DRIE GEDICHTEN VAN JEAN BOS.


KERING

(oorspronkelijk idee: "De zeven tuinen", lied van Elly en Rikkert Zuiderveld.)

't Was stil op het land, 't was stil op de velden;
De mensen, ze hadden het wachten verleerd.
Al waren er nog die 't hun kind'ren vertelden,
Ze voelden zich moe, geen dappere helden.
Maar God heeft de tijden van wachten verkeerd
Op de aarde der mensen.

't Was stil in het land, 't was stil in de dalen,
Een duistere middag die drukte als lood.
Zou God dan toch nog voor de eeuwigheid falen?
De Zoon, die voorwaar de victorie zou halen,
Hij boog nu verslagen Zijn hoofd voor de dood,
In het dal van de tranen.

't Werd stil in de stad, 't werd stil langs de wegen;
De mensen die dachten: nu is het voorbij.
Maar was het in zon, of stromende regen,

Twee vrouwen die kwamen een vreemdeling tegen.
Hij zei: Ik was dood, maar nu maak Ik je vrij,
In het land van het leven.


(Uit "Tijd en daarbuiten")

OUD VOER

De dag van gisteren
Is een cirkel in een vierkant,
Zoals hij achteloos op mijn tafel ligt.

Toch ontsluit ik hem omzichtig
En zoek, wat ik als telkens nieuw ervaar,
Het staande randje van de lettergrens.
Ik geef mijn geduldige gezellin
Waar ze zolang al naar verlangt;
Maar 't is oud voer van net voorbij de datum.

Weer wordt de dag van gisteren
Een cirkel in een vierkant,
In een rechthoek of een ander rond.

Hij treft mijn oor met afgemeten stem
En ik val van verveling haast in slaap
Achter mijn krant...

PSEUDO-ego

Nee, ik vertrouw mijn schaduw niet.
Hij zit me als maar op de hielen,
Loopt me voortdurend in de weg,
Is aldoor sneller dan ik,
Maar komt toch steeds te laat.

Ik heb een hekel aan mijn schaduw;
Hij waarschuwt nimmer voor gevaren.
O ja, hij doet z'n mond wel open,
Maar geeft geen enkel geluid,
Spreekt me niet tegen en zegt geen stom woord.
Ik wantrouw mijn schaduw.
Hij dekt me en gaat voor me uit,
Maar waardeloos is zijn bescherming;
Een trouwer gezel ken ik niet,
Maar ook geen groter verrader.

Mijn schaduw is een lafaard;
Ik wil naar hem slaan, hak er op in,
Al kan ik hem niet raken.
Hij slaat niet terug, maar hakt mee;
Alleen ik krijg de terugslag.

Mijn schaduw is mijn vijand;
Hij heeft geduld, al word ik moe.
Ook al wil ik hem kwijt,
Hij blijft me angstvallig volgen
En in mijn slaap ducht ik hem het meest.

Ik ben bang voor mijn schaduw;
Hij zit te azen op mijn plaats.
En eens, omdat hij die niet krijgt,
Moet ik de zijne nemen
En blijft mijn plek hier leeg.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de eerste pagina van de website