TOT AAN DE LIPPEN

Een Jeugdverhaal van Yves TAFFIN

EEN

“Wie gaat er nu tijdens de zomermaanden naar Benidorm?” schalt Ron minachtend. “Is dat niet meer iets voor oude mensen die te gierig zijn om ‘s winters hun verwarming aan te zetten?”
De anderen lachen met hem mee, terwijl Wim -- die ook zo stom moest zijn te vertellen dat hij deze zomer voor een maand met zijn oma naar de meest Vlaamse kustplaats van Spanje reist -- er maar beteuterd bij staat.
Het is de laatste dag van het schooljaar: een paar minuten voor de bel van halfnegen. Het vaste groepje van de zesde klas staat zoals gewoonlijk bij het klimrek. Om beurten ontvouwen ze hun reis- en vakantieplannen.
“Wij,” oreert Ron, die zoals wel vaker de smaak van het opscheppen meteen te pakken heeft, “wij vertrekken volgende week voor drie weken naar de Dominicaanse. En in augustus ga ik nog voor een dag of veertien naar Knokke, logeren bij mijn tante Erna in haar penthouse. Heb ik jullie al verteld over haar?”
De anderen knikken als één man. Ron echter lijkt het niet eens te merken. Zo gaat hij op in zijn verhaal. Midas kijkt wat sip. Die Ron ook altijd met zijn opschepperij! Toch is er niemand die het aandurft hem de mond te snoeren. Zeker de meisjes niet. Uit ervaring weten ze immers dat ze dan wellicht het volgende slachtoffer van Rons pesterijen zijn. Plots voelt Midas een por in zijn zij.
“En jij, Midas?” hoort hij Ron.
“Eh? Ik?”
De anderen lachen. Ze staren hem verwachtingsvol aan.
“Ja. Waar ga jij deze zomer naartoe?”
Even is Midas van zijn stuk gebracht. Hij kan ze toch moeilijk uitleggen...
“Oh,” zegt hij, “dat... dat weet ik nog niet.”
“Ja, ja,” gaat Ron treiterig verder, “dat zal wel! Jij met zo’n rijke vader.”
“Verleden jaar zijn jullie toch naar Cuba geweest, is het niet?” valt nu Bas bij.
“Ja,” antwoordt Midas, “maar dat was verleden jaar.”
“Wat bedoel je daar nu mee, Midas?”
Dat is Eva. Ze vervolgt:
“Je gaat ons toch niet vertellen dat de crisis ook bij jullie heeft toegeslagen!”
Het is niet voldoende dat Eva overal haar bemoeizieke neus insteekt. Ze wil ook van alles het fijne weten.
“Dat heb ik toch niet beweerd,” probeert Midas zich uit de situatie te redden.
“Jullie zelfstandigen zijn de rijkste stinkerds en de grootste sjoemelaars die er rondlopen,” buldert Ron. “Mijn vader die zoals jullie weten hoofdcontroleur van belastingen is zegt altijd…”
Net op dat moment weerklinkt de schoolbel. Oef, denkt Midas. Eindelijk word ook ik eens gered door de bel. Zijn vader die hoofdcontroleur van belastingen is. Het zal wat. De lijfgeur van de tollenaar, zal hij bedoelen, zeker?

Even later slentert hij, de handen in de zakken, achter de anderen aan naar de ingang van het schoolgebouw. Ternauwernood kruisen zijn blik en die van Marieke elkaar. Marieke is het tengere, wat verlegen blonde meisje dat de hele tijd zwijgend naar de conversatie heeft staan luisteren. Beeldt hij het zich in of pinkt ze een oogje naar hem?

TWEE

Ik zou dringend mijn kamer moeten opruimen, denkt Midas, maar ik heb er de fut niet voor. Hij zit op de rand van zijn bed door het erkerraam te staren. Langs het vensterglas glijden onophoudelijk de regendruppels mistroostig in grillige patronen naar beneden. Het is dinsdagmiddag. Afgelopen vrijdag is het schooljaar en voor Midas -- net als voor de meeste anderen van zijn klas -- ook de lagere school geëindigd. Voor de zoveelste keer kreeg hij een meer dan behoorlijk rapport mee. Maar het doet hem niets dit keer. Hij blijft voor zich uitstaren. De straaltjes regenwater verdringen elkaar nu in snel tempo. De jongen knijpt zijn ogen dicht en hij voelt plots de tranen opwellen.
Wat het met hem is tegenwoordig, hij weet het niet. Het is de laatste tijd ook zoveel geweest. Midas kan er echt niet meer tegen. En het ergste is dat hij als enig kind met nauwelijks echte vriendjes nergens terecht kan met zijn problemen. Nu zijn vader er een paar weken geleden met Birgit, zijn secretaresse, vandoor is, is niets meer hetzelfde hier in huis. Zelfs het weer wil maar niet beter worden. Dat doet mee met de rest, zegt zijn moeder. Maar dat gelooft Midas niet. Hoe kan het weer nu weten dat…
Waarom kan toch alles niet worden zoals vroeger? Onwillekeurig denkt hij aan Marieke. Hoe zou het met haar nu zijn? Hij heeft afgelopen vrijdag niet eens behoorlijk afscheid van haar kunnen nemen, zodat hij zelfs niet weet naar welke school ze volgend schooljaar trekt. Gek dat hij daaraan moet denken nu. Abrupt zet hij de gedachte van zich af. Met al dat gaat de jaarlijkse buitenlandse reis ook al niet door. Geannuleerd, zei mams kortaf, toen Midas gisteren langs zijn neus weg vroeg hoe het nu zat met de geplande reis naar Sri Lanka. Hij durfde niet verder vragen. De uitdrukking op haar gezicht verried dat hij al meer dan genoeg had gezegd. Tja, zijn mams die vroeger altijd zo lief was! Tegenwoordig zanikt ze maar door. Alsof hij er wat kan aan doen. Voor het minste of geringste stampvoet ze. Of ze begint te vloeken en te wenen. Als er iets is waar Midas niet tegen kan, dan zijn het die stemmingwisselingen van haar. Het maakt hem nerveus en onzeker. Zegt hij niets, dan vraagt ze wat er scheelt. Zegt hij toch wat, dan wordt ze kwaad en begint ze te dreigen. Bijvoorbeeld met te zeggen dat als hij niet oppast, dat ze hem in september naar een verbeteringsinstituut zal sturen. Stel je voor: hij in zo’n tuchtschool bij allemaal jeugdcriminelen. Heeft hij dat verdiend? Dan nog liever dat mams is gaan werken. Is hij tenminste enkele uren van haar gezeur verlost. Het is niet alleen die reis die dit jaar in het water valt. Er zal de komende weken en maanden op heel wat bespaard moeten worden, heeft zijn moeder al meermaals klagerig aangekondigd. Soms lijkt het of ze er genoegen in schept hem van alles te ontzeggen en hem zo te straffen voor het vertrek van zijn vader.
Besparen, besparen, en Midas heeft nog niets gehad! Als er iets te krijgen is, is het altijd voor de grote mensen. Zelfs zijn GSM ligt sinds afgelopen vrijdag in de la. Je hebt die tijdens de vakantie toch niet nodig, zegt ze. Een nieuwe Playstation zal hij nu ook wel op zijn buik kunnen schrijven, zeker? Als er iets te krijgen is, is het altijd voor de grote mensen. Jij bent daar nog veel te klein voor, Midas, luidt het dan. Maar als het is om af te wassen of boodschappen te doen, dan is het van: je bent nu toch al een grote jongen!
Midas zucht. Het maakt hem alles neerslachtig en bloednerveus. Dan merkt hij dat het is opgehouden met regenen. Zou hij nog even de tuin in gaan? Zijn kamer opruimen kan morgen nog. Net als hij rechtstaat, hoort hij de sleutel in het slot van de voordeur. Is het al zo laat? Hij kijkt op de wekkerradio naast zijn bed. Bijna halfzes.
“Midas!”
Midas’ hart begint te bonzen.
Shit, denkt hij. Daar heb je het weer. Kan ze me nu nooit met rust laten!
“Midas... Waar zit je?”
Even overweegt hij te doen of hij er niet is. Of beter: op bed gaan liggen en doen of hij dood is. Daar zou mams van schikken! Dan zou hij, als hij de komedie een tijdje kon volhouden tenminste, meteen weten wat ze werkelijk van hem denkt.
“Midas?”
Midas haalt de schouders op en opent zijn kamerdeur.
“Ja, mams. Ik kom.”

