een Indonesisch verhaal van Aladar (schrijversnaam van Alam Darsono)
Bergsma zat weer bij Toko Oen en liet zich de gekruide bamisoep, een hap
kroepoek er tussendoor, goed smaken, net als toen, tien jaren geleden,
tijdens zijn eerste verblijf in de stad in de Djemberbergen. Het restaurant
zag er nu veel beter uit dan toen, nieuwer, schoner, en vooral met een
overvloed aan gerechten op de menukaart. Dat was toen heel anders geweest,
na de val van de grote Boeng, toen alles wat er nog over was van de
koloniale aanwezigheid op het punt stond in elkaar te zakken of uit elkaar
te vallen. Enkel het befaamde,misschien beruchte, Indonesisch
improvisatietalent had toen het land met kunst en vliegwerk, letterlijk met
touwtjes en elastiekjes, bij elkaar gehouden. Dat had hij kunnen waarnemen
aan de smalle buizen van de waterleiding en de wijde buizen van de riolering
uit de koloniale tijd, die hij toen vanuit Holland was komen inspecteren.
Niet dat het gebedel nu van de baan was, want dat gedijde overal waar
toeristen zich vertoonden, maar de bedelaars van nu noemden zich studenten,
waren netjes gekleed, en zongen voor hun roepiah's bij de gitaar of doken
onder tafel om zijn schoenen te poetsen. Zijn schoenen hadden nog nooit zo
uitbundig geglommen als hier, want, kwam het hem voor, de studerende
schoenpoetsers hadden duidelijk voorkeur voor schoenen die glommen als
spiegels. De eerste keer dat hij hier had gezeten, voorzichtig etend van de
kleine portie nasi met tempee en wat groente, liepen de bedelaars in vodden
en waagden ze zich niet over de drempel van het aloude eethuis. Ze mochten
dan al boze scheldwoorden grommen tegen de Chinees van de toko, ze hadden
toch veel respect voor hem, het respect van de bezitloze voor de bezitter.
De enige van hen die het toen had gewaagd binnen te komen, was een
broodmagere vrouw geweest in een vuile rode sarong, met lange wilde haren
slingerend om een wanhopig gezicht waarin geweldige ogen fonkelden, een
straatzangeres. Verder dan een slag op haar tamboerijn en de woeste schreeuw
als inzet van een Oosters lied vanaf de drempel was zij echter niet gekomen.
De djongossen waren prompt op haar af geschoten en hadden haar met geweld de
straat weer op geduwd. Hij had zijn maaltijd net afgerekend en had wat
gerechten laten inpakken in pisangblad voor het geval dat hij in de nacht
trek mocht krijgen. Toen hij buiten kwam, zag hij de magere straatzangeres
zich met een uitgestrekte arm tegen de gevel staande houden en hoorde hij
opeens weer het woord in zijn oren echoën, dat zij daarnet als begin van
haar lied had uitgeschreeuwd: lapar! honger! Hij was bij haar staan gebleven
en zij had haar wanhopige gezicht naar hem toe gedraaid. Hij had een
ogenblik in haar wilde ogen gestaard en de pakjes voedsel zwaar in zijn hand
voelen wegen.
Zonder een woord te zeggen had hij haar daarop bij de arm
genomen en had haar meegevoerd naar zijn kleine huis bij de watertoren.
Zonder spreken had hij haar daar verzorgd, de volgende dagen, want zijn
ervaren oog van medisch hulpverlener had haar ondervoeding terstond herkend
en hij had geweten hoe hij haar zorgvuldig moest bijvoeden, nadat zij haar
eerste honger en dorst had gestild. Hij had haar zich laten wassen in de
mandikamer en had daarna haar magere lichaam zorgvuldig onderzocht, de
oedeemplekken, de puisten, een zweer hier en een verwonding daar,
geïnspecteerd. Voor de zoveelste maal had hij zichzelf gelukkig geprezen de
inspannende cursus EHBO in de tropen te hebben gevolgd, want al zou er een
dokter in de buurt zijn geweest, een arm mens van de straat als deze
straatzangeres had die toch niet kunnen betalen. Hij had het trouwens
prettig gevonden zijn medische vaardigheden op haar uit te kunnen oefenen en
zij had hem in alles laten begaan, stil, gelaten, zonder afweer of enig
blijk van schaamte. De volgende morgen al, toen zij fris ontwaakt met
heldere ogen en opgetrokken benen op haar tikar zat, had hij de vruchten van
zijn heilzame arbeid kunnen aanschouwen. De wanhoop was van haar gelaat
geweken. Toen had hij ook al een nieuw baadje voorhaar gekocht en ook een
tandenborstel, want hij had gezien datzij ondanks haar ellende nog steeds
prachtige tanden had.
