IN PLAATS VAN IN SLAAP TE VALLEN


een verhaal van Jacob Batoeck

De slaap wilde mij niet vatten en andersom ging het ook niet. Ik lag wakker en had mij al een paar keer omgedraaid. Op voorhand wist ik dat verzet geen effect zou hebben. Meditatie? Ik wist er wel iets van, maar ik geloofde niet het te kunnen toepassen. Fantaseren? Ideeën laten opborrelen? Kon ik de spanning van mijn oppervlakkige denken laten verslappen en zodoende in mij gegroeide denkbeelden naar boven laten komen?

Ik wenste al jaren schrijver te zijn, meer een dichter. Wanneer was het eigenlijk begonnen? Een moment van aanvang kon ik niet vinden in mijn geheugen. Ik hield het maar voor een jeugddroom, die in mij bleef smeulen. In de loop van de tijd had ik uit interviews met schrijvers - die ik belangstellend las en beluisterde - begrepen, dat veel lezen aan kunnen schrijven vooraf moest gaan. Met vertrouwen op een mogelijk talent alleen zou het niet lukken. Over woorden zou ik moeten beschikken om te beschrijven, om over te brengen. De fantasie van lezers moet geprikkeld worden. Een schrijver moet bronnen hebben om uit te putten en in zijn hersenen op te slaan. In opleidingen en cursussen om een goede pen te voeren heb ik nooit heil gezien. Voor mij ging het daarbij eigenlijk alleen om het leren van vakmanschap of het volgen van een beroepsopleiding, bijvoorbeeld om journalist te kunnen worden. Nee, het lezen van werken van goede auteurs, dan wel klassiekers, was voor mij de te begane weg.

Ineens kwam de vraag in mij op: voor wie wil ik schrijven? Ergens moet ik een lezer voor ogen hebben, als ik aan een tekst zit te sleutelen. Ja, primair doe ik het voor mijzelf. Ik wil een geheel van woorden in elkaar zetten en vormen, waarover ik tevreden kan zijn. Dat geeft mij op zich al genoegdoening, een soort arbeidsvreugde. Op de achtergrond kan er, al schrijvend, een beeld van een lezer in mij opkomen. Hoe dat eruit ziet hangt af van wat en waarover ik schrijf. Het is vaak geen scherp beeld. Ik geloof wel dat het vaak een vrouw is. Zou het mij om de waardering van vrouwen gaan? Ik heb geen behoefte om dat te ontkennen. Maar, het is niet zo dat ik niet door mensen met een ander gender gelezen wil worden. Integendeel. Misschien word ik meer geïnspireerd door vrouwen en schrijf ik voor een brede doelgroep. Daar kan ik goed mee leven.

