Topkoekenbakker - Bakmanschap is meesterschap

Een kort verhaal van Johan Nijzink

'Durf je de Achterhoek in voor een interview?' vroeg mijn chef op een herfstige namiddag. 'Ik bedoel, met die slechte ogen. Het is nogal afgelegen, begrijp je.'
'Tuurlijk,' zei ik. Behalve het feit dat ik een oogkwaal heb, lijd ik als visueel zwak begaafde aan een hoogst schadelijke vorm van optimisme. Met een aan zelfdestructie grenzende overmoed waag ik mij op onbeveiligde dakterrassen, voor aansnellende trams, langs gapende kraters, in monstergrotten. Ik hou wel van een uitdaging.
'Dan is 'ie voor de bakker,' sprak hij cryptisch.
Die volgende ochtend reed ik in een boemelende streekbus het regenachtige H. binnen. Het miezerde. Het was een van die dagen waarop Sartre zijn Walging moet hebben geschreven.
In deze negorij bleek de kerst al ver voor de Klaasdagen te zijn uitgebroken: overal glinsterden de slingers en ballen in de witbesneeuwde etalages langs de hoofdstraat. Ik hield stil onder een groot uithangbord: Voor een taart op maat! las ik. Ik klopte de weemoed uit mijn jas en stapte de patisserie binnen.
'Kan ik u helpen?' klonk het vanachter de koelvitrine, waarin enkele moorkoppen dromerig lagen te soezen.
'Ik kom voor een interview. Met de banketkampioen,' zei ik.
'U bent van de krant?' zei het winkelmeisje met een zekere eerbied. 'Meneer is achter; loopt u maar even mee, naar de kantine.'
Ik werd om de toonbank geleid, de bakkerij in, langs een rij vlijtig kleiende bakgasten. De kantine bleek nauwelijks meer dan een wat groot uitgevallen zitkeuken met drie tafels, waar de warme bakkers hun koude uren zoekbrachten.
Bij het raam zat de banketkampioen. Hij was jong en slank voor zijn beroep, op het buikje na, dat nieuwsgierig over de broekriem uitkeek.
'Wilt u iets bij de koffie gebruiken?'
'Als u iets in huis hebt, graag,' antwoordde ik.
'Bavarois, ananas? Of een Berliner kerstster?'
'Ja, doet u maar.'
Even later werd de Berliner kerstster binnengedragen op een schotel ter grootte van een soepbord. Hemel, dacht ik, toen het gevaarte voor me op tafel werd gezet: hoe kom ik daar door heen. Ik overwoog of ik niet beter om een soeplepel zou kunnen vragen, in plaats van het gebakvorkje, dat geheel in de zoetigheid verdween. Vakkundig begon ik het gebak om te spitten.
'Is er nog emplooi voor het bakkersvak, eigenlijk?' opende ik het gesprek.
'Steeds minder,' zei de bakker: 'Ze willen geen vak meer leren, tegenwoordig. De jeugd zit liever op een skateboard of achter hun Nintendo.'
'En dat terwijl dit toch het op één na oudste beroep ter wereld is,' zei ik eerbiedig.
'Mensen kijken neer op het ambacht,' sprak hij somber: 'Ze willen niet meer met hun handen werken.'
'En je kunt er zulke prachtige prijzen mee winnen,' zei ik, het gesprek aansturend op het doel van mijn komst.
'Prachtige prijzen,' knikte de patissier. Hij toverde me een doos voor met krakelingen, bonbons en petit glacés, opgesierd met fleurige marsepeinen bloemkelken. 'Hier heb ik het concours mee gewonnen.'
'Wat knap,' zei ik met oprecht geveinsde bewondering. Mijn hoofd diep in de gebaksdoos gestoken, vergat ik mijzelf een noodlottig moment. Terwijl ik al mijn aandacht richtte op de besuikerde pronkstukken, liet ik mijn hand langzaam zakken, middenin de Berliner kerstster, naast de koffie. 'Prachtig,' zei ik.
Zo de bakker al iets gemerkt had, wist hij het meesterlijk te verbergen. De broodkunstenaar was door de onverwachte belangstelling ineens bijzonder spraakzaam geworden. Tevergeefs probeerde ik, terwijl hij zijn verhaal afstak, nog enkele aantekeningen te maken, maar mijn vingers, de pen en het notitieblokje waren tot een geleiachtige brei samengeklonterd.
'Interessant, heel fascinerend,' zei ik, mijn pikhand met de bepoederde mouw verbergend onder de deksel van de gebaksdoos. Koortsachtig spiedde ik zo onopvallend mogelijk het aanrecht af, op zoek naar een kraan. Ik moest bakmans de kantine uit zien te werken.
'Dit is lang niet alles, toch, wat u hier hebt, neem ik aan?' sprak ik hoopvol, knikkend naar de doos.
'Ja hoor. Alles,' verzekerde hij me. 'U zou straks mee naar mijn huis kunnen rijden; daar heb ik nog wel meer van dat spul.'
'O nee,' zei ik haastig. 'Hebt u niets anders wat u me hier kunt laten zien? Wat hebt u zoal gewonnen?' probeerde ik.
'Een oorkonde,' glunderde hij. 'En een plaquette.'
'Een vlaggetje?' zei ik, wat afwezig rondkijkend.
'Een plaquette,' herhaalde hij.
Ik had een kraan ontdekt. De afstand van de tafel naar het verlossende chroom schatte ik op enkele meters.
'Zou ik die ook eens mogen bekijken?' vroeg ik, met het laatste restje interesse dat ik nog kon opbrengen.
De banketbakker stond op om de trofeeën te halen die in de bakkerswinkel te prijk hingen. Voor ik echter een sprint naar het aanrecht kon trekken, hoorde ik zijn voetstappen reeds weer in de bakkerij. Snel stroopte ik mijn rechtermouw op, veegde mijn hand en mijn onderarm af aan het tafelkleed en ververste het notitieblok.
'Dit is de oorkonde.' Apetrots toonde de bakker het ingelijste perkament.
'En de plaquette?' herinnerde ik me: 'Waar is die?'
'Voor u, op de tafel.' wees hij: 'Daar.'
'Heel mooi ook.' Voorzichtig nam ik het zilveren kleinood in mijn hand, en hield het rechtop, vlak voor mijn gezicht, om het beter te kunnen bekijken. Langs mijn hand voelde ik iets omlaag dwarrelen, iets dat zich als fijne stof op mijn ontblote, nog kleverige arm vastzette.
'Nee, Deze plaquette. Hier. Wat u daar hebt, is de asbak.'
'Uiteraard,' zei ik, de inmiddels lege asbak terugplaatsend op het kleed, alsof ik het zo bedoeld had. 'Evengoed prachtig.'
Zonder een spier te vertrekken, ging de patissier tegenover me zitten om het gesprek te vervolgen. Het werd een lang interview.
'Moet u nog koffie?' vroeg hij na enige tijd: 'Met iets erbij? -- Nog een Berliner kerstster, misschien?'

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de eerste pagina van de website