DRIE

“Tja Kristel,” zucht Lisa. Demonstratief zet ze haar kopje op het schoteltje voor zich op de tuintafel. “’t is het één en ander, hé!”
“Zeg dat wel," reageert Midas’ moeder. “Dat hij me DAT zou aandoen. Dat heb ik toch nooit in hem gezien. En dan nog wel met zijn secretaresse!”
“’t Zijn dingen die gebeuren. En meer dan je zou denken.”
Zijn moeder knikt.
Het is de laatste zaterdagmiddag van juli. De zon laat zich al wat vaker zien. Een bescheiden weersverbetering vergeleken met het begin van de vakantie, die nu ook toelaat de tuinmeubelen buiten te zetten.
Lisa, de buurvrouw en haar opgeschoten tienerdochter Elke zijn op bezoek. Het zijn de eerste bezoekers sinds het vertrek van Midas’ pa. En hoewel zijn moeder nog altijd overwegend met zichzelf bezig is, ervaart de jongen dit bezoek toch als een welkome afwisseling. Zijn ogen half dichtgeknepen tegen het felle zonlicht, kijkt hij van de één naar de ander. Dan rust zijn blik op Elke. Zij zit maar wat afwezig voor zich uit te staren. Verveelt ze zich ook zo stierlijk? Midas zou het haar willen vragen, maar hij durft niet. Zeker niet waar de anderen bij zijn. Want meisjes, het is en blijft een aparte soort. Je weet nooit wat je echt aan ze hebt. De ene keer zijn ze poeslief, een andere keer weer nukkig en ontoegankelijk. Moet je Elke daar trouwens zien zitten, of liever… hangen!
“Bij mij was het dan nog anders,” hoort hij Lisa verder borduren op zijn mams’ klaagzang. “Louis was tenminste dood.”
“Ja, en jij hebt weinig mooie dagen met hem gehad, is het niet!”
Lisa zucht:
“Ach, weet je, Kristel. Ik praat daar niet graag over, maar...”
“Van de doden niks dan goeds, wil je zeggen?”
“Zoiets, ja. Per slot was Louis mijn man, niettegenstaande alles wat hij me aandeed.”
Als een tijger die minutieus zijn sprong voorbereidt, recht Elke plots haar rug en gooit er nijdig tussen:
“Je hebt toch maar mooi het grootste deel van pa’s erfenis ingepikt, niet! Als je dan zo over hem dacht, waarom ben je dan niet van hem gescheiden, toen het niet meer ging tussen jullie?”
Ontdaan kijkt Lisa het meisje aan.
“’t Is toch waar, zeker!” bromt deze.
“Wat waar is of niet, doet hier nu even niet terzake,” weert Lisa het verwijt van haar dochter af.
“Ach, kindje,” tracht Midas’ moeder sussend het brandje te blussen, “later zul je dat allemaal veel beter begrijpen.”
Midas grinnikt. Waar heeft hij dit nog gehoord!
“Dat zeggen jullie volwassenen altijd als je geen gelijk kunt krijgen,” sneert Elke.
Mmm... die bakvis stijgt met stip in Midas’ achting.
“Daarbij,” gaat zijn moeder verder, “heb maar niet te veel illusies over de mannen, hoor. Als het erop aankomt zijn het allemaal dezelfde egoïsten.”
“Ik vrees dat Kristel gelijk heeft, Elke,” beaamt de andere vrouw.
“Let wel: ik respecteer het dat je opkomt voor je overleden vader. Maar je kunt niet ontkennen dat wat hij mij aandeed, toch niet mooi was, hé?”
Het meisje snuift en kaatst dan strijdlustig terug:
“Misschien had hij wel zijn redenen.”
Haar moeder lijkt even van haar stuk gebracht, maar slaagt er tenslotte in te doen of ze dit laatste niet heeft gehoord en haar zelfbeheersing te bewaren. Ze zegt:
“Ook niet tegenover jou!”
“En de zaak, het huis en het appartement in Oostende, zul je bedoelen.”
“Welja, kind. Nu je er toch over begint. Stel je voor dat je vader en ik destijds waren gescheiden, wat zouden jij en ik dan hebben gehad als hij kwam te overlijden? Daarbij, dat appartement in Oostende brengt aardig zijn geld op. Volgende week is het alweer augustus en dan zijn de huurders eraf. Als je wil…”
Plots stokt Lisa.
Ze kijkt de tafel rond en zegt:
“Maar dat is het, Kristel! Kun jij volgende week vrijaf nemen in het ziekenhuis?”
Nu is het aan Midas’ moeder om verbaasd te zijn.
“Vrij nemen? Ik denk van wel. Alleen, waarom zou ik dat doen! Nu Jan weg is gaat onze reis naar Sri Lanka toch niet door. Ik kan net zo goed de hele zomer doorwerken.”
“Omdat ik jou en Midas uitnodig om met ons mee te gaan naar Oostende!”
Zowel Midas’ als Elkes mond valt open. Ook Kristel lijkt nu even de kluts kwijt:
“Ja maar, Lisa,” zegt ze. “Het is niet omdat het hier zo in een kleine woordenwisseling met je dochter ter sprake komt, dat je je verplicht moet voelen.”
“Allez, allez, Kristel. Zo moet je dat niet bekijken, hoor!”
Midas weet niet hoe hij hierop moet reageren. Zijn hart bonst in zijn keel van opwinding. Hij krijgt meteen visioenen van een zonovergoten strand en met helmgras begroeide duinen, waarin hij kan ravotten veertien zomerdagen lang. Hij is in het vijfde leerjaar met zijn klas nog naar Oostduinkerke op schoolreis geweest. Naar de Abdij der Duinen of zoiets. Maar Oostende? Daar kwam hij nooit eerder. Zijn daar duinen? Hij zal één van de dagen eens langs de bib gaan om op het internet te kijken. Had hij nu thuis maar internet! Maar zijn pa is weg met de computer.
Midas’ moeder aarzelt.
“’k Weet niet, hoor, Lisa, of dat wel zo’n goed idee is.”
“Juist wel, meid!” antwoordt de buurvrouw. “Met al die ellende die je de afgelopen weken hebt doorgemaakt. Waar kun je beter op verhaal komen dan aan zee? Trouwens, ons appartement is ruim genoeg. Ons lopen jullie echt niet voor de voeten.”
Er valt een stilte.
Alle vier kijken ze om beurten elkaar aan. Midas’ hart bonst nog steeds heftig.
“Wel?” herbegint Lisa. “Vertrekken we volgende donderdag rond de middag? Of rijden we liever ‘s ochtends in de vroegte door?”
Weer is het even stil.
“Wat denk jij, Midas?” vraagt zijn moeder.
Midas veert op:
“Bedoel je... dat we gaan, mams?”
Ze knikt. Voor het eerst in weken verschijnt een brede glimlach op haar gezicht. De zon, die daarnet even achter een wolk schuilging, lijkt het te hebben gezien en komt nu waarlijk zowat tegelijk weer alles in haar volle schijn zetten.