Nadat zij bijna een week bij hem had doorgebracht
en kilo's was aangekomen, had zij, toen hij tegenover haar aan de wankele
tafel zat, genoot van de stille ochtend en de groene thee die zij voor hem
had gezet, voor de eerste maal tegen hem gesproken. Met een verlegen
glimlachje had zij "Dank u wel, meneer" gezegd, in een zuiver Nederlands,
een verouderd Nederlands, maar een algemeen en zeer beschaafd Nederlands.
Toen eerst had hij beseft dat hij al die dagen had gesproken, wel in
zichzelf en voor zichzelf, maar luidop, zoals hij placht te doen wanneer hij
in z'n eentje werkjes verrichtte, en dat hij datdoende ongewild zijn
landaard aan haar had geopenbaard. Hij had haar verrast aangestaard en zij
was traag begonnen te vertellen, over zich, op zachte toon, voorzichtig,
soms zoekend naar een woord, een zinswending, als dank voor zijn goede
zorgen voor haar, doch vooral als blijk van vertrouwen in hem. Zij vertelde
in een haperend Hollands, een Hollands van de koloniale school van weleer,
daarom een grammaticaal foutloos Nederlands uit de boekjes, zoals hij het in
eigen land nooit had horen spreken.
"U hebt kawan Soewarni in huis
genomen, boeng", zei majoor Koesnadi tegen hem, bij wie thuis hij een paar
maal in de week een partij schaak speelde. "Die men de rooie Soe noemt. Ik
zie dat u niet weet wie zij is. Dat kan ook niet. U komt niet van hier. U
heeft in Holland toch wel vernomen van de mislukte koedetat van de
communisten van vijf jaar geleden?"
Zeker had hij ervan gehoord. Het
bedrijf had hem voor zijn vertrek naar de voormalige kolonie nadrukkelijk op
het hart gedrukt dat onderwerp nooit aan te roeren bij Indonesiërs. Hij was
er uitsluitend voor het water en water had niets te maken met politiek,
althans niet voor het bedrijf.br>"Wij zijn politiek onwetend, Bergsma", had
de directeur met nadruk gezegd. "Wij zijn amnesty niet. Wij voeren een
opdracht uit voor Ontwikkelingszaken en that is it. Geen mensenrechten dus,
alleen maar business as usual. Wij weten trouwens evenmin iets af van
Nederlands-Indië en tempo doeloe. Ik in elk geval niet, voor mijn tijd, en
jij ook niet, Bergsma, al heb je ook een inlandse, sorry, Indische, o
pardon, Indonesische moeder.
Die ouwe koeien zijn voor ons allemaal
flauwe kul, maar water is nooit flauwe kul, is nodig voor de bevolking en de
bedrijven daarginds. Dat is alles wat we daar brengen en waarover we een
eigen mening hebben."
MMajoor Koesnadi van de veldpolitie, die hij sinds
kort Koes mocht noemen, had dat ook geweten. Hij was niet zeker hoeveel die
bruine belanda van de Indonesische toestanden hier afwist, maar had zich
daarover ook niet veel zorgen gemaakt, daar zijn nieuwe sobat Bergsma,
ondanks zijn Javaanse moeder, slechts een stuntelig Bahasa sprak en helemaal
geen Javaans. Hij kon daardoor niets aan de Javanen en zij konden niets aan
hem meedelen. Ook was Bergsma een veel te kundig ingenieur, dat zag hij wel,
om voor iets anders dan voor waterleidingen belangstelling te hebben en ook
werkte hij veel te hard om zich ook maar een greintje te kunnen bekommeren
om Indonesische politiek. Hij geloofde hem dan ook op zijn woord, toen die
zei dat die Soe in haar rode sarong voor hem niet meer was dan een
hongerige straatzangeres.
Majoor Koesnadi
wilde trouwens ook niet moeilijk doen, want de communisten waren
hier,zoals overal op Java, alweer lang geleden, door de Islamieten, hun
oude erfvijanden, met steun van het leger uiteraard, verpletterd en vormden
geen enkel gevaar meer voor de Orde Baroe, volgens hem. Alleen in het verre
Djakarta en misschien ook in het minder verre Soerabaja liepen er nog
machthebbers rond, die door elke communist die nog vrij rondzwierf in de
dairah, werden verontrust. Die djenrals in de grote stad projecteerden hun
angst voor
elkaar op dat handvol voormalige pelopors dat nog over was in
de desa en dat zich stilhield gelijk kalongs bij dag, meesmuilde de
majoor en ging daarop meteen weer ernstig kijken. Bergsma, die altijd
geschenken meebracht voor hem en zijn isteri, ja, voor alle leden van
zijn gezin, zelfs voor de bedienden, en die geregeld de nasi aan zijn tafel
at, zou hem met geen woord in moeilijkheden brengen, dat wist hij, want
daarvoor was Bergsma een veel te betrouwbare orang belanda, net als zijn
Hollandse schoolmeester van vroeger, van wie hij het Nederlands zo
voortreffelijk had geleerd in de tijd voor de Jappen kwamen. Hij vond het
prettig dat voortreffelijk Nederlands te kunnen spreken met die halve
Indonesiër uit Negeri Belanda, die hier nuttiger werk deed voor zijn
bangsa dan menig djenral of menteri in de hoofdstad. Wat je wel in het
Nederlands kon zeggen, maar niet in het Indonesisch.
