Een streep novemberlicht


een verhaal van Kathleen Boogmans/Josien Kee

‘Waarom trek je zo hard?’ klaagt ze.
Ze draait zich om en zwaait naar haar vriendinnetjes die een andere straat van de arbeiderswijk ingaan. Ik hou de kleine mollige hand van mijn zusje stevig vast. Ik wil zeggen dat moeke ongerust wordt als we treuzelen. Maar mijn mond blijft een streep en ik trek nog harder.
We staan stil voor het raam van het kleine huis van mijn overgrootouders. Moeke houdt de kanten gordijnen opzij. We zien haar lichtblauwe meisjesogen in een gerimpeld rond gezicht omlijst met witte haren. Ze draagt haar schort met roze en witte ruitjes. Straks kruip ik bij haar op schoot. Ze zal me laten dansen op haar knie en zingen van oepsafaldera en ik zal het zijn die het beu zal worden, zij niet.
Ik hoor haar door de gang aan komen schuifelen. ‘Kom binnen kindjes’, zegt ze en ze pakt onze boekentassen en jassen aan. ‘Ik ben pannenkoeken aan het bakken, in de winter moet je kolen op de kachel doen, kom maar aan tafel. Brengen jullie vake mee?’
We lopen naar vake die in de armstoel bij het raam zit. ‘Hoe was het op school, meisjes?’ vraagt hij en hij tast naar de asbak om zijn sigaret uit te duwen. ‘Goed, vake, kom we gaan eten.’ Ik geef hem een hand en leid hem langs het salontafeltje met het door moeke gehaakte kleedje. Hij weet dat het smaller wordt wanneer ik trager stap. Dan laat hij zijn hand langs de donkere houten eettafel glijden en weet dat hij bij het eind twee stappen naar links moet doen om de keuken binnen te gaan.
Later zal ik dezelfde zoekende bewegingen maken als mijn vake omdat ik net als hij zal moeten leven met bijna blinde ogen. Maar dat is pas jaren later.
Ik leg zijn hand op zijn stoel. ‘Merci kind’ zegt hij zacht en zucht terwijl hij gaat zitten. Hij vindt zijn koffiekop – wit met blauwe bolletjes – die hij steevast herkent aan het barstje dat erin zit. De parkiet springt in zijn kooi heen weer, de koffiemachine pruttelt en blaast zijn adem uit. Een streep novemberlicht valt op een kalender die ze kochten van een blindenvereniging. Ik kijk naar een foto van een geleidehond en denk, misschien krijgt vake op een dag ook wel zo’n mooie hond die hem helpt.
Moeke loopt in en uit de bijkeuken met een nieuwe lading pannenkoeken. Ik durf niet jammeren over het ontbreken van bruine suiker omdat ik weet wat er dan komt. ‘Het moest eens oorlog worden, je zou niet klagen over de kleur van de suiker.’ Maar mijn zus doet het wel en ja hoor, de droevige herinneringen aan de oorlog zijn nooit ver weg voor oude mensen die er twee hebben meegemaakt. Ondanks de witte suiker smaken de pannenkoeken alsof we ze in volle oorlogstijd geserveerd krijgen.
‘We gaan zo meteen naar Erna’ kondigt moeke aan. ‘Ah’ zegt vake, ‘dan krijgen ze een centje.’
We helpen met afruimen en afwassen. Ik sta op een stoel en buig me naar links om een kop van het aanrecht te pakken, draai ze rond in de handdoek, buig me naar rechts en mik de propere vaat op de tafel. Mijn zusje brengt vake terug en zet de T.V. voor hem aan. Hij vist zijn portefeuille uit een spleet tussen de leuning en het kussen van zijn zetel en rommelt in de geldstukken. Hij roept ons bij zich en geeft ons elk 20 frank. ‘Dat is 10 frank voor de spaarpot en 10 frank voor snoep bij Erna.’ Ik spring van de stoel en steek mijn nog natte hand uit. We lopen naar de schoorsteen waar onze spaarvarkens staan. Ik sta op mijn tippen en reik naar de varkens. Ik kan er net bij maar één van de varkentjes glijdt uit mijn handen. Het botst op de kachel en valt in stukken uit elkaar. Het geld rolt naar alle kanten. Ik barst in tranen uit. Moeke komt aangesneld uit de bijkeuken. Ze sust en troost en controleert of ik me niet bezeerd heb. ‘Och kind, spaar die tranen voor later, dan zal je ze nog nodig hebben.’ Ik huil nog luider want ik wil mijn tranen niet sparen. Dat zegt ze nu altijd. Ook als we onze knie bezeerd hebben of ruzie hebben gemaakt met ons beste vriendinnetje. Ze pakt een zakdoek en droogt mijn gezicht. Ze houdt mijn zusje tegen die de geldstukken wil oprapen. ‘Neen, dat is te gevaarlijk, je zou je hand nog kunnen snijden, ons moeke gaat dat wel opruimen.’ Ze haalt stoffer en blik en veegt glas en geld bij elkaar. ‘Het is al opgelost, ik zoek dat straks wel uit.’ Wij staan beteuterd toe te kijken. Ze zoekt steun bij een stoel en krabbelt recht. Het blik legt ze achter een schoolfoto van ons op de kast. Zorgen voor later. ‘Doe de jasjes maar aan en pak de rieten zakken want dadelijk is de winkel nog dicht, vader, heb je nog wat geld voor dat kind?’ Ze streelt over mijn haar en ik kan al terug lachen.
We lopen gearmd met ons drietjes naar Erna. In de winkel is het druk. ‘Dag Moeke Lies’ zegt Erna. De dikke gezellige Erna duwt ons een papieren puntzakje in de hand. Mijn zus en ik verdwijnen tussen de rekken met zuurtjes, colaflesjes, rode draad, toverbollen, … Moeke bestelt de lievelingschocolade van vake, bruine suiker en ook soepgroenten want op zaterdag maakt ze soep.

De hond weet precies waar het is. Hij stopt en drukt zijn natte neus tegen mijn knie. De strepen op de witte vlek zijn de namen op het graf van moeke en vake. Eliza Ceuppens en Jan Vercammen. Nooit heb ik twee mensen gekend die zo weinig hadden en zoveel hebben gegeven. De donkere schaduwen rechts zijn de herfstbomen. Blaadjes vallen en ritselen op de steen. Ik hoor het haar haast zeggen. Maar ik luister niet. Het is later, ik heb goed gespaard en ik heb ze nu nodig.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website