VIER

“Dek jij alvast de tafel, Midas,” zegt mams, met de klink van de voordeur in haar hand. “Ik moet me haasten, voor de winkel sluit. Over hooguit een kwartier ben ik terug.”
“Ja, mams.”
Elke en Lisa zijn daarnet weer vertrokken. Het is beslist. Volgende donderdag vertrekken ze met zijn vieren naar Oostende. Midas loopt op wolkjes. Routinematig dekt hij de tafel in de woonkamer, kijkt na of hij niets is vergeten, en loopt dan naar de telefoon op het dressoir. Even aarzelt hij. Hoewel zijn moeder hem uitdrukkelijk heeft verboden te telefoneren als zij er niet is, weet Midas dat degene die hij belt maar al te blij zal zijn. En overigens, wat niet weet, niet deert.
Zorgvuldig vormt hij het nummer. Midas vindt het zeer erg wat er tussen zijn ouders is gebeurd. Wacht maar tot HIJ groot is. Ze mogen alles van hem verwachten, maar zoiets! Nee, dat zou hij nooit doen. Een gegeven woord, daar moet je voor gaan. Daarbij, hij wil een koene ridder zijn, geen emotionele dweper, zoals zoveel volwassenen om hem heen. Vandaag zeggen ze zo, en morgen weer anders. En oh wee, als je het in je hoofd haalt hen daarop te wijzen!
“Hallo, bij Versmissen,” klinkt even later een zachte vrouwenstem aan de andere kant, nadat het toestel een paar keer is overgegaan. Midas schrikt op uit zijn gemijmer.
“Euh, ja... Midas hier. Ben jij dat, Birgit?”
“Hé, Midas,” hoort hij de vriendin van zijn vader opgewekt. “Wat blij je te horen! Zeg, hoe is het met je, jongen?”
“Oh, mag wel gaan. Dank je.”
“Dat klinkt ook niet enthousiast! Zeg, wanneer kom je nog eens langs? Je weet toch dat je hier altijd welkom bent.”
“Ja ja,” onderbreekt Midas haar. “Is paps daar?”
“Tuurlijk jongen. Wacht.”
“Dank je, Birgit.”
“Hier is hij al, zie. Zeg, tot gauw, hé, jongen!”
“...”
“Hallo, Midas.”
Dat is vaders goedlachse bas.
“Dag paps. Hoe is het?”
Vader en zoon wisselen enkele beleefdheden uit. Nu moet ik het hem vertellen, denkt Midas. Echter, op het eigenste ogenblik is er iets dat hem weerhoudt. Wat het is, weet hij niet. Maar het is er gewoon en sterker dan zichzelf.
“Vertel eens, jongen,” zegt zijn vader.
“Ik mis je, paps.” Midas’ adem stokt. “Euh… wel, ik dacht… Mams is even weg. Ik bel maar eens naar papa.”
Zijn vader glimlacht hoorbaar.
“Je moeder wil niet dat je naar me belt als ze niet in de buurt is, niet?”
Even blijft het stil.
“Zoiets, ja.”
“Wel, vertel maar eens wat er op je lever ligt, mijn jongen. Voor je het weet is mams terug en ik zou niet willen dat je ruzie krijgt.”
De jongen aarzelt even:
“Ik mis je, paps.”
Dan zegt Midas’ vader voorzichtig: “Is er echt niks anders, jongen?”
“Euh, nee, paps. Echt niet. Ik wilde je alleen maar zeggen…”
Zijn vader zucht.
“Tja, jongen, dat tussen je moeder en mij. Ik vrees dat dat nooit meer goed komt. Ik bedoel… er zijn dingen gezegd die… nu ja, later zul je het allemaal wel begrijpen.”
Maar Midas begrijpt het niet. Hij WIL het niet begrijpen. Hij zou het willen uitschreeuwen.
Als hij al eens – wat wel meer gebeurt – kletterende ruzie heeft met één van zijn vriendjes op school, dan betekent dat toch niet dat ze voor de rest van hun leven niet meer met elkaar om kunnen gaan. Waarom moeten grote mensen daar dan altijd zo moeilijk over doen! Kunnen ze niet gewoon net als de jongens en de meisjes van zijn klas vrede sluiten na een woordenwisseling!
“Is het omwille van haar?” vraagt hij voorzichtig.
“Het ligt niet zozeer aan Birgit, mijn jongen. Het boterde al langer niet meer tussen je mama en mij. Birgit was er op het juiste moment voor mij. Meer hoef je daar echt niet achter te zoeken.”
Wat moet hij daar nu van geloven? Liegt zijn vader?
“Paps.”
Net op dat moment hoort Midas de sleutel in het slot van de voordeur.
“Ik moet ophangen, paps,” zegt hij gehaast, gooit de hoorn op de haak en maakt dat hij uit de buurt van het telefoontoestel komt.
“Hier ben ik,” zegt mams die zich langs hem heen lopend met haar boodschappentas naar de keuken rept. Midas voelt zich betrapt. Tot zijn opluchting slaat zijn moeder nauwelijks acht op hem. Zo is ze in beslag genomen door zichzelf en haar zaken.
“Nu zie je waar je vader ons heeft gebracht,” zegt ze, terwijl ze alles opbergt. “In plaats dat we lekker met zijn drietjes ver weg op vakantie kunnen, mogen we mee naar zee als aanhangsels van Lisa en dat verwaande nest van een dochter van haar.”
“...”
“Ja, zeg, toen die over haar vader begon, werd ik toch even niet goed, hoor! Was het mijn dochter geweest, ik had ‘r daar een lel om haar oren gegeven waar ze het eerste kwartier niet goed van was. Trouwens, Louis heeft van heel zijn leven niet gedeugd, en dan gaat dat vermetele ding hem nog een beetje verdedigen.”
Midas wil wat tegenwerpen, maar op tijd houdt hij zijn mond. Onverstoorbaar gaat zijn moeder verder:
“Al goed voor Lisa dat dat stuk bakker op tijd zijn kop heeft gelegd. Nu zegt ze wel dat ze omwille van dat kind en de eigendommen nooit van hem gescheiden zou zijn, maar mij heeft ze destijds wat anders verteld. Enfin, je ziet, Midas, een enkele keer is er toch een beetje gerechtigheid in deze wereld!”
Ze lacht zonder vreugde, terwijl ze de laatste etenswaren in de koelkast zet.
Midas weet niet wat hij hoort. Is dat zijn moeder die daar triomfeert om de dood van een medemens?
Dan kijkt ze hem aan:
“Wel,” vraagt ze, “wat heb je?”
De jongen slikt, wendt zich af en loopt de kamer uit.
“Midas! Waar ga je heen? Zo meteen gaan we aan tafel, hoor!”
Stik, denkt hij.