"De grote
vergissing van de grote Boeng," vertrouwde de majoor hem eens op gedempte
toon toe, "was, dat hij de landloze tani's landhervorming beloofde. Dat
hadden de communisten van Peking hem ingefluisterd. Maar op Java valt geen
land meer te verdelen. Een tani met land heeft net genoeg sawah om zijn
gezin te kunnen voeden. De communisten hier, onder leiding van ene Pak Amin,
een voormalig guerilla-aanvoerder, stookten de have-nots op het land te
nemen dat ze niet kregen, daar de kleine haves hun sawah natuurlijk verbeten
verdedigden, daarbij bijgestan door de spreuken uit de Koran van de oelama's
die door de communisten dorpsduivels werden genoemd. De desa's werden
daardoor broeinesten van haat en nijd, en de dorpelingen werden elkaars
doodsvijanden, wat helemaal niet strookt met onze Javaanse landsaard,
weet u, boeng."
"Wilt u haar echt met u meenemen, boeng?" had Koes
hem later vol oprchte verbazing gevraagd. "Echt meenemen? Van hier? Ja,van
mij mag dat natuurlijk wel. Als u maar weet, boeng, dat u dan voor haar
verantwoordelijk bent. Voor wat zij doet en wat zij zegt. Mij maakt u het
leven een stuk gemakkelijker, want ik behoef dan niet meer op haar te
letten. Zij was een lastpak toen, in de tijd van de NaSaKom. Zij hitste de
kinderen op tegen de ouders en de vrouwen tegen de mannen. Liet hen
oproerige teksten uit het hoofd leren en leerde de vrouwen hoe zij een
zwangerschap konden voorkomen. De Islamietische mannen waren razend op haar,
want over de zwangerschap van hun vrouwen beslissen zij uiteindelijk en niet
hun vrouwen. Een vrouw is slechts gelukkig onder de zool van de man, is hun
spreekwoord.
Ze zijn nog steeds bang voor de rooie Soewarni, die
snertverpleegster met haar grote mond, die zich voor even knap als een
doekoen hield. Nee, ik zou zelfs blij zijn, als u haar meeneemt, weg van
hier, want zij is hier een steen des aanstoots.
Maar wil zij zelf wel weg
van hier, boeng? Zij is hier geborenen getogen."
Da t wilde Soewarni
zeker, want zij had hem bijna op haar knieën gesmeekt haar mee te nemen, al
was het maar naar Soerabaja. Hier, in de bergstad, een kleine kota, en in de
desa's rondom hield zij het niet langer uit. Iedereen kende haar hier van
vroeger, ook al liep zij niet meer in haar rode sarong rond, maar in het
blauwe baadje van hem. De vrouwen vluchtten nog steeds voor haar weg in
huis, hun kindertjes met zich mee trekkend, en de mannen dreigden met
stenen, wanneer ze die niet al wierpen. De oude kawan-kawan hielden zich
muisstil en verborgen zich ook als tikoes-tikoes, kwamen haar in elk geval
niet te hulp. Hier, zonder mas Bergsma, zou zij weer van honger omkomen als
zij al niet werd vermoord. Hij kon zich dat zeer wel indenken, want vanwege
zijn verworpen huisgenote waren de andere gedienstigen, de baboe voor het
huis en de kebon voor het erf, niet meer komen opdagen, dat had Koes hem met
stelligheid verzekerd. Soewarni had gelukkig al het huiswerk van hen
overgenomen en zijn woon beter schoon gehouden dan de beide anderen. Hij
had ook niet meer bij Toko Oen hoeven te eten, daar Soewarni voor hem naar
de pasar ging en de maaltijden voor hem bereidde. Met verbazing had hij naa
haar gekeken, hoe zij gelijk een verwelkte bloem na een plens water
opfleurde en haar kelk- en kroonblaadjes naar alle kanten uitspreidde. Hij
moest toegeven dat uit de ellendige straatzangeres van een paar maanden
daarvoor een mooie vrouw was geworden, rank, zachtbruin, ingetogen van
manieren gelijk alle Javaane vrouwen, van wie hij zich moeilijk kon
voorstellen dat zij ooit eens met schelle stem een partijvergadering had
toegeschreeuwd of vrouwen had aangezet voor hun rechten en waardigheid op te
komen.