Als ik een verzonnen verhaal schrijf, gebruik ik eigen ervaringen en feiten waarvan ik door eigen waarneming kennis heb. Dat is niet bijzonder. Welke fictie-schrijver doet dat niet? Vaak komt het voor dat er meer materiaal nodig is dan eigen ervaringen en feiten. Dan moet ik, zoals dat heet, research verrichten. Een schrijver moet onderzoek doen om tot een kloppend beeld te komen van situaties, feiten en personen die hij wil beschrijven. Bijvoorbeeld als het te schrijven verhaal zich in een andere tijd of in een ander deel van de wereld afspeelt, en ook als er personen uit een andere cultuur worden opgevoerd of het om een beleving vanuit een andere sekse gaat. Goedbeschouwd heeft een schrijver meer voorwerk te doen naarmate zijn verhaal afwijkt van zijn eigen wereld.
Beeldend kunstenaars, zoals schilders, beeldhouwers en ook fotografen en filmmakers gebruiken modellen om door middel van observatie een visie te kunnen krijgen. En daarmee kunnen zij dan creëren en tot een visueel beeld komen. Dat hoeft geen natuurgetrouwe weergave te zijn. Een model kan de kunstenaar inspireren tot herinneringen, associaties en gedachten die hij verwerkt. Ook kan, om een werkelijkheid voor ogen te krijgen een enscenering opgezet worden. Zo kan de kunstenaar een gewenste waarneming doen, die hij kan gebruiken in zijn scheppingsproces.
Maken schrijvers ook gebruik van modellen? Ik weet dat eigenlijk niet. De mogelijkheid bestaat natuurlijk wel. Misschien kan er zelfs meer dan bij het werk van de hiervoor genoemde kunstenaars het geval is. Ik ben tot de volgende ideeën erover gekomen.
Stel dat in een verhaal of boekpassage een vermomming voorkomt, waarbij een man zich het uiterlijk en het gedrag van een vrouw heeft aangemeten. Waaraan kan dan ontdekt worden dat de pretentie tot de andere sekse te behoren niet opgaat? Heeft, bijvoorbeeld, die man zich te vrouwelijk aangekleed (nogal korte rok, laag uitgesneden bovenkleding en/of hooggehakte schoenen) of gaat er iets mis qua gedrag (hij loopt abusievelijk naar het herentoilet). De schrijver kan dat in zijn hoofd construeren en vervolgens in woorden neerzetten, maar loopt hij dan niet het gevaar er een karikatuur van te maken, zodat het onbedoeld te veel een lachertje wordt? Het werken met een model biedt dan door middel van verkleding en een rollenspel de mogelijkheid van realitytesting en daarmee het kunnen bereiken van de bedoelde toonzetting. Als de schrijver al doende voor ogen krijgt wat hij in zijn hoofd had, kan hij er een beschrijving van maken. Hij kan - al lettend op het model - ook nog stuiten op wat hij kennelijk vergeten had. Dat kan, bijvoorbeeld, het stemgeluid zijn. Wat doet een man vermomd als vrouw als hij onverhoopt moet spreken?
Mijn gedachten komen op een model als werkhulp voor een schrijver die zodoende zijn researchmogelijkheden kan uitbreiden. Dat is in mijn visie het geval als in een verhaal of romanpassage een voor de lezer kloppende werkelijkheid moet worden beschreven. Stel dat de schrijver niet wil volstaan met ‘hij liep ongelooflijk snel de trappen af’ en een beschrijving wenst om te kunnen weergeven hoe deze ‘hij’ snel naar beneden liep. Dan kan het model in een geschikt bevonden trappenhuis aan het werk met de vraag hoe dat op een aannemelijke manier gedaan kan worden zonder een valpartij.
Een ander voorbeeld is, dat het om beschrijvingen gaat van handelingen waarvan details waargenomen moeten kunnen worden. Stel dat geschreven moet worden over een inbreker die vrijwel ongezien door een gesloten voordeur een woning binnendringt. De schrijver kan dan 'de man opende de voordeur op slinkse wijze' voldoende vinden, maar kan met een spelend model ook tot een kleine gedragsstudie overgaan die tot een mooie, spanning biedende, beschrijving leidt.
Ik denk aan een model met een ruime taak om een schrijver bij te staan in het waarnemen. En als er onverhoopt niet waargenomen kan worden wat de schrijver wenst, zou dat gemaakt of in scene gezet moeten worden. Dit kan aan de orde zijn bij fictie op basis van realisme, waarbij het verhaal wordt verzonnen en er desalniettemin sprake moet zijn van een kloppende werkelijkheid. Indien het om fantasie en een bedachte, onrealistische werkelijkheid gaat, zijn goedbeschouwd de inbeelding en het voorstellingsvermogen van de schrijver belangrijker dan waarneming van een bestaand iets of iemand. Betekent dit dat er ingeval van een degelijke fantasie geen taak kan zijn voor een model? Ik wil dat niet uitsluiten. Het is aan de schrijver om zijn behoefte hieromtrent te bepalen. Het zou kunnen dat alvorens het in woorden te vatten een inbeelding eerst gestalte gegeven moet worden. En daarbij kan een model assisteren. In mijn ideeën over een model die ik tot nu toe heb weergegeven ben ik impliciet van een man uitgegaan. Zou het dan geen vrouw kunnen zijn? Ja, dat kan. En ook een genderneutraal persoon kan – als het geslacht er niet toe doet – geschikt zijn.
Bij een vrouw gaan - om eerlijk te zijn – mijn gedachten op de loop, niet in de laatste plaats omdat ik zelf een man ben.
Stel, dat een schrijver in zijn verhaal een situatie opvoert waarin een man in een café langzaam door een vrouw verleid wordt. Hij wil hiertoe dat proces - om geleidelijk voor de lezer een inleefbare spanning op te bouwen - gedetailleerd beschrijven. In zo’n geval kan een vrouwelijk model als een actrice passend gedrag verfijnd laten zien. Eventueel kan er interactie tussen model en schrijver ontstaan over welk vrouwelijk gedrag verleidelijker is voor de man in kwestie. Wat windt hem eerder op? Wanner gaat oogcontact over in een eerste aanraking? Gaat dat met raffinement of met waarneembare voortvarendheid?
Ik kan nog een tweede voorbeeld bedenken. Hierin hebben een man en een vrouw, die een vaste relatie hebben, kort ervoor een tuinfeestje van een bevriend stel verlaten. Ze hebben allebei te veel gedronken en krijgen ruzie vanwege misverstanden. Hij vindt dat zij tijdens het feestje met een andere man heeft aangepapt en zij verwijt hem te lang en te close met een sexy vrouw te hebben gedanst. De ruzie vindt buiten, op een soort kinderspeelpleintje, plaats en neemt toe. Hoe zou de vrouw zich in deze ontwikkeling gedragen? Wat zou zij doen tijdens het - waarschijnlijk - schreeuwend toeroepen van verwijten? Zijn er aanzetten tot fysiek geweld? En als dat zo is, hoe beschermt de vrouw zich dan? Speelt ook verdriet nog een rol in samenhang met boosheid? Hoe werkt bij allebei de dronkenschap door?
Een vrouwelijk model zou door inleving in de situatie vanuit het gezichtspunt van de vrouw aspecten van het verloop van de ruzie aan kunnen geven die passen in het geheel van het verhaal van de schrijver. Bijzonder kunnen seksscenes zijn. De schrijver zou hierbij uit eigen ervaringen kunnen putten, maar mogelijk ziet hij daar vanaf om redenen van privacy of anderszins. Een vrouwelijk model kan helpen bij het beschrijven van een bijzonder seksueel spel tussen een vrouw en een man. Hoe dat gebeurt, is een kwestie van afstemming. Het model kan naar eigen inzicht als een actrice, eventueel samen met een meespelend acteur, een scene of een onderdeel ervan laten zien. Ook kan de schrijver het model voorleggen wat hij uitgevoerd wil zien om gedetailleerd te kunnen beschrijven. Het laat zich denken dat het bij een gevoelige relatie - waarin bijvoorbeeld het voorspel belangrijk is – om subtiliteiten gaat, om verfijningen die treffend in woorden moeten worden weergegeven.
Naast de fysieke aspecten van seks kunnen psychische elementen aan de orde komen via afstemming van gedachten in een dialoog. Hoe kan een vrouw ingeval van een kennelijk te doelgericht handelende man - hij wil snel klaarkomen - op de rem trappen om ruimte te verkrijgen voor haar beleving?