* * *

Die avond ligt hij stilletjes te huilen in bed. Het vooruitzicht op een mooie vakantie aan zee is wat hem betreft alweer zo goed als verpest. Mams ook altijd met haar zure commentaren! Dat uitgerekend hij zo’n moeder moet hebben. En zijn vader die ervandoor is met een ander! Iedereen om hem heen heeft het zo druk met zijn eigen zaken. Niemand schijnt echt om hem bekommerd, laat staan van hem te houden. Waarom heeft hij geen broertjes of zusjes? Ook weer zoiets waarover hij onmogelijk met zijn moeder kan praten. Ze zegt steevast dat hij blij mag zijn dat hij enig kind is, want dat later dan alles van hem zal zijn. Daar is hij nu vet mee!

VIJF

“Zeker dat je niets bent vergeten, Midas?” vraagt mams, wanneer ze de laatste bagage in de Mercedes van Lisa hebben geladen.
“Absoluut,” antwoordt de jongen, al is het meer om van haar gezeur af te komen.
“Dan is het goed. Stap maar in. Straks is het de moeite niet meer dat we nog vertrekken vandaag.”
Eindelijk, denkt Midas, terwijl hij achterin naast zijn buurmeisje in de inmiddels bloedhete Mercedes plaatsneemt. Eerst was er gezegd dat ze ‘s morgens zouden vertrekken, maar uiteindelijk is het nog bijna halftwaalf geworden.
Lisa start de motor en kijkt even achterom.
“Alles in orde, kinderen?”
“Ja, Lisa,” zegt Midas.
“Ik zal het schuifdak openen. Als het tocht, moet je het zeggen.”
Midas’ moeder trekt het portier aan haar kant met een klap dicht. Even later rijden ze hun straat uit.
Tersluiks kijkt hij naar het meisje naast hem. Ze draagt een nauwsluitend wit T-shirt, waaronder de aanzet van haar ontluikende borstjes vaag zichtbaar is. Verder heeft ze een korte, donkerblauwe short aan, van waaruit haar onwaarschijnlijk lange, magere benen vertrekken om ergens op de vloer van de auto uit te monden in basketschoenen. Ze zit maar wat voor zich uit te staren en keurt hem geen blik waardig. Wedden dat Lisa of zijn moeder haar straks opdraagt op hem te passen? Alsof hij soms een babysit nodig heeft! ’t Is maar te hopen dat het daar in Oostende een beetje meevalt. Dat hij er nieuwe speelkameraadjes vindt en op die manier een beetje onder haar controle uit kan komen. Dat ze wat hem betreft maar snel een vrijer vindt.

Als ze zowat een halfuurtje hebben gereden, neemt Lisa de bochtige oprit naar de autosnelweg.
“Had ik het niet gedacht,” foetert ze wanneer hun auto even later alsmaar langzamer rijdend bijna tot stilstand komt.
“Een echte pest, die files, en het wordt met de dag erger!”
Tja, denkt Midas, was dan wat vroeger doorgereden, hé.
Na een tijdje lijkt het verkeer wat vlotter te gaan. Maar het duurt maar even of ze staan alweer aan te schuiven.
“We naderen het verkeersknooppunt,” zegt Lisa na een tijdje. “Daarna zal het wel weer beter gaan.”
“Of slechter,” antwoordt Kristel. “Voorbij Gent krijg je immers het verkeer van twee snelwegen.”
Niemand zegt nog iets.
Tergend langzaam vorderen ze. De ene keer staan ze stil, dan rijden ze weer enkele meters vooruit, om even verder weer stil te staan. Dan gaat het weer een eindje goed, om daarna weer… enzovoort, enzovoort.
Lisa draait even haar hoofd en zegt:
“Wel kinderen, jullie zijn zo stil.”
Midas en Elke kijken elkaar aan.
“Er is toch niks?”
Nu kijkt ook Midas’ moeder achterom.
Toet-toet...
Dat is de grote wegreus vlak achter hen.
“Ooo...”
Lisa concentreert zich weer op het verkeer en rijdt het gat dicht dat ontstond door haar achteromkijken.
“Misschien dat jullie de tijd kunnen doden met een spelletje,” zegt ze nog.
“Wij zijn te oud voor spelletjes,” reageert Midas dof.
“Waarom denk je dat, jongen?” vraagt Lisa.
“Hij DENKT dat hij te oud is voor spelletjes,” repliceert Elke ongevraagd, “maar ik BEN het!”
“Elke,” zegt haar moeder vermanend.
“’t Is toch waar zeker! Denk je nu echt dat ik me met die flauwekul ga bezighouden?”
Midas grinnikt.
“Jij mag toch echt eens een beetje vriendelijker worden, hoor, meisje!” zegt haar moeder. “Als dat de hele vakantie zo moet gaan!”
Midas kijkt haar uitdagend aan. Ze steekt haar tong uit naar hem. Hij terug.
“Midas! Laat dat! Klein kind dat je bent!”
Dat is zijn moeder die hem via de achteruitkijkspiegel begluurt.