"De vader van rooie Soe was onderwijzer", had Koes hem onder het
schaken verteld. "Een van de eerste inlanders met een acte van de Hollandse
kweekschool. Hij was kwekeling op mijn school toen ik erop zat. Na de
revoloesie wou hij het Hollands op al onze scholen laten onderwijzen, zodat
iedereen die taal kon leren, maar de grote Boeng vond dat typisch pikiran
belanda, een voorbeeld van koloniaal denken. En de presiden spreekt zelf
voortreffelijk Hollands, had Soe's vader daarop brutaal tegen geworpen."
Haar vader had Soewarni dus dat precieze Hollands geleerd en goed geleerd
ook, want hij werd bekoord door de precieze wijze van haar spreken. Vooral
haar gebruik van de Hollandse spreekwoorden en gezegden om haar bedoelingen
duidelijk te makenm verbaasde hem zeer en deed hem in schaterende lach
uitbarsten, wanneer zij die verkeerd gebruikte of door elkaar haspelde. De
pot verwijt de ketel dat hij barst, zei zij dan, of, de kruik gaat zolang te
water tot hij zwart ziet. Maar ook haar zelfgemaakte Hollandse gezegden
deden hem vaak in een een luide lach schieten, doordat ze komisch op hem
overkwamen vanwege het typisch Indonesisch gevoel voor klankgrappen. In
Djakarta is een wijk, vertelde zij hem eens, die vroeger Weltevreden heette
en die nu Ontevreden heet. Hij wist dat hij haar grappige Hollandse gepraat
zou missen en haar vreemde Javaanse vertellingen al helemaal. Hij kon dan
ook aan haar smeekbede geen weerstand bieden, al nam hij er een hele nacht
voor om alle voor en tegens ervan tegen elkaar af te wegen. Dat kwam echter
vooral, besefte hij in de roerloze nacht met enkel het gezoem van de
muskieten en de bamboeslag van een nachtelijke toekang in een verre straat,
omdat hij bevroedde dat die smeekbede in Soerabaje zou worden herhaald en
die herhaalde smeekbede, wist hij nu al, kwam niet meer voort uit angst voor
hernieuwde honger. In de grote havenstad zou een vrouw als de rooie Soe wel
haar weg vinden. Hij behoefde haar de volgende morgen echter slechts aan te
zien, hoe zij, rechtop staande en niet gebogen hurkende, zijn thee en zijn
ochtendrijst bereidde, behoefde slechts te kijken naar zijn fris gewassen
pantalon en hemd aan de waslijn, om zonder verder nadenken haar te vertellen
dat hij haar verzoek inwilligde en zij met hem mee mocht.
Een paar
maanden later weer, toen zijn inspectie achter de rug was, voer hij met
Soewarni het zeegat uit en droeg zij een Nederlands paspoort bij zich,
geschreven op naam van mevrouw Bergsma uit Holland. In Singapore was zijn
bedrijf in Nederland verheugd dat hij nog langer in de Oost wilde
blijven,want de opdrachten daar stroomden binnen en de directie dacht erover
een Aziatisch steunpunt in te richten, te Singapore.
Bergsma besloot
het de gitaarspelende student te vragen, die nu al enkele dagen lang steeds
weer Bengawan Solo en Tjempaka Wangi aan zijn tafel had staan zingen en die
hij daarvoor steeds weer vorstelijk had beloond.
"Ik zoek ene Pak Amin",
zei hij tegen de student "Een oude man nu", dempte zijn stem: "Hij was een
tapol, politiek gevangene,maar is niet lang geleden vrij gelaten."
Hij
had in de tien jaren dat hij met Soewarni was getrouwd het Indonesisch en
het Maleizisch goed leren spreken, wat niet zo moeilijk was, daar de beide
talen bijna volkomen op elkaar leken, alleen volgde de ene de Hollandse
syntaxis en de andere de Engelse. Hij had ook niet enkel kennis gekregen
van de uiteindelijke ondergang van de PKI, de communistische partijvan
Aidit, maar had er ook gevoel voor gekregen. Wist nu ook dat het voor de
Islamieten en de djenrals geen verschil uitmaakte of je komunis, sosialis of
liberalis was, aangezien die allemaal niet in God geloofden en zeker niet
meer uit de Koran opzegden, zoals een ware Indonesiër behoorde te doen.
Ook waren die allemaal voor iets dat ze vrouwenemancipatie noemden en voor
geboortebeperking, terwijl iedere rechtgeaard Javaan toch weet, dat veel
kinderen veel geluk betekent. Die ongelovigen kenden de oude wijsheden van
het volk niet meer en dat was een grote schande. Hij sprak dan ook heel
voorzichtig met de student die heel wel een informant van de politie kon
zijn.
Daarvoor had de jonge kapitein Koes, die de voetsporen van zijn
vader bij de veldpolitie drukte, hem gewaarschuwd. Die jongen sprak geen
Hollands meer, maar kon nog wel in het Nederlands zeggen, dat een
gewaarschuwd man telt voor twee.
