippen.

Ik heb een A-viertje met een programma van een koffieconcert op zondag 13 april 1986, aanvang: 12.30 uur, in het Pauze-foyer van Schouwburg Tilburg gevonden. Daar zijn wij naartoe geweest, toen ik in dat weekend bij haar logeerde. De zaterdag ervoor waren wij samen naar een zangoptreden van Mary, een deelneemster aan de Italiaanse vakantie, in Deventer geweest en vandaar teruggereisd naar Tilburg, haar studentenwoning. Van dat weekend herinner mij nog een paar flarden. En ik weet nog dat we steeds met elkaar in gesprek waren, vooral over gevoelens.

Op een laat uur – zo begon zij - schreef ze me nog (op 25 april), de radio op ritmische muziek. Eerst was ze daar vanwege een emotionele regenbui niet toe in staat geweest. Na het lezen van een paar gedichten van Judith Herzberg waren de donkere buien overgedreven. Die avond was ze begonnen met een schrift waarin ze aan zichzelf schrijft. Ze voelde zich een beetje bedrukt mij te schrijven dat ze wat betreft Boedapest en 1 mei Rotterdam moest teleurstellen, niet omdat Elly vanwege een kaakholteontsteking niet meekon, maar omdat ze het zelf financieel niet aandurft. Zou ik haar het adres van de Rotterdamse universiteit willen doorsturen? Ze vond dat ik heerlijk schreef, een beetje deftig maar dat mocht ze wel op z’n tijd.
Zelf gebruikte zij, als ze schreef, wel eens zwaardere bewoordingen. Ik moest maar lekker blijven schrijven. Een paar dichters bracht ze aan de orde. Kennelijk had ik daarover geschreven. Ze raadde mij aan maar van Gorter te blijven genieten. Misschien zou ze nog een vervolg schrijven. Ze vocht nu nog tegen haar gemoed.
Op een los memoblaadje, vermoedelijk bij deze brief bijgesloten, staat een kort gedicht dat zij geschreven moet hebben. Het gaat over het sluiten van de dag en verre herinneringen die pijn doen en eindigt met: 'dag dag, vaarwel en tot morgen misschien'.

Na eerst een paar zinnen in het Italiaans geschreven te hebben met gebruikmaking van het woordenboek – waarbij ze genoot van het snuffelen naar woorden – schreef zij mij, zittend in de tuin met boeken om zich heen, waarvoor ze nog de rust moest vinden. Het was Koninginnedag, maar zij bleef thuis, bezocht geen evenementen. Gelukkig was er geen hard geluid van een radio, echter wel oorverdovend gekoer van een duif. Ze beschreef haar waarnemingen van kapoentjes. Mocht zij in haar eerdere schrijven aan mij zwaarmoedig hebben geklonken, dan was dat omdat ze zo ook wel eens kon zijn.

Op bijgevoegde velletjes papier schreef ze vanuit de trein, op weg naar haar ouderlijk huis om op een oude poes te passen. Ze vertelde over een dag dat zij met een vriend was meegegaan, eerst door mooie landschappen naar Loenen aan de Vecht om een animatiefilmpje van Loesje op video over te zetten. Ze had interessante apparatuur en een regiekamer bewonderd. Het filmpje zou als uitzending van Loesje, een nieuwe politieke partij, op televisie komen. Daarna hadden ze gezeild, Dat vond ze eerst eng en later beviel het haar. Vervolgens gingen ze via Utrecht naar het hoofdkwartier van Loesje in Arnhem, in een studentenhuis vol bedrijvigheid. De dag werd in Tilburg met een biertje afgesloten.
Ze had mijn brief ontvangen, vond het lief dat ik zo snel had teruggeschreven en haar had geïnviteerd. Ze was benieuwd wat mij in haar brief beroerde en naar de poëzie die zou komen. Op twee memoblaadjes had ze viltstiftschetsjes van zichzelf gemaakt en bijgesloten.
Ze schreef in een volgende brief dat ze, met een kleine tussenpose, net als ik druk geweest was voor de verkiezingen. Een grote karikatuur had ze ontworpen en werkzaamheden verricht voor Loesje, die het een beetje ludiek en schamper ten aanzien van de nette bestuurders aanpakte. Ze vertelde erover.
Ook lichtte ze haar studieplannen (kunstgeschiedenis of kunst en cultuur) en haar voorbereidingen toe. Misschien zou zij in Rotterdam kunnen gaan studeren. Dan zou ze, als treinstudent, mij vaker kunnen bezoeken. Ze had ook gesolliciteerd naar een baan in Zeeland. Dus het kon ook anders verlopen.

Achterop een ansichtkaart met een tekst van Loesje – 'De beuk erin riep mijn leraar vanachter zijn vaste aanstelling' – maakte ze duidelijk het erg druk te hebben. Ik moest er nog niet te vast op rekenen, maar ze zou proberen naar Rotterdam te komen tijdens Poetry International. Het waren toch niet alleen Jules Deelder en andere Rotterdamse dichters? Ze voerde een lijst met mogelijke data op. Zij zou mij toch nog willen zien voor haar vakantiereis naar Frankrijk.
Op eenzelfde Loesje-kaart bedankte ze mij voor mijn mooi geschreven brief. Ze was blij deze te vinden op haar deurmat na 14 dagen niet thuis te zijn geweest. Blij was ze ook dat ik nog vakantieplannen had. Zij zou het aanstaande weekend naar het zuiden, de Provence, vertrekken, op zoek naar Romaanse en Romeinse overblijfselen.
Tijdens haar vakantieverblijf in Frankrijk, waar ze met een vriendin was, zond ze een ansichtkaart. Ze bezochten zoveel mogelijk als de hitte toeliet en lazen veel.

Op de achterzijde van een affiche voor een tentoonstelling van haar werk, in gouache en olieverf, schreef zij op 1 oktober 1986 dat het contact lang is uitgebleven, maar dat ze mij nog niet was vergeten. Ze had het erg druk met haar nieuwe woon- en werksituatie en haar aanstaande expositie en zodoende niet aan schrijven toegekomen. Had ik nog gelegenheid gehad om mijn hart als schrijver te luchten? In haar werkring was een jonge dichter die romantische gedichten schreef, die zij mooi vond. Ze vroeg mij iets van me te laten horen.

Op een ansicht met een afgebeelde strippenkaart schreef zij, dat we er weer ééntje afstrippen: het beste in 1987. Ze informeerde naar kaartverkoop en programma voor een weekend van het internationale Filmfestival in Rotterdam. Elly had daar ook zin in.
Begin januari volgde een ansichtkaart van het Zeeuws museum. Ze was aan het herstellen van een fikse griep. Had ik al programma’s voor het filmfestival gezien? Zij alleen een aanbieding van De Volkskrant. Ze noemde twee lange weekenden. Hoe aan kaartjes of een weekendpas te komen?

Ik heb geen brief of ansichtkaart kunnen vinden uit de tijd tussen begin januari en december 1987 - de kerst- en nieuwjaarswens voor 1988, waarmee ik deze reconstructie begon. Ik kan me herinneren dat we naar het genoemde filmfestival zijn geweest en dat Yvia toen bij mij heeft gelogeerd. Mijn slechte ogen, waarvan zij op de hoogte was, waren nadrukkelijker aan de orde gekomen, o.a. bij het oversteken in Rotterdam en bij voedsel in mijn huis dat zichtbaar beschimmeld was geraakt. Vond Yvia dat zo erg?
Of verslapte het contact zonder directe oorzaak? Dat vermoed ik. Als ik in mijn geheugen probeer op te roepen wat ik 1987 heb gedaan, kom ik tot veel activiteiten, zoals een vakantie naar achter het toenmalige ijzeren gordijn om met een divers samengesteld gezelschap informatie op te doen voor een radioprogramma van de VPRO en een stedentrip met mijn zus naar Rome. En in het najaar kocht ik een stacaravan in Baarle-Nassau om daarin weekenden te kunnen verblijven met familieleden en uitstapjes naar Vlaanderen te kunnen maken. Daar leerde ik in het voorjaar van 1988 mijn vrouw kennen, met wie ik een paar maanden later een verre reis maakte om haar familie te leren kennen. In april 1989 zijn we getrouwd. In de twee volgende jaren werden onze kinderen geboren. Het laatste bericht dat ik van Yvia heb teruggevonden, is een in januari 1991 geschreven kaartje met een boekje. Het was een deeltje uit een serie die de stichting waar ze voor werkte had uitgegeven. Hoe vond ik, liefhebber van boeken en gedichten, het? Hoe ging het met mij? Met haar ging het wel. In Rotterdam moest nu het filmfestival zijn. In deze tijd dacht ze dan altijd even aan mij. Kaartje en boekje bereikte mij via-via. Inmiddels was ik al tweemaal verhuisd en in een andere leefwereld geraakt. Van een reactie erop is het nooit gekomen. Die had ik wel moeten geven.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website