Tegen een uur of één verlaten ze de snelweg, om even later via het Kennedyrondpunt Oostende binnen te rijden.
“Eindelijk,” zucht Lisa. “We zijn er.”
“Hoezo?” reageert Midas verbaasd om zich heen kijkend, “ik zie helemaal geen zee!”
“Daar zal je nog wel even op moeten wachten,” meesmuilt Elke. “We zijn nog niet eens in het stadscentrum!”
“Tja, Oostende,” mijmert Lisa. “Weet je Kristel, deze badstad heeft veel van haar pluimen verloren de laatste jaren.”
“Hoezo?” vraagt Kristel, “ze maken er toch zoveel publiciteit voor.”
“Twintig jaar geleden, toen wij hier pas ons appartement hadden, was het anders. Je voelde hier echt nog de sfeer van de grote dagen, toen onze koninklijke familie hier ’s zomers nog met haar hofhouding neerstreek.”
“Kijk,” onderbreekt Lisa zichzelf, als ze een poosje later de zeilmasten van de jachthaven voor zich zien opdoemen. “Daar, de Mercator.”
“De Mercator!” echoot Midas.
“Ja, de Mercator,” zegt Elke wijsneuzig. “het voormalige schoolschip van…”
“Dat weet ik ook wel, hoor!” kaatst de jongen terug.
“Zeker?”
“Tuurlijk, of dacht jij soms aan de cartograaf Mercator!”
“Ben je mal?” hoont Elke. “Alleen een dwaas als jij komt er op om...”
“Kinderen!” roept Midas’ moeder. “Zo is het wel genoeg, hoor!”
“Elke,” valt Lisa haar bij. “Jij bent de oudste. Gebruik jij dan tenminste je verstand, ja.”
Het meisje moppert nog wat, maar de discussie kan niet verder worden gezet, doordat Lisa abrupt moet remmen voor een wegpiraat in een blitse rode sportwagen die haar al slalommend de weg afsnijdt.
Tuuuuut!!! Tuuuut...
“Heb je dat gezien, Kristel?”
“Die kerel lijkt zo dronken als een Zwitser, als je het mij vraagt.”
“Of zo stoned als een aap, zul je bedoelen!”

ZES

Badend in het zweet schiet Midas wakker. Hij kijkt verdwaasd om zich heen. Hij was daarnet toch... Het schip... De Mercator! Waar is iedereen nu plots naartoe? En waar is de rest van de bemanning? Marieke was erbij, en al de anderen van zijn klas. En die ergerlijke Ron, de kapitein die hem, de bootsman, alsmaar vervelende opdrachten gaf... Dan realiseert hij zich dat het maar een droom is geweest. Eizona een nachtmerrie om precies te zijn.
Hij hoort gestommel. Er wordt op de deur geklopt.
“Midas! Ben je wakker?”
In het halfduister van de kamer ziet hij een hoofd verschijnen.
“Kom maar binnen, Lisa.”
Bezorgd komt de vrouw op hem toe en gaat op de rand van het bed zitten.
“Je was doodop na de reis.”
Midas knikt:
“Ik herinner me dat mams de koffers is beginnen uitpakken en dat ik even op bed ben gaan liggen. Ik moet in slaap zijn gevallen.”
Lisa glimlacht terwijl ze in een teder gebaar een hand op zijn voorhoofd legt.
“Wat ik je zeggen wilde, Midas. Trek je van Elkes getreiter maar niet te veel aan, hoor. Tegenover jou wil ze wat stoerder doen dan ze in werkelijkheid is. Geef haar gewoon lik op stuk, als ze te veel op je zenuwen werkt.”
“Mmmm... zeg eens, Lisa, hoe laat is het?”
“Tegen zessen, jongen. Elke is met je moeder naar de winkel. Over een minuut of tien zijn ze wel terug. Dan gaan we aan tafel.”
Ze staat van het bed op en loopt naar het raam. In een enkele beweging schuift ze de gordijnen open. Midas knippert met zijn ogen tegen het felle zomerlicht. Dan hijst Midas zich uit bed.

Lisa’s appartement bevindt zich op de achtste verdieping van een flatgebouw gelegen langs het eerste gedeelte van de Oostendse zeedijk, de Albert I-promenade. Het kijkt uit op het staketsel, het monument der Zeelieden, het zogenaamde Kleinstrand en de zee zelf, natuurlijk.

* * *

“Waar gaan jullie naartoe?” vraagt Midas, als na het avondeten Lisa en zijn moeder aanstalten lijken te maken om weg te gaan.
Hij zit bij het raam en kijkt dromerig naar de mensen op de dijk, het water en alles wat er verder nog te zien is.
“Zij gaan uit,” zegt Elke.
“En wij?”
Elke grinnikt hem treiterig toe:
“Waar zij naartoe gaan, hebben ze ons en zeker jouw soort niet nodig.”
“Hoezo? Wat bedoel je?” vraagt de jongen.
“Jouw moeder en mijn moeder gaan dansen, oen!”
“Dansen? Mams, is dat waar?”
“Lisa en ik,” zegt Kristel, terwijl ze in een wolk van parfum op de jongen komt toelopen, “wij gaan even een stapje in de wereld zetten. We zullen heus niet lang wegblijven, hoor!”
“Ja maar...”
“Jij blijft bij Elke. Je mag wat later opblijven, maar ik zou toch willen dat Elke erop toeziet dat je rond halfelf naar bed gaat. Okay?”
Terwijl zijn moeder zich over hem heen buigt en hem op zijn voorhoofd kust, trekt hij een pruillip. Hij kijkt recht in haar diepe décolleté. Als die maar geen kou vat, denkt hij nog.

Wanneer de vrouwen tenslotte op tikkende hakken het appartement verlaten, zegt Elke die verveeld voor de teevee op de grond zit:
“Zie je nu wel dat ik gelijk had!”
De jongen haalt zijn schouders op.

* * *

De volgende ochtend is Midas al vroeg wakker. Hij heeft de voorbije nacht amper een oog dicht gedaan in dat vreemde bed, in dat vreemde appartement met al die rare, hem onbekende geluiden. De hele nacht door hoorde hij ergens wel iets. Was het niet boven hem, dan onder hem, vanuit de appartementen links of rechts. Het doortrekken van een toilet, een deur die werd dichtgeslagen, een te luid afgesteld tv-toestel, tikkende hakken op de gang, de lift, stemmen van babbelende mensen, ja zelfs... een tijdlang een ritmisch krakend bed begeleid door kreun- en steungeluiden. Wat spookten die mensen hier toch allemaal uit ‘s nachts! Dan te bedenken dat er zijn die hun hele leven op zo’n appartement moeten wonen. Niets voor Midas, hoor. Hij zou er gewoon tureluurs van worden. Geef hem maar een mooi groot huis met een uitgestrekte tuin.
Zijn moeder, die naast hem ligt, is nog niet wakker. En allicht zal het nog even duren voor dat gebeurt. We zullen heus niet te lang wegblijven, had ze gisterenavond gezegd. Maar toen Lisa en zij ook al met meer dan het nodige lawaai thuis waren gekomen, had Midas op de reiswekker gezien dat het 3u45 was. Ze zal nu wel blijven liggen tot een uur of negen, halftien. En eerder mag hij niet opstaan. Midas draait zich op zijn andere zij. Hij gooit het dekbed van zich af, want hij heeft het veel te warm hier in de benauwde kamer. Op het wekkertje ziet hij dat het enkele minuten over zeven is. Hij zou nu best wel op willen staan en naar buiten rennen, de nog zo goed als verlaten dijk op, of misschien pootje baden in de aankomende zee. In de verte hoort hij het gekrijs van de hier alom aanwezige meeuwen. Die doen tenminste waar ze zin in hebben, denkt hij verongelijkt.