"Ik weet wel wie Pak Amin is, Pak",
antwoordde de student hem, eveneens met gedempte stem. "Vroeger noemden ze
hem Pak Lennin. Maar ik weet niet waar hij woont. U moet straks de betjaman
naar hem vragen. Die weet wel."
Gelijk de meeste Indonesiërs uit de meer
welgestelde kringen nam de student aan dat de rijke buitenlander niet liep,
maar zich liet rijden als hij niet zelf reed, op z'n minst een betja nam.
Hij maakte daaruit op dat de gitarist inderdaad een student was en niet een
volksknaap die uit nooddruft zijn geld met de gitaar moest bijeen
scharrelen. Een oproerig student ook, zij het in het geniep, zoals het de
mode begon te worden onder de kinderen van de welgestelden van de Orde
Baroe. De nieuwe communisten zouden echt niet de kinderen van de oude zijn,
zoals Soewarni geloofde, maakte hij daaruit op.
Terwijl Bergsma met
de betjajongen in het bahasa onderhandelde en zich liet afzetten, vroeg hij
onderhands of deze hem naar Pak Amin kon brengen. Hij wist wel dat je bij
Javanen nooit recht op de man af moest vragen, wat hij het beste in het
Javaans had kunnen doen, maar Soewarni had hem er niet toe kunnen brengen
ook nog het moeilijke Javaans te leren spreken.
Evenals zijn eigen moeder
thuis had Soewarni trouwens eveneens een zekere weerstand tegen haar
moedertaal en sprak zij liever bahasa. Het Javaans was een feodale taal
en bestond eigenlijk uit twee talen. De lagere moest tegen de hogere, of de
jongere tegen de oudere, of de vrouw tegen de man, eerbiedig hoog Javaans
spreken, terwijl de hogere de lagere, de oudere de jongere, de man de vrouw
in het laag Javaans bevelen gaf.
Hij zelf kon gewoonweg het onderscheid
niet maken tussen de beide Javaanse talen en zou in een voorkomende
situatie, zoals nu, niet geweten hebben welke van de beide talen met
bijbehorende tonen hij met de betjajongen had moeten spreken. Hij zag dat de
jongen hem wantrouwig aanzag en geen aanstalten maakte hem te antwoorden.
Hij bezigde daarom maar weer de universele taal om de monden aan het praten
te krijgen, welke de volksjongens van alle werelddelen verstonden, haalde
nog meer roepiah’s te voorschijn.
"Waarom wil toean Pak Amin zien?" vroeg
de jongen daarop onwillig, maar met gretige blik, en zette zich al op het
zadel.
"Ik heb een boodschap voor hem van zijn kawani", antwoordde hij
kort, na even nagedacht te hebben hoe hij het moest zeggen.
"Penjanji
merah?" zei de jongen verrast, meer dan hij vroeg, "De rode zangeres",
en stond meteen op de pedalen, toen Bergsma in de bak zat.
De straat
liep gelukkig langzaam omlaag, wat Bergsma genoegen deed, want hij geneerde
zich nog altijd om in een betja, net als in een riksja, te zitten. Hij zou
er nooit aan wennen met menskracht vervoerd te worden. Bij elk moeilijk punt
van de rit had hij de neiging uit te stappen en naast de trapper of de
trekker voort te lopen. Hij wist echter ook dat deze jongens en mannen geen
roepiah zouden verdienen, wanneer alle passanten zo teerhartig waren. Ze
leefden van de luie onverschilligheid van deze. Beneden bij de brug, aan de
oever van de kali vol helder groen water, moest hij blijven wachten, nadat
hij de betjajongen voor de rit en voor zijn hulp had betaald.
"U kunt
Pak Amin ontmoeten bij de muur van het katholieke klooster, toean", meldde
de betjajongen hem toen hij na een tijdje terugkeerde. "U weet niet waar? Ik
kan u daar brengen, als u wilt."
De muur van het klooster was lang en
overwoekerd met dikke klimop die donker geurde in de middaghitte. Hij zag er
niemand en begon net de betjajongen ervan te verdenken hem iets op de mouw
te hebben gespeld, toen hij, achter een dikke stam van een flamboyaboom met
felrode bloemen, een broodmagere gestalte zag gehurkt, diep in elkaar
gedoken. Hij hurkte voorzichtig naast de donkere gestalte, onwennig, en
voelde prompt hevige pijnscheuten in zijn dijen. Hij wilde echter beleefd
zijn en de oude kawan van Soewarni alle eer bewijzen, die zijn vrouw
nog
steeds voor haar vroegere makker voelde. Hij bleef daarom ook zwijgen,
totdat de man, wiens gezicht bijna onzichtbaar was onder de grote hoofddoek,
enig overblijfsel van zijn vroegere staat, het gesprek zou beginnen.