Als ik het voorgaande nog eens bezie, kom ik tot modellen die schrijvers op diverse manieren kunnen assisteren bij hun werk, vooral in de fase van research. Er kan door middel van verbeterde, ondersteunde, waarneming tot originelere beschrijvingen worden gekomen. Clichés kunnen worden vermeden. Wellicht ontstaat bij lezers nu vrees voor een te realistische manier van schrijven. Ik meen dat daar geen grond voor is zolang het om fictie, bedachte verhalen, gaat. Wordt het te zeer fantasie en wordt daarmee losgekoppeld van bestaande werkelijkheden, dan verliest realisme aan betekenis. Zo kunnen droomwerelden ontstaan. Of het daarvan moet komen, is uiteindelijk een keuze van de schrijver.

Ik was nog niet in slaap geraakt. Het geheel van opgeborrelde ideeën had mij kennelijk te weinig vermoeid om in Morpheus’ armen terecht te komen.
Ik probeerde weer terug te keren naar innerlijk denken. Ik wilde niet meer in de wereld van schrijven in fictie verder gaan. En dat lukte mij. Ik kwam bij non-fictie terecht, bij het schrijven van niet-bedachte verhalen, een genre dat ik zelf had beproefd. Onder andere had ik dat gedaan door herinneringen naar boven te halen en zonder bedachte toevoegingen op te schrijven. Min of meer geleid door de actualiteit, waarin dagelijks effecten en ontwikkelingen met betrekking tot het coronavirus doorklinken, popte in mijn geheugen een verhaal op over een, aanvankelijk onbekende, ziekte waarmee ik geruime tijd geleden werd geconfronteerd. Ik meende te weten, dat ik het verhaal uit mijn laptop zou kunnen halen. Het kostte enig zoekwerk, maar dat leverde wel het gewenste resultaat op. Ik heb het gekopieerd en ingeplakt. Het volgt hierna.