ZEVEN

Met zijn vieren lopen ze die vrijdag in de late voormiddag door de drukke winkelstraten van de binnenstad. Hoewel de kofferruimte van Lisa’s Mercedes afgeladen vol had gezeten, moeten er voor de komende dagen toch nog inkopen worden gedaan. Terwijl het gezelschap winkel in, winkel uit loopt, geeft de jongen zoveel mogelijk zijn ogen de kost. Want Oostende, dat is wel wat anders vergeleken met de gemeente waar hij woont. Hier loopt opvallend veel volk op straat. En Frans dat je hier hoort! Je zou haast denken dat je in een Franse badplaats bent.
“Kom,” zegt Lisa, als ze tenslotte alles hebben, “we gaan maar eens terug naar het apparte...”
Plots stokt ze. Midas, Kristel en Elke kijken haar vragend aan.
“Kijk... kijk, daar...” wijst ze Kristel, “dat zijn Ronny en Mon, die twee die ons gisterenavond...”
Midas kijkt in de aangegeven richting. Wat hij ziet, imponeert hem allerminst. Van de andere kant van het plein wuiven twee kerels in typische vakantieoutfits uitbundig naar zijn moeder en Lisa. De jongen kijkt naar Elke, in de hoop in haar tenminste een medestander te vinden voor zijn misprijzen. Maar het meisje heeft het veel te druk met het observeren van de sensatie van de dag.
Lisa en kristel, hoewel zwaar beladen met boodschappen, schijnen plots vleugeltjes te krijgen. Zo hard moet Midas zich reppen om hen bij te benen.
“Hey,” roept één van die malloten, als ze op een tiental meter van ze verwijderd zijn.
“Hoi, gasten,” hoort Midas zijn moeder mekkeren. “Al wakker na vannacht?”
“Altijd, schat, altijd...” antwoordt één van de kerels. Hij zegt het op zijn Antwaarps, bijna als ‘schet’.
Ze staan nu vlak voor het tweetal. Midas’ hart draait zich om in zijn lijf als hij de ene amicaal zijn moeder ziet omhelzen. En het ergste is nog dat ze er behagen in schijnt te scheppen ook! Ze laat zich door hen aanhalen als de eerste de beste…
De jongen wendt de blik af. Hij kan moeilijk om met dit soort gekkigheid, zeker als het zijn eigen moeder betreft.
“Hey, Midas,” hoort hij zich door haar tot de orde roepen, “wat sta je daar te suffen? Zou je mijnheer niet eens een handje geven?”
Hij bijt verongelijkt op zijn onderlip, kijkt stuurs voor zich uit en geeft de kwiet een slap handje. De onnozelaar grijnst naar hem. Midas heeft nog het meeste zin om zijn tong uit te steken. Maar hij MOET zich inhouden, weet hij. Anders zit het er straks weer op.

* * *

“Je moeder heeft een vrijer,” fluistert Elke die naast hem zit gemelijk in zijn oor.
Midas, die het toeristenmenu amper door zijn keel kreeg en zich al de hele tijd zit op te winden, ontploft haast. Hij stampt gemeen tegen het meisje haar scheenbeen.
“Aaau...” gilt de trien.
“Hela, hela...” hoort hij zijn moeder, die pas nu in de gaten schijnt te hebben dat hij er ook bij is. “Een... klein beetje op jullie gemak, hé... kindertjes.”
“Jouw moeder heeft anders ook mooi prijs!” mikt Midas in Elkes oor.
“Kijk maar hoe ze aan die andere zijn lijf hangt.” “Ja, maar ze is tenminste niet dronken zoals die van jou.”
Die zit. Midas voelt de aantijging als een stiletto door zijn ziel gaan. Hij wordt zo rood als een tomaat. Zijn hart bonkt als een hamer in zijn keel. Als hem hier zo meteen niemand tegenhoudt, dan…
“Elke!”
Lisa, die inderdaad blijkbaar nog niet zover heen is, lijkt in de gaten te hebben dat de zaak uit de hand dreigt te lopen. Donker kijkt ze haar dochter aan. Het meisje buigt het hoofd.

Een nachtmerrie, dat is het voor Midas. Verplicht mee naar het restaurant in plaats van rustig ergens een zak frieten te kunnen verorberen. Vruchtensap voor hem en Elke, terwijl Kristel, Lisa en die twee Antwerpse klojo’s de ene Apéritif Maison na de andere door hun keelgat gieten. Witte wijn bij het voorgerecht, rode bij het hoofdgerecht. En zij mogen cola drinken. Daarna is er koffie met gebak. En voor de grote mensen... pousse café. Naarmate de alcohol vloeit, wordt het voor Midas alsmaar onaangenamer. De ‘vrijer’ van zijn moeder die van langsom minder zijn handen thuishoudt en van wie de moppen met de minuut grover worden. Camioneurmoppen, zou zijn onderwijzer zeggen. De lachsalvo’s van zowel Kristel als Lisa die scheller -- en jawel -- kinderachtiger klinken. Dat grote mensen zich zo kunnen aanstellen!
Als dan eindelijk de rekening wordt gebracht, weet Midas dat de marteling naar zijn einde loopt. De twee cassanova’s plegen achter de rug van de vrouwen ruggespraak. Kristel en Lisa maken giechelend tegenwerpingen. Voor de vorm, natuurlijk. Want als even later de dienster komt afrekenen is het uiteraard één van de mannen die met zwier zijn betaalkaart overhandigt.