"U
bent de belanda met wie Warni nu is getrouwd", zei de man tenslotte zakelijk
en gaf daarmee te kennen dat hij het voornaamste, maar ook het pijnlijkste,
wat Bergsma te vertellen had, al wist en gezegd wilde hebben.
"Wat wil
zij mij nog laten weten."
"Zij wil u laten weten, Pak, dat zij twee
kinderen heeft", antwoordde Bergsma na een ogenblik, bijna even zacht
pratend als de ander, wiens hese mompelstem hij nauwelijks had kunnen
verstaan, eveneens in een voorzichtig Nederlands zoals ook de ander dat, tot
zijn verrassing, had gebezigd.
"De oudste is een dochter en heet
Rahajoe, naar mijn moeder, en de jongste is een zoon en die heet Amin."
Bergsma keek naar de roerloze gestalte van de gehurkte man en zag de rug
ervan gaan beven en vervolgens schokken. Het liefst had hij zijn arm om die
schokkende rug gelegd, maar hij wist dat je een Javaan niet zomaar mocht
aanraken en helemaal niet, wanneer hij zijn gevoelens niet ongezien kon
houden. Hij staarde daarom maar voor zich uit over het suikerriet waarvan de
pluimen trilden in de zonnenhitte, naar hij eerst nu zag, en deed alsof hij
niets opmerkte van de heftige gemoedsbewegingen die de oude man niet kon
bedwingen
"Wat wil zij?", vroeg Pak Amin eindelijk en snoof heftig. "Ik
begrijp dat zij niet zelf kan komen. Nog niet, misschien nooit niet."
"Zij wil dat ik Pak Amin help, Pak", antwoordde hij, zoals Soewarni hem had
opgedragen. "Dat ik u zeg dat u al oud bent, Pak". En besefte eerst nu dat
de oude man eigenlijk niet eens zoveel ouder was dan hij zelf, tien jaar
hoogstens, en dat was toch nog niet oud, zelfs in Indonesië niet, maar
misschien wel als je vijf jaren als guerilla in de bergen hebt gezeten en
daarna vijftien jaren in een gevangenenkamp op een ver primitief eiland.
"Hoe kunt u mij helpen, saudara", zuchtte de man na weer een lange stilte en
Bergsma hoorde in diens stem opeens de grote moeheid waaraan de man ten
prooi was, en zag de volkomen verslagenheid in het gelaat dat de ander voor
het eerst naar hem toe had gewend.
"We kunnen niet allemaal zoveel geluk
hebben als zij. Ik ben nu vrij en weer thuis, maar wat kan ik? Fietsen kan
ik niet meer. Als de betjajongens niet hun rijst met mij deelden ..."
"Toen ik Warni ontmoette, was zij net zo als Pak Amin nu", zei Bergsma
bemoedigend en durfde vrijuit te spreken nu de ander hem saudara had genoemd
en hem daarmee in elk geval niet meer als een vreemdeling zag.
"Ik
heb haar meegenomen en ben nu gelukkig met haar. Wij weten dat Pak Amin geen
werk kan vinden bij een Indonesiër en daarom alleen kan bedelen om te eten.
Maar ik ken buitenlanders hier, die dat wel kunnen."
Bergsma bleef weer
wachten op het antwoord van de ander die weer tot roerloosheid en staren
over het suikerriet was vervallen. Vroeg zich af of hij zo meteen wel uit
zijn gehurkte houding overeind zou kunnen komen. Alles aan hem, zijn
batikbloes en zijn Chinese pantalon, plakte aan zijn huid. Toch zag hij de
bladeren van de bomen zacht wiegen in een zoele wind en hoorde hij de
rijstmussen bedrijvig tjilpen. Hier, in de bergstad, een kleine kota,
kende ieder iedereen en het was misschien niet verstandig geweest van Pak
Amin om naar hier terug te keren, evenmin als het dat geweest was van
Soewarni, tien elf jaren geleden. Maar hier waren ze geboren en getogen,
woonden hun eigen mensen, ook al hadden ze elkaar vijftien jaren geleden
naar het leven gestaan, in naam van Marx de een en in naam van Mohammet de
andere, profeten uit verre vreemde landen.
"Wilt u mij morgen om dezelfde
tijd hier weer ontmoeten, saudara?", vroeg Pak Amin na lang in gedachten
gezwegen te hebben. "Ik wil het eerst met mijn jongens bespreken."
"Zegt
u tegen uw jongens dat ze meer hebben aan een gezonde Pak Amin dan aan een
zieke Pak Amin", zei hij nog met aandrang, terwijl hij moeizaam zijn knieën
strekte. "Dat wijsheid in elk geval gevoed moet zijn."
