Van de redactie


Onlangs werd ik thuis gefilmd. Het was de bedoeling om beelden vast te leggen van de verschillende manieren waarop ik – voor zover ik dat kan – een krant lees. Er was geen script voor de fragmenten die opgenomen zouden moeten worden. Enige voorinformatie ontbrak niet – die had ik in een telefonisch interview gegeven -, maar wat ik nog zie en hoe ik kijk moesten kort gepresenteerd worden. Bij wat ik vertelde werden – min of meer aan de hand van wat ik demonstreerde – beelden gemaakt, die later op een montagetafel tot een compositie gemaakt zullen worden. Uit wat ik steeds als mondelinge toelichting gaf, zullen geluidsfragmenten geknipt worden die als een voice-over bij de beeldmontage zullem klinken.
Er was een bedoeling en er was idee, Daarmee had ik mij voorbereid op de komst van twee mannen, een iterviewer en een cameraman. Ik had voorwerk verricht door na te denken over wat ik zou kunnen laten zien en hoe ik kort op te verwachten vragen zou kunnen antwoorden. Ik moest ook vooruit denken voor de plekken in huis waar gefilmd zou kunnen worden. Alles zou er – voor een juist beeld – werkelijkheidsgetrouw moeten uitzien, maar de cameraman zou eveneens bewegingsruimte moeten hebben om te kunnen kiezen voor goede gezichtpunten. Daar weet ik wel iets van, omdat ik vroeger zelf als amateur een beetje heb gefilmd. In mijn werkkamer zou die bewegingsruimte wel gevonden kunnen worden, echter na een opruimactie die ik als onvermijdelijk diende te aanvaarden. Soms is er een aanleiding nodig om werkzaamheden te verrichten waarvan het steeds maar niet wilde komen. Zo wist ik mij geplaatst. En ik ging een weekend aan de slag, alleen (daar had ik voor gekozen). Dat leverde een mij bevredigend resultaat op. Had ik dat maar eerder gedaan.

Er bleek bewegingsruimte voor de cameraman nodig te zijn. Hij plaatste voor een stabiel beeld tijdens het interview een breed uitstaand statief. En het duurde even voordat hij een gunstige positie vond in relatie tot het binnenvallende daglicht. Hierbij opende hij – na mijn toestemming gevraagd te hebben – de gordijnen die ik meestal gesloten houd om beter te kunnen zien. Nadat alles goed in positie was geplaatst, kon er gedraaid worden.
Korte vragen moesten prikkels opleveren voor een verhaal over mijn zien. Ik gebruikte om het mankement aan mijn ogen voorstelbaar te maken de vergelijking met een klassieke fotocamera, waarin nog een rolletje zat. Dat fotomateriaal is als het netvlies in mijn ogen en dat is erg slecht, terwijl de camera zelf in orde is zoals dat met mijn ogen verder ook het geval is.
De situatie waarin ik vertelde, bracht met zich dat ik tegen het daglicht inkeek en daardoor van het gezicht van de interviewer niet meer zag dan een niet ingevulde vlek. Reacties op mijn woorden ontbeerde ik, nu deze niet in hoorbare vorm werden gegeven. Ik wist dat voor deze opzet gekozen was en ging door met een vervolg op wat ik daarvoor gezegd had. De interviewer moest ik niet zien als een vertegenwoordiger van de toekomsige kijker naar de film. Het kwam erop neer dat ik mij tot ingebeelde waarnemers, veronderstelde belangstellenden, richtte. Mijn verhaal had ik zelf in de hand, ook al zou dat later nog gemonteerd worden. Dat gold ook voor de door mij gedemonstreerde hulpmiddelen, in het bijzonder voor de beeldschermloep waaronder ik mijn krant vouwde om een te lezen gedeelte vergroot op de monitor te krijgen. Op het filmen van mijn werkruimte met boeken en ander leesmateriaal en een veelheid van voorwerpen had ik geen invloed. De cameraman wilde kennelijk mijn leef- en leesomgeving in beeld brengen en ging daarvoor –geleid door zijn voorstellingsvermogen - zijn