ACHT

“Ik heb het je toch gezegd!”
Midas kijkt naar het slungelige meisje naast hem. Zijn ogen knipperen tegen het felle, ongenadig trillende middaglicht.
“Wat heb je gezegd?” vraagt hij.
“Dat je moeder een vrijer heeft.”
“Ga je daar nu weer over beginnen!”
Elke, de lange, lichtgebronsde benen optrekkend op haar kleurige badlaken, grinnikt:
“Je kunt er niet tegen, hé!”
“Wacht maar tot paps hiervan hoort!” antwoordt Midas nijdig.
Het meisje fronst de wenkbrauwen:
“Waarvan?”
“Wel, van wat hier allemaal gebeurt.”
“Midas! Jij godgestampte ezel! Ben je nu helemaal op je hoofd gevallen!”
“Waarom?”
“Jij rund! Je gaat je vader toch niet inlichten over wat je moeder in haar vakantie doet, zeker?”
“Waarom niet?”
“Omdat... als je wilt dat het ooit nog goed komt tussen je ouders, je dan absoluut die grote waffel van je moet leren houden. Daarom!”
“Oh!”
“Tenminste... ALS het ooit goed komt,” voegt ze er treiterend aan toe.
“Het KOMT goed!”
Laatdunkend kijkt het meisje op Midas neer:
“Als jij het zegt.”
“Jij begrijpt er niets van!”
Elke snuift hautain, haalt de schouders op en kijkt van hem weg in de richting van de grijsgroene zee. De jongen volgt haar blik. Heel in de verte blinkt het zeil van een langzaam voorbij varend bootje.
“Wat gaan ze nu doen?” vraagt Midas plots.
“Wat gaan wie doen?”
“Wel, mams, jouw moeder en die twee... gasten.”
Onderzoekend kijkt Elke hem aan en het ontgaat de jongen niet dat er een spottend lachje rond haar lippen speelt.
“Wat had je gedacht dat ze gingen doen?”
“Ik weet niet. Misschien gaan ze nog wat winkelen of zo...”
Elke schiet in de lach:
“Winkelen? Die is goed!”
Verdwaasd kijkt de jongen haar aan.
Dan hoort hij haar zeggen:
“Die kruipen lekker met elkaar in bed, ja!”
Het is of de jongen het in Keulen hoort donderen:
“In bed?” vraagt hij onnozel. “Wat gaan ze daar in ’s hemelsnaam doen. ‘t Is midden op de dag!”
Nu is het aan het meisje om hem vol ongeloof aan te staren:
“Zeg, mannetje... houd jij me soms voor de gek? Je gaat me toch niet vertellen... ha... Maar dat... dat… Ik geloof mijn eigen oren niet!”
De jongen is helemaal van streek. Zijn moeder, Lisa en die twee mannen samen in bed. Heeft de drank hen dan zo beneveld dat ze nu dringend aan slaap toe zijn?
“Met in bed kruipen bedoel ik dat ze gaan vrijen. Neuken als je dat beter begrijpt. Waarom dacht je anders dat ze ons naar het strand hebben gestuurd!”
Midas zwijgt verbeten. Hij begrijpt er niets van. Al die rare woorden.
“Kom... dromer,” hoort hij het meisje plots.
Hij kijkt op en ziet dat ze recht gesprongen is. Ze loopt in de richting van de branding. Midas holt haar achterna, alle rare gedachten uit zijn hoofd verjagend.
Het valt hem op dat het water nog ver weg is. Een heel stuk van het strand is nat, hard aangezet zand dat er rimpelig bij ligt. Zijn buurmeisje loopt een eindje voor hem uit. Ze is al bijna aan het water. Dan ziet Midas een drietal jongens uit de zee komen, recht op Elke af. Ze loopt op hen toe en begint te praten. Midas is nog te ver van hen verwijderd om te begrijpen wat ze zeggen.
“Ga jij maar een eindje het water in,” zegt ze als hij haar dicht genoeg genaderd is. Die gasten spreken verdorie Frans. Elke wil me natuurlijk liever kwijt, denkt de jongen. So what? Hij snuift en loopt nu recht op de ruisende branding toe. Als hij een voet in het van de schuimkopjes wemelende water steekt, schrikt hij toch even dat het water zo koud aanvoelt. Gaandeweg echter went Midas aan de temperatuur en loopt verder. Hij kijkt naar het door de zon weerspiegelde glinsterende water. Net kwikzilver, denkt hij. Verleden jaar hebben ze dat eens in de handen mogen nemen: kwikzilver. Enfin, eigenlijk is het kwik: voorbeeld van een vloeibare, vaste stof. Het water reikt inmiddels tot aan zijn middel. Gek, denkt hij hoe die massa aan hem rukt. Het is of je in een heel grote emmer staat waarvan de inhoud lichtjes heen en weer deint. Er is amper een zeebries, maar het water geurt fris, een hele verademing op zo’n warme zomerdag. Mams en Lisa weten niet wat ze missen. Wie gaat er nu op zo’n dag in zijn bed liggen.
Intussen ziet hij dat Elke hevig aan het waterspatten is met de jongens. Ze doet maar, denkt hij. Ik ga nog een eindje verder. Ik moet nergens bang voor zijn. Zwemmen kan ik als de beste.
“Niet te ver, hé, Midas!”
Hij kijkt in haar richting en steekt zijn tong uit. Fuck you, denkt hij. Al weet hij niet zo precies wat de uitdrukking betekent. Maar het is Engels, en dus zal het wel cool wezen, zeker? Dan voelt hij zich plots vooruit in het water worden gesleurd. Hij wankelt, zijn voeten verliezen de greep op de bodem en hij slaat voorover. Geen nood, denkt de jongen, en hij zwemt met forse slag de zee in.
“Midas...”

NEGEN

Het geluid van het klotsende water vormt het enige nog hoorbare om hem heen. Midas voert een forse, maar gelijkmatige slag. Jezus? Wat een verademing, denkt hij. Hij voelt zijn hart bonzen. Even wat gas terugnemen. Hij strekt zijn armen en benen en laat zich drijven op de deinende zee. Zijn lichaam lijkt wel gewichtloos. En steeds is er dat geklots. Klots... klots... klots... Zijn gedachten zweven weg. Zalig!
Plots echter kijkt hij op. Niets meer dan water om zich heen! Geen paniek, denkt hij. Aan de stand van de zon merk ik wel welke richting ik uit moet. Weet je wat? Ik blijf nog even dobberen. Het water is koel en...
Tuut... tuut... tut, tut, tut... tuut... klinkt het bij vlagen. Midas verbaast er zich over dat het geluid zelfs tot hier doordringt. Dat hoor je nu de hele tijd aan het strand. Dat ergerlijke getuut van de redders. Weer ergens een oma of wat klein grut dat niet kan zwemmen, zeker?
Na een tijdje begint de jongen er toch langzaam genoeg van te krijgen. Elke zal nu wel uitgepalaverd zijn met haar vriendjes. En voor het geval ze zich zorgen maakt? Net goed.
Midas kijkt naar de oogverblindende zon. Ze hangt daar nog altijd als een loden schijf aan de witblauwe hemel. Ze staat nu ongeveer pal in het zuiden, ja, zelfs al iets in de richting van het westen, maar zeker nog niet volledig zuid zuidwest. De kust, weet hij, ligt noordwest. Hij moet dus... die richting uit. Met vernieuwde energie draait hij zich en begint te zwemmen. Tenminste...
Shit, mompelt hij na enkele verwoede pogingen. Het lukt toch niet meer zo goed als daarstraks. Ben ik dan ZO moe? Komaan, zeg. Nu niet de flauwe uithangen!