Tot zijn
verrassing zag hij dezelfde betjajongen nog aan de straat staan wachten en
stapte hij zonder eerst te tawarren weer in diens bak om zich naar zijn
hotel te laten rijden.
De dikke Verhaas, de Nederlandse manager van
het Tuliphotel van de Duitse Heinzelmann-keten, wachtte hem op aan de bar,
een groot glas Heinekens voor zich, nieuwsgierig.
"Ik zie aan je gezicht,
Bergsma, dat je de ouwe bolsjewiek hebt gevonden. Hoe was ie?", grijnsde de
manager hem opgewekt toe. "Wou ie je niet meteen aan z'n kris rijgen?
Javanen zijn erg wraakzuchtig, zeggen ze."
Bergsma hees zich op de kruk
naast Verhaas en greep begerig naar het glas dat die voor hem had vol
geschonken. Ze hadden elkaar een paar jaar geleden ontmoet in Singapore en
het kwam nu goed uit dat die joviale bierbuik naar hier was overgeplaatst.
Bergsma bewonderde de manager, omdat die altijd op z'n Amsterdams zichzelf
bleef en toch ieders sympathie wist te winnen, niet enkel van Europeanen en
Amerikanen, maar ook van Chinezen, Indiërs, Thais, en vooral van al die
soorten Indonesiërs met wie hij te maken had, vormelijke Javanen, vrolijke
Bataks, opvliegende Molukkers en spitsvondige Minangkabauers.
"Ach, weet
je Verhaas," antwoordde hij nadat hij het schuim van zijn lippen had
geveegd, "de man is al oud. Of eigenlijk nog niet oud, maar gebroken, zo
noem je dat, geloof ik. Ik kon in hem in elk geval niet de opruiende spreker
herkennen die hij vroeger moest zijn geweest. Volgens Soe dan. Voor mij
is hij een oude man, wil hij niets liever, dan rust hebben, stil leven,
ergens in een hoekje met een natje en een droogje."
"Je hebt hem toch
geen beloften gedaan, Bergsma?" vroeg Verhaas vorsend en fronste zijn bleke
wenkbrauwen. "Ik moet de man wel eerst zien. En vooral horen, horen of hij
werkelijk zo goed Hollands en Engels spreekt, als jij zegt, volgens Soe
dan."
"Hoezo?" vroeg Bergsma verbluft, "Hoezo beloften? Ik heb je toch
nog niets gevraagd, Verhaas?"
"Bergsma, Bergsma, wat ben jij toch een
slechte Javaan, zeg!", bulderde Verhaas daarop van het lachen, terwijl hij
bier op zijn tropenbroek morste. "Maar ik vergeet nou eenmaal niet dat je
een Javaanse moeder hebt. 't Is waar, je hebt me nog niks gevraagd, maar
je hebt me een paar dagen lang over die Pak Amin aan m'n kop gepraat, die
Lenin van de Djember-bergen, misschien niet wettelijk, maar toch
kameraadschappelijk de eerste man van je vrouw. Veel praten, dat doen
Javanen graag. Moesjawara noemen ze dat. Hoef ik je niet te vertellen. Niks
doen, almaar praten, elkaar plat praten. Dan komt er vroeg of laat wel een
dragelijke oplossing voor allemaal uit de lucht vallen. Zoiets. Maar ik had
het al gesnopen, hoor, voordat jij halfweg was met je verhaal. Okee,
Bergsma, mij best. Laat die Pak Amin van Soe maar hier komen. Als hij de
kaaskoppen te woord kan staan en mijn bevelen in beleefd, of juist
onbeleefd, Javaans wil omzetten, dan neem ik hem aan. Als mandoer, zo
noemden ze dat toch toen jouw vader hier koloniaal was?"
Verhaas sloeg
hem dreunend op de schouder en Bergsma glimlachte, op de verlegen wijze van
de Javaan van stand, besefte hij.
De directheid van Verhaas had hem een
moeilijke verzoek uit de mond genomen. Een buitenlander was echt de enige
die de voormalige rode leraar in dienst zou kunnen nemen en van hen was
Verhaas er één van wie kapitein Koesnadi en de andere autoriteiten het ook
zouden accepteren. Hij voelde zich helemaal opgelucht en bedankte Verhaas op
z'n Hollands, door hem een waarderende klap op de schouder terug te geven en
een rondje aan te bieden.
"Soe is me wel een uitgebreide rijsttafel
schuldig, wanneer ik weer eens in Singapore moet zijn", zei Verhaas tevreden
met de uitwerking van zijn woorden.
"Zij kan nou tenminste weer zonder
zorgen slapen. Tenminste, als die rooie niet zo'n stijfkop is als de
meesten van die communisten."