Het was 1976


Het was meer dan een griepje. Aanvankelijk leek het op vermoeidheid die samenging met iets van een verkoudheid. Mijn nek was ook stijf. Daarvoor lag een oorzaak voor de hand, meende ik. Deze kon gevonden worden in de voorafgaande dagen. Voor de vermoeidheid zou ik een uitgebreidere verklaring nodig hebben. Het was mooi weer geweest gedurende een aantal dagen. Hoeveel dat er waren weet ik na zoveel jaren niet meer. De warmte en het nauwelijks aanwezig zijn van enige wind waren gezamenlijk een overtuigende reden geweest om de luiken in het dak van de bus, waarmee ik naar de tentamenlocatie was gereden, geheel open te zetten. Tijdens die ritten had dat door veel luchtverplaatsing aangename verkoeling geboden, maar ook een vorm van tocht die een teveel aan verkoeling had gegeven. En dat had een ongunstige uitwerking op mijn nekspieren gehad. Dat was de verklaring die ik had gevonden voor de toestand waarin ik verkeerde.
Zoals gebruikelijk bij een griepje was ik een paar dagen in bed gebleven. Verbetering trad echter niet in. Ik bleef mij ziek voelen en mijn temperatuur bleef iets onder de 38 graden, net geen koorts. ’s Nachts werd ik in het zweet wakker. Mijn bed was dan zo nat, dat mijn lakens vervangen moesten worden. Dat leverde, met de extra was, mijn moeder veel werk op. De huisarts kwam op bezoek - wat toen nog kon - en schreef na mij kort onderzocht te hebben een antibioticumkuur voor. Dat herhaalde hij bij een vervolgbezoek, maar ook de tweede kuur bracht mijn lichaam niet op orde.

Ik was naar Joegoslavië geweest. Het was een bijzondere vakantie geworden. Dat kon ook verwacht worden. Om dat uit de doeken te doen vergt een uitgebreid verhaal. Laat ik daarover maar niet beginnen. Dat kan altijd nog. Gedacht moet worden aan de samenstelling van het reisgezelschap, twee vrienden en een vriendin, en de onderlinge relaties. Ja, mijn verlangen - of moet ik het anders noemen - naar deze vriendin toe speelde gewis ook een rol. En tevens kan gedacht worden aan de manier van reizen - met oncomfortabele treinen en streekbussen - en het primitieve kamperen, noodzakelijk om de vakantie low budget te houden.
Teruggekeerd uit Joegoslavië moest ik stevig studeren, waartoe ik een strak schema diende aan te houden. Ik had mijn tweede semester van mijn eerste jaar Rechten bij een aantal vakken onvoldoende afgesloten. Dit geheel van ongunstige resultaten had - zo meen ik achteraf te kunnen vaststellen - een paar oorzaken. Primair denk ik aan de voldoende afgesloten tentamens van het eerste semester. Ik had wel last gehad van mijn slechte ogen bij het studeren, maar minder dan ik voor de aanvang van mijn studie had ingeschat. Zodoende meende ik er tijdens het tweede semester wel iets naast te kunnen doen. Ik was daar niet echt naar op zoek geweest. Het kwam eigenlijk naar mij toe. Dat was in de vorm van een telefoontje. Ik werd gebeld door een partijlid, zo’n twee jaar nadat ik mij bij de PPR had aangemeld. Aan mijn passieve lidmaatschap kwam daarmee een einde. Na een huiskamerbijeenkomst van partijgenoten besloot ik met hen mee te doen aan verkiezingen voor een deelgemeenteraad in Rotterdam. Er was een bijzondere motivatie voor mij bij deze deelname. De man bij wie de bijeenkomst, die ik zojuist noemde, thuis plaatsvond en die - zo bleek al gauw - de lijstrekker zou worden, was blind. Was er dan meer mogelijk als je ogen nog slechter waren - zelfs geheel niets zagen - dan die van mij? Opluchting en verwarring buitelden in mijn hoofd. En ik deed actief mee aan de verkiezingscampagne die mijn partij op deelgemeenteniveau voerde. Dat kostte tijd en energie. En van rustig studeren kon geen sprake meer zijn.