Tuut... tut, tut, tut, tuuut... klinkt het voor een zoveelste keer. Elke kijkt op. Jesus, waar zit die verdomde Midas nu.
“Où...? Où, est-il...?”
“Qui? Qui tu cherche?” vraagt Pascal, de sympathiekste van de drie jongens.
“Le petit... je cherche le petit garçon qui était chez moi jusqu’à...”
“Oooo...” De jongen tuurt de horizon af en roept dan:
“Regarde la!”
Nu ziet Elke het ook. Haar buurjongen is nergens meer te bespeuren, maar heel in de verte trotseert een helrode motorboot de kleine golfjes van de kabbelende zee.
“Oh, mijn god!” gilt ze en ze slaat de handen voor het gezicht. De drie jongens kijken elkaar verbaasd aan.

Nee, maar dat is niet mogelijk! Wat de jongen ook probeert, het wil maar niet lukken. Telkens hij in de richting van het strand tracht te zwemmen, is het of een onzichtbare kracht hem de andere kant uitduwt. En die kracht die komt van... Of daar het antwoord ligt, kijkt hij even in het troebele water onder zich. Dan herinnert Midas het zich plots. De naam van de gevaarlijke meteorologische gesteldheid bij aflandige wind of wind die waait vanuit het binnenland. Wel die term is onderstroom. En het is die onderstroom die hem nu zo’n parten speelt. De angst slaat Midas om het hart. Dat zou dus betekenen dat hij… Nee, dat kan niet. Dat mag niet! Hij wil niet naar de open zee. Hij wil terug! Met zijn laatste restje kracht probeert hij de golven te trotseren. Maar helaas… Langzaam voelt de jongen hoe hij de strijd verliest. Zijn benen wegen als lood, zijn armen zijn zware, dode gewichten geworden die onwillig aan zijn lijf bungelen en waar hij niet de minste controle meer over krijgt. Tenslotte geeft hij het noodgedwongen op. Half verdoofd laat hij zich op de golven verder drijven. Steeds verder, steeds verder... Weg van alles, weg van deze wereld, weg van iedereen... Weg van zijn moeder, weg van zijn vader, weg van Marieke… Marieke? Wat heeft Marieke hiermee te maken? Het is zijn laatste heldere gedachte. Het volgende ogenblik glijdt hij af in een toestand van halfbewustzijn. Daardoor heen hoort hij het klotsen van water. Kots, klots…

TIEN

Ergens op een ander niveau van zijn bewustzijn is hij aan het braken. Een grote massa zout water komt uit de mond van dat andere wezen gegulpt. Even wordt hij wakker in dat wezen. Hé, het geluid van de zee is weg en hij ligt op vaste bodem. Hij hoort stemmen. De loden zon staat nog steeds aan de hemel. Waar is hij?
Dan ziet Midas een schaduw over zich heen. Er wordt iets kouds op zijn wang gedrukt. Hij wil wat zeggen, wat vragen? Maar hij zinkt weer weg, zodat hij niet eens merkt dat hij wordt opgetild en meegenomen met de klaarstaande ziekenwagen.

* * *

“Je hebt ontzettend veel geluk gehad, mijn jongen,” zegt zijn moeder, als ze tegen het einde van de middag samen met Elke en Lisa zijn kamer binnenkomt. De jongen kijkt verweesd om zich heen en glimlacht flauwtjes.
“Mams, heb je paps al verwittigd?” vraagt hij nog onvast.
Even wisselt zijn moeder een blik met Lisa:
“Tuurlijk jongen. Je papa heeft beloofd dat hij zo snel mogelijk hierheen komt.”
“Dan is het goed, mams.”
Weer valt de jongen in een slaap doordrenkt van surrealistische dromen. Hij ziet zijn vader, zijn moeder en Marieke. Het meisje glimlacht naar hem. Nu weet hij het zeker: Het komt allemaal goed.

EPILOOG

DAT WAS OP HET NIPPERTJE
OOSTENDE (van onze reporter)
Gisteren was weer een bijzonder drukke dag voor onze reddingsdiensten aan de kust. Zij moesten herhaalde malen uitrukken om in moeilijkheden geraakte zwemmers uit zee te halen. Meestal ging het om baders die in de onbewaakte zone in het water waren gegaan en geen gevolg gaven aan de herhaalde aanmaningen van de in naburige zones toezicht houdende redders. Maar ook in een bewaakte zone deed zich gisteren een incident voor. Zo dreef rond 15u de twaalfjarige M. uit W. die nochtans bekend staat als een ervaren zwemmer, af van het zogenaamde grootstrand van Oostende waar hij met zijn buurmeisje de middag doorbracht. Omwille van de sterke onderstroom die vaak ontstaat bij aflandige (oostelijke) wind, kreeg de jongen het plots te kwaad. Het feit dat zijn buurmeisje hem even uit het oog verloor, plus dat de jongen te ver van het strand was weggezwommen, bleken de oorzaken van dit bijna verdrinkingsincident. De jongen, buiten bewustzijn, werd na de eerste verzorging, meteen naar het ziekenhuis overgebracht. Blijvende letsels zal hij aan dit avontuur niet overhouden, want ten langste morgen mag hij alweer naar huis.
Intussen waarschuwen de reddingsdiensten om toch vooral niet in de onbewaakte zones te baden. Zelfs wie in de bewaakte zones baadt, wordt met aandrang gevraagd steeds de instructies van de redders te volgen. Immers, een ongeluk zit in een klein hoekje. Dat illustreert bovenstaand verhaal eens te meer.

* * *

Als Midas de volgende ochtend zijn ogen weer opent, lacht Marieke hem nog steeds toe. Maar… maar… dat kan toch niet! Hij knippert een paar keer om de droom van zijn netvlies weg te jagen. Maar gek genoeg, het wil niet lukken.
“Je weet toch wie dit is?” vraagt zijn vader die naast zijn moeder achter het meisje staat.
“We zijn toevallig ook in Oostende deze week,” begint ze in een voor haar doen uitbundige woordenvloed. “Gisteren waren we een eindje verder op het strand toen de ziekenwagen eraan kwam.” En ze ratelt nog even verder, maar het stoort Midas allerminst.
Er komen nu twee hem onbekende mensen de kamer in. De ouders van Marieke?
Ondertussen kijken Midas’ vader en moeder elkaar aan. De blik in hun ogen is er één van… nu ja. Midas heeft er geen uitleg bij nodig. Zijn hart maakt een sprongetje. Het kan niet waar zijn, en toch… Het ziet er dus naar uit dat zijn wens zal worden verhoord? Even knijpt hij zich in de arm. Neen, het is geen droom. Echt waar niet.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de eerste pagina van de website