Bergsma deed ook nog iets tastbaars om
Verhaas zijn erkentelijkheid te tonen. Samen met enkele leerlingen van de
nieuwe ambachtsschool van de kota inspecteerde hij de volgende dagen de
waterleiding en de riolering van het hotel, ergerde zich aan de vele kleine
slordigheden die hij in de nog pas aangelegde leidingen ontdekte en
verheugde zich over de leergierigheid van de volksjongens die, dank zij
stipendia die Soewarni hen verleende, aan die school een vak konden leren.
Voor hen, de kinderen van haar oude kameraden, werkte de voormalige rooie
straatzangeres op het kantoor van zijn bedrijf.
Soewarni luisterde
stil naar zijn relaas. Hij moest haar gezicht in zijn handen nemen en haar
op de ogen kussen om de vloed van tranen, die eruit stroomde, te stelpen.
Hij wist datzij zich al die jaren schuldig had gevoeld tegenover haar oude
metgezel, de guerilla die haar verdachte vader in bescherming had genomen
tegen de vertoornde pemoeda"s, toen, in de bersiaptijd, toen zij net was
geboren. Haar pleegvader en leraar ook, later, toen haar vader was gestorven
en haar Soendanese moeder met de broertjes was weggetrokken, wist zij
waarheen.
Toen had de voormalige guerilla van de tentara beladjar, het
scholierenleger, zich weer over haar ontfermd en haar opgevoed in de rode
leer, de leer van de vrijheid, de leer van het verstand, de leer die het
volk zou verheffen, want op de nationale revoloesie moest de sociale
revoloesie volgen. Daarvoor was de pemoeda Amin, zoon van een
treinmachinist, de bergen ingetrokken en guerilla geworden, niet om de
Belanda's te vervangen door inlandse onderdrukkers.
"Hij heeft je echt
vergeven, Soe", stelde hij haar voor de zoveelste maal gerust. "Hij begrijpt
het toch. Hij is een wijs man. Hij heeft veel geleden en veel nagedacht,
daar op Boeroe en ook aan de oever van de kali. Hij kent de wanhoop en kent
nu weer de hoop."
"Echt", zei hij nog eens, later, toen zij stil in zijn
armen lag en hij haar gladde huid streelde, die hem zo dierbaar was
geworden. "Het ging net als bij jou. Hij was zo mager als een bamboesteel en
de huid van zijn hele lijf was kripoet. Hij leek echt een oude man, een
grijsaard. Maar na een week was hij alweer helemaal opgeknapt. Hij loopt nu
weer netjes gekleed, is weer dik en moet echt gieren van het lachen om
Verhaas. Die twee kunnen erg goed met elkaar opschieten, tenminste wanneer
ze Belanda praten. In het Indonesisch worden ze allebei vormelijk en in het
Javaans wordt Amin zelfs beleefd. Alleen is het haar van Amin helemaal wit",
en na haar enige tijd in gedachten gestreeld te hebben, "Maar je kunt hem
zelf vragen hoe het hem gaat, Soe. Ik heb het telefoonnummervan het
Tuliphotel."
Soewarni maakte echter weinig aanstalten de telefoon te
grijpen en hij herinnerde haar er ook niet aan. Hij begreep maar al te goed
wat haar tegen hield. Dat had er niet mee te maken dat zij haar oude kawan
in de steek had gelaten, want dat was niet het geval, daar zij niet had
kunnen weten of die ooit zou weerkeren. Bovendien was zij bijna gestorven
van de honger toen. Hiervoor had Amin haar ook vergeven, wist zij van hem.
Redelijkheid was een karaktertrek die Bergsma bij vele Javanen was tegen
gekomen en tot die redelijkheid behoorde zeker, dat ieder in nood op zijn
wijze moest kunnen pogen te overleven. Nee, bevroedde hij, wat haar
bedrukte, lag veel veel dieper.
Het was iets dat Soewarni voor geen goud
wilde ontkennen, maar wat haar ook diep treurig maakte om Amin, aan wie zij
haar lichaam en haar geest had te danken, wist zij, en naar wie zij daarom
haar zoontje had genoemd. Hij dacht erover na en opeens schoot het
inzicht in hem als een heldere manenstraal. Zij lag weer dicht tegen hem aan
in de koele nachtwind die vanuit zee door de luchtige klamboe heen blies. In
de kamer naast hen hoorde hij hun twee kinderen op het brede bed in hun
slaap bewegen.
"Je bent gelukkig met mij, Soe? Is het niet?" zei hij,
meer dan hij vroeg, tegen haar slapende hoofd, in het Nederlands dat zij
altijd samen spraken, wanneer zij elkaar iets belangrijks hadden te zeggen.
"Ja," fluisterde zij terug, richtte zich daarop op en sprak fluisterend,
terwijl zij haar lippen vlak tegen zijn oor aan bracht: "Ja en met niemand
anders", en voegde er na een lange pauze met een zucht aan toe: "Maar als ik
aan Amin denk, voel ik mij daar zo schuldig over, ja, bijna slecht."
***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website