In mijn bed lag ik, bij mijn ouders thuis. Aan eigen huisvesting had ik voor de beginjaren van mijn studie niet willen denken. De extra kosten speelden hierbij zeker een rol, maar ook het zelfstandig wonen als slechtziende. Achteraf, na zoveel jaren, kan ik niet goed meer invoelen hoe ik dat toen beleefde, want ik meen mij eveneens te herinneren dat ik - hoewel ik het bij mijn ouders goed had - behoefte had aan zelfstandigheid.
Ik voelde mij grieperig en ook vermoeid. Zomaar in bed liggen wilde ik kennelijk niet, want ik was begonnen aan een boek, dat ik een keer in de uitverkoop had gekocht. Het was een Salamander-pocket, gemakkelijk hanteerbaar voor wie boeken dicht bij zijn gezicht wil houden. De titel was: ‘De vrijheid gaat in het rood gekleed’. Schrijver: Theun de Vries. Het lezen wilde echter niet vlotten. Mijn zich opdringende verlangen om boeken te kunnen verslinden - dat ik al had moeten afstemmen op mijn realiteit - botste stevig op tegenwerkende ogen. Had ik mijn kijkers tijdens de voorbereiding van mijn tentamens te lang te zware karren laten trekken? Kennelijk waren er qua visuele inspanningen grenzen en was ik daarop gestuit, wellicht zelfs overheen gegaan, en zat ik met de gebakken peren.
Een echt hulpmiddel had ik in die tijd nog niet. Als de letters te klein waren, gebruikte ik een uitklapbaar loepje, waarmee ik - met één oog kijkend - dicht op het papier zat. Vanwege de gebogen houding bij het lezen van ondergrond behoevende boeken en het ongerief daarvan had mijn vader een houten bouwwerkje voor op mijn bureau gemaakt. Dat werkte ontlastend. Door de krant worstelde ik mij heen. De radio was echter mijn belangrijkste verbinding met de wereld. Vanuit de luidspreker daarvan vernam ik onder meer dat Mao was overleden en hoe dat nieuws zowel in China als elders werd ontvangen. In Nederland speelde de Lockheed-affaire. Ter opheldering van de gerezen vragen was door het zittende kabinet Den Uyl de commissie Donner in het leven geroepen, die na verricht onderzoek met een rapport kwam. Een rechtstreeks spoor naar prins Bernhard legde de commissie niet bloot, maar de algemene overtuiging bestond dat de prins-gemaal steekpenningen had ontvangen. Er kwam een zeer spannend debat in de Tweede Kamer. Premier Joop den Uyl legde verantwoording af over hoe zijn kabinet de affaire politiek had opgelost en hoe hij daarmee het Koninklijk Huis had gered. Prins Bernhard werd niet vervolgd voor de strafbare handelingen die hij - echtgenoot van het staatshoofd - met het aannemen van steekpenningen van Lockheed had verricht. Hiervoor in de plaats kreeg hij opgelegd dat hij in het vervolg geen militair uniform meer zou mogen dragen. Dat viel hem - van wie algemeen bekend was dat hij veel prijs stelde op militair vertoon - zeer zwaar. Dat was ook de bedoeling, zou gezegd kunnen worden, want er diende uitgebalanceerd te worden.
Het rapport van de Commissie Donner kreeg veel belangstelling en verscheen in de boekwinkels. Ik liet een exemplaar kopen. Dat nam ik door, maar van a tot z lezen - hetgeen ik graag gewild had - kon het niet komen. Dat was visueel niet mogelijk voor mij. Had ik toen maar de hulpmiddelen en de voorzieningen gehad, waarover ik nu wel kan beschikken.

