Kijkspel


een verhaal van Willemeine Bol


Omdat ik zelf heb besloten dat ik mooi ben vanavond, zal iedereen mij ook zo bekijken. Ik zie er prachtig uit. Mijn stretchspijkerbroek past als gegoten om mijn vrolijke heupen en mijn knalpaarse bloesje accentueert de zachtheid en de rust, die ik zelf in de lijnen van mijn gezicht kan voelen. Vanavond is er geen angst om me te laten zien. Die angst die me zo onzeker maakt en mijn bewegingen verstart. In Maputo heb ik ontdekt hoe whisky me weer vloeiend kan maken, maar nu kan ik zonder dat inspirerende vocht. Ik leun met de rondjes van mijn billen op de rand van de tafel die als bar dienst doet. Ik hoor het gekletter van flessen in de metalen ijskist. Een grote kist vol staven ijs om het bier en de frisdranken koel te houden. Door een vinger over de tafel naar achteren te schuiven ontdek ik dat daar rijen glazen staan. Doordat ik mijn been naar links beweeg, voel ik een andere tafel. Zo kom ik te weten, dat er nog een staat, in een hoek van 90 graden. Een veilige, overzichtelijke situatie dus. Dat is mooi, denk ik. Hier zal iedereen langskomen om bier en eten te halen.
Daar zit ik dan. Op mijn huid voel ik de streling van de frisse, tintelende bergkou. In mijn oren het geluid van de stemmen om me heen, verderweg de muziek en nog verder de krekels. Altijd zijn er de krekels als de duisternis invalt.
Dan hoor ik haar stem en ik voel een glimlach om mijn lippen glijden. Dat gaat vanzelf, want ik vind het fijn om haar te ontmoeten. Ik ben ook opgelucht, want haar aanwezigheid betekent geborgenheid. Ik ben niet meer alleen. Stevig, warm, helder en vierkant is zij daar. Met een stemgeluid dat niet vanzelf naar binnen glijdt, maar voor me blijft staan, zodat ik even groot moet worden als zij. Van binnen danst en lacht het, want ik weet dat ze gaat vertellen. Op dat moment voel ik me op mijn gemak. Betrouwbaar is het gevoel dat daarbij hoort en onverwachte tederheid.
Zij vertelt. Ik luister; mijn hoofd wat scheef in aandacht. Mijn gezicht ernstig. Mijn bovenlichaam iets naar voren gebogen. Mijn linkerbeen is over mijn rechterbeen geslagen. Ik zit nu helemaal op de tafel. Door haar verhaal heen hoor ik de vrouwenstemmen, hoog en schril. Ze kwetteren en schetteren door elkaar heen. Het zegt alles over bang en onzeker zijn. Over geanimeerd moeten doen en zich eigenlijk verlaten voelen.
Er strijkt een arm langs mijn rug en mijn aandacht verplaatst zich. Ik ruik friet en bilokwe, vis met groenten gestoofd in bananenblad, heerlijk! De gastvrouw deelt eten uit, zij heeft ook een borrel voor mij geregeld. Haar stem maakt het beeld. Groot, slank, prachtig lang donker haar, smal gezicht, helder stralende ogen. Mijn hart wordt aangeraakt door de trots en de warmte die ze uitstraalt.
Mensen rukken op. Het wordt steeds warmer om me heen. Ze sluiten me in. Ze komen te dichtbij en ik voel mijn buik en mijn hart dichtgaan. Toch blijf ik zitten, vlakbij het eten ondanks al die lijven die duwen, trekken en stekelig aanvoelen. Ik probeer nog iets aardigs te zeggen, maar schrik van de onechtheid in mijn stem. Stil dan maar. Ik glimlach naar de gastvrouw, die daarop liefdevol een papieren bord in mijn handen schuift. Zij, die is gestopt met haar verhaal, brengt me een vork en ik ben haar dankbaar. Hoe zou ik in deze chaos een vork kunnen organiseren. Wat is het heerlijk om niet te hoeven vragen. Eigenlijk ben ik wel benieuwd naar hoe ik daar zit. Welk beeld ik oproep. Wat zien kijkogen, als ik zit, praat, lach, loop, zomaar ergens sta of dans? Wat maakt mij anders dan zij? Ik kan me niet aan hen spiegelen.
De massa verspreidt zich. Er komt weer ruimte om me heen. Ik beweeg me weg van de veiligheid van de tafel. Wat nu? Ik sta stil en luister. Daar hoor ik hem. Hij praat opgewonden en vrolijk en aan zijn manier van praten hoor ik, dat hij nog geniet van het eten. Ik verplaats mijn voeten over de ongelijke keiengrond in de richting van zijn stem. Ik hoop maar dat het goed afloopt. Dat ik niet in een kuil stap, me ergens aan stoot of erger, tegen iemand aan loop, die ik even niet had opgemerkt. Hij praat met mensen die ik niet ken. Als hij me ziet, word ik aan ze voorgesteld. Zo voorkomt hij mijn grootste angst op dit soort feestjes; zomaar in het niets staan en niet weten wat te doen. Ik glimlach en praat. Ook ik heb geleerd geanimeerd over te komen, als de situatie daarom vraagt.
Ergens vandaan, ongeveer schuin achter me, hoor ik muziek. Ik merk dat iedereen dezelfde kant op schuifelt. Ik hoor schrapende voeten en alle stemmen gaan in dezelfde richting. Zo kan ik ook die kant op. En daar is ze weer. Ze schuift een arm door de mijne. Door de beweging van haar heup voel ik dat we een trapje opgaan, dan nog een tree en we zijn binnen. We bewegen samen door de massa. Dan zet ik mezelf met mijn rug tegen een muur naast de geluidsbox, waarop ik mijn glas kwijt kan. De zanger pakt zijn gitaar. Door het geroddel dat er nou eenmaal altijd is in kleine gemeenschappen, weet ik wie hij is, ook al heb ik hem nog nooit ontmoet. Maar nu kan ik hem zien omdat zijn stem vertelt. Hij richt zich naar de mensen. Hij beweegt van binnen naar buiten. Met zijn stem maakt hij me bewust van de voeten waarop ik sta, van het lijf waarin ik woon. Met mijn oren lees ik de blik in zijn ogen: helder, vragend om aandacht. Hij is een spelend kind dat volwassen moet zijn. Hij weet dat iedereen hier, hem de mooiste man vindt. Diep van binnen roert zich het beest van opgewonden nieuwsgierigheid. Ik realiseer me dat ik hem wil kennen. Aanraken. Strelen. Met hem dansen. Zijn lijf ontmoeten. Flirten? Ik zou met hem aan de bar willen kletsen, met een arm om hem heen, over niets en alles. Ik zou zijn blik willen vangen en hem zo laten weten, dat ik hem zie. Ik zou met hem even stiekem in de nacht willen verdwijnen, om even heel dichtbij te zijn. Ik weet niet hoe maar zij, die nog steeds bij me is, leest mijn gedachten en zegt helder en direct: "Waarom ga je niet naar hem toe? Waarom ga je hem niet bekijken op jouw manier?" Ik durf niet. Ik weet dat het niet mag, zomaar iemand aanraken en omhelzen. En bovendien, wat zeggen ogen? Wat suggereert of bevestigt een aanraking? Het kan zoveel betekenen. Ik ben er te bang voor. Hier, in deze niet-aanraak¬cultuur, weet ik niet hoe ik een vrolijke flirt kan beginnen. Ik ken de codes, maar ze zijn niet van mij. Het spel van de ogen is niet mijn taal.
Als de muziek weer dreunt, zit ik samen met de warme-stem-vrouw op een stoel. Ik voel me alleen en stel voor aan de vrouw die aan de andere kant naast me zit, om te dansen. Ze pakt mijn hand, neemt me mee naar de dansvloer en zegt: "Ik zal je Afrikaans leren dansen," en ze beweegt haar heupen. Ik denk: "Och meisje. Eens was ik in Maputo en daar danste ik onder de maan. Nachten lang. Met warme, ronde, volle mensen, die ieder ritme, iedere streling met me deelden."
Ik ben blij als deze namaakdans afgelopen is. Ik heb dorst en ik loop met weer iemand anders naar de bar. Vrouwen vertellen me dat ik er mooi uitzie. Ik geniet. Dan ontmoet ik een man die zo zacht is als de vacht van mijn hond. Veiligheid is het woord dat in mijn buik opkomt en ik ga als vanzelf met hem mee terug naar binnen om te dansen. We pakken elkaars handen en ik herken. Na twee draaien verstaan we elkaar en ik voel zijn kracht. De rust en de eenvoud van zijn bewegingen vertellen mij over zijn zelfvertrouwen. Daardoor hoef ik niet groter of kleiner te zijn dan ik me voel. Het is voldoende zo. Zijn zachtheid maakt me rond en soepel. Ik draai op mijn eigen voeten in zijn stille, heldere aanwezigheid. Er is alleen de muziek en wij, die samen dansen.
Later zit ik op een bierkrat in het grint bij de bar, verwarmd door een vuurpot te kletsen met hem over niets en alles tegelijk. Ik kan hem nu verstaan. Ik heb zijn handen gehoord, zijn heupen gezien, zijn lijf herkend, zijn rust gevoeld. Ik lach en straal in het makkelijke genieten.
Als hij, wiens levensverhaal ik ken en deel erbijkomt, wordt alles voller en warmer. Met hem ga ik naar huis. In de auto steek ik mijn hoofd uit het raam om de nacht te kunnen ruiken. De queen of the night bloeit. De cassia’s geuren overweldigend naar limonade. Ik hoor de stille weidsheid en weet de miljoenen sterren. We rijden heuvel op, heuvel af. Als ik achterover leun, weet ik het weer. Mijn voeten. Mijn buik. De eenheid van mijn lijf. Gewoon daar blijven.
Dat is het en ik ontdek het steeds opnieuw. Ik ben mooi met mijn eigen taal. Mijn stralende lach, mijn oprechte aanraking, mijn heldere blik de wereld in. Ik zie alles.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website