Van de redactie


Een paar jaar geleden heb ik een opzet voor een gedichtenbundel gemaakt onder de titel ‘Lichtschuw in de lente’. Er staan o.a. gedichten in die eerder in Pointe hebben gestaan. In een aantal gevallen heb ik er nog aan geschaafd. Tot een uitgave is het echter nog niet gekomen. Dat heeft toch meer voeten in de aarde dan ik aanvankelijk had bedacht.
Gevolg is het ongepubliceerd blijven van de erin opgenomen gedichten die niet - of niet meer- gelezen kunnen worden. Dat bracht mij op de gedachte om vier gedichten uit mijn beoogde bundel te selecteren en direct hierna op te nemen.

ELDERS VAN WAAR


Lamplicht houdt binnen muren
onzichtbaarheid op afstand, passend
bij momenten. In mijn hoofd
zijn geestesogen durend op zoek.

Zonder ingetoomde helderheid
is er geen zicht. Netvliezen bepalen
steeds het elders van waar te zijn,
weggedraaid van oogverdovend licht.
Heil van de mythische zonnewagen
is er bij opkomst, herneemt bij dalen.
Middagen verlangen matiging, langzame
wendingen om verblinding te voorkomen.

DUREND EVEN


Uitademend op mijn huid
voel ik je leven.
Van de koude avondlucht
huiver je licht.
Waar zijn de gedachten
die wij delen. Begrepen
is beaamd. Anderen kunnen
op ons wachten. Lachend
schenken wij geduld.
Een briesje, bladeren bewegen,
terwijl duisternis omhult.
Een lantaarn noodt tot vinden.
Is er iemand die ons zoekt?
Dit is een even zonder lengte,
een heus contrast met pijn.
Er zijn altijd wel omstandigheden,
maar bekorten die ons samenzijn?
Lichtschuw in de lente
Afnemende zomen van de dag,
nog onwennig licht duwt zacht
de nacht terug. En duisternisvrij
rimpelt het einde van de middag.

In de marge van de stad deinen
uitzichten in doorstraalde sluiers.
In de weg zit glas, beslagen. Zo
dienen als weermiddel autoruiten.

Dan is de zonnewagen gestegen.
Schel priemt lichtend de energie.
Pijnlijk jong is de dag. Toegeknepen
spannen kijkers achter streepjes.

Gedoofd zijn de lampen in lantaarns.
Er is vertrouwen in ’t seizoen, nieuw.
De hemel trekt, nog fris, vroeg open.
Iemand zegt: heerlijk weer, vandaag.

Geel heffen narcissen hun trompetten.
Brillen tonen in mooi glas bruine glans.
Ogen kunnen bloot ’t licht niet dragen.
D’een tuurt door, schuw blikt d’ander.

Een wolkendek bereidt de avond voor.
Behoedzaam loopt achterwaarts de dag.
En veert op het voorhoofd, zon-gefronst,
van hem, aan wie ook een zucht ontstijgt.

ZACHTE REGEN


Vaak bij regen in de stad, zachte,
aanhoudende regen, kwam mild
in mijn gedachten ’t gedicht op
van Paul Verlaine, Frans poëet.
Hoe het kan huilen in zijn hart,
als aanhoudend druppels dalen,
tikkend neerkomen op de daken.
Hoe het zachte geluid van regen
zijn hart binnendringt met weerzin,
de zingende regen voor het hart.
De neerslag valt zo zonder reden
in ‘t hart, zich vullend met walging.
Wat is deze rouw zonder ontrouw?
Het doet hem pijn dit niet te weten.
Zonder liefde en zonder haat lijdt


En in mijn geheugen, ik geeft toe,
was het hart het hoofd geworden.
Verplaatst had ik de binnenregen
naar ruimte onder mijn schedeldak.
Was mijn gemoed breingebonden?
Misschien leden mijn hersenen pijn,
hielden zij mijn hart van smart vrij.
Ik ben verheugd Verlaine herlezen
te hebben, zijn gedicht over regen
neerdalend in zijn hart, dat hart vol
verveling en rouw zo zonder reden.
Valt er weer regen, zacht op de stad,
dan lijdt ik mild, Verlaine in mijn hart.

OP DEZELFDE PLAATS


Pedalen trap ik rond en rond,
waan mij op paden rijdend
van stad naar dorp, van dorp
naar stad, tussenin momenten
van land, laag de bebouwing.
Mijn innerlijk oog kan veel,
stuurt mij de wereld rond, al
blijf ik op dezelfde plaats,
beweeg ik vol van kracht en
drupt van mij de transpiratie.
Op een stilstaand apparaat,
de slaapkamer als omgeving,
span ik spieren van mijn benen.
Door mijn lichaam als geheel
jaag ik mede gedachten aan.


15 augustus 2019, Jaap van der Hoest

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website