Hoe moest het verder met mij? De huisarts wist het niet. Duidelijk was geworden dat een griep niet gediagnosticeerd kon worden. Een eenvoudige bacterie was ook niet in het spel, want die had door de ingezette antibiotica uitgeschakeld moeten zijn. Even veronderstelde mijn huisarts - kennelijk vanwege het in het nieuws geweest zijn van een zogeheten papegaaienziekte - dat de in huis aanwezige parkieten een veroorzakende factor vormden. Met pijn in zijn hart gaf mijn broertje de vogeltjes maar aan zijn biologieleraar, in wie hij vertrouwen had. Mijn conditie verbeterde er echter niet door. Omdat hij het echt niet meer wist en ik genezing behoefde, stuurde mijn arts mij voor een opname ter observatie naar het ziekenhuis.
Welke gevoelens had ik daarbij? Ik voelde mij onzeker en ik was bang dat ik iets ergs zou hebben. Dat zou dan ontdekt worden. Echter, om ooit te kunnen genezen - als dat mogelijk zou kunnen zijn - moest het eerst van de juiste medische ontdekking, de echte diagnose, komen. Wat zou ik hebben? Dat was de vraag die mij obsedeerde. En het was niet alleen deze niet weg te poetsen vraag, ook de bijgedachte dat iets vaags het begin van een in wording zijnde ernstige ziekte zou kunnen zijn. Zou de weg naar het einde van mijn leven zijn ingezet? Dat mocht toch het geval niet zijn. Ik diende mij over te geven aan de enige zekerheid op korte termijn die ik had: dat ik goed onderzocht zou worden.
Mijn ouders brachten mij naar het ziekenhuis. Na de opnameverrichtingen doorgemaakt te hebben kwam ik op zaal te liggen. Het onderzoek begon met de algemene metingen en het doorlopen van lange vragenlijsten. Wat ik aan ziekten had gehad? Wat ik dit en wat ik dat. Oh, je bent student. Wat studeer je? Daarna kwam de mantoux-prik, in bed gegeven. Vervolgens mocht ik met een verpleegster meelopen naar de röntgenafdeling, voor een foto van het binnenste van mijn borstkas, die ik later - medische termen overnemend - mijn thorax ben gaan noemen. En na verricht onderzoek mocht ik weer naar zaal, terug in een unheimisch ziekenhuisbed.
Nog dezelfde dag werd mijn arm die de mantoux-prik had ontvangen bekeken. Rondom het stukje huid waar de injectienaald was ingebracht vertoonde zich een duidelijke schijf. Ja, dat was een groot ding. En omdat ik de bedoeling van de mantoux-test kende - op de lagere school werd deze door middel van krasjes op je arm toegepast -, wist ik dat ik tbc moest hebben. Even later vernam ik ook dat de röntgenfoto een vlekje op één van mijn longen had laten zien.
Hoewel ik dacht, dat een behandeling naar genezing meteen kon worden ingezet, werd die stap niet meteen gezet. Omdat ik niet hoestte, gaf ik geen sputum op. Op zich vond ik dat prettig, maar voor onderzoekende medici was het lastig. Op diverse manieren, onder anderen door water achterin mijn keel te spuiten, probeerden verpleegsters sputum los te krijgen, voor de kweek. De pogingen mochten echter niet baten. Dat was, zo bleek kort daarop, geen aangename vaststelling, want er moest daardoor naar een zwaar onderzoeksmiddel worden gegrepen. Dit hield in, dat ik een bronchoscopie moest ondergaan. Met een naar binnengeduwde, relatief dikke buis zouden mijn longen intern bekeken worden en voor de kweek moest een klein stukje vezel met een miniem tangetje worden weggenomen. Het was geen gering gebeuren, waarvoor ik vanwege de geweldsaspecten morfine kreeg toegediend. Dat verzachtte de pijn en bracht een roes teweeg, die na afloop - terug in bed - even een aangenaam karakter had.
Ik moest wachten op de uitslag en daarmee op een vastgestelde diagnose. De longarts zou hiertoe aan mijn bed komen. Ik wist dat hij in aantocht was en zat alvast rechtop en vol spanning in bed. Ik wilde direct vernemen dat ik inderdaad tbc had, en wel in een niet open vorm. Dan kon de medicatie gestart worden en daarmee de weg naar beterschap worden betreden. De longarts stapte over de drempel van de zaal en op dat moment ging zijn pieper. Hij werd opgeroepen. Hij draaide zich meteen om en ging de gang weer op. De volgende minuten duurden erg lang. Maar na zijn terugkomst kreeg ik bevestigd wat ik wilde horen. Voordat ik echt naar huis mocht, moest ik nog wel een paar dagen in het ziekenhuis blijven, om vast te kunnen stellen of ik de medicijnen zou kunnen verdragen. Gelukkig was dat zo. Voor mijn geestesoog doemde de universiteit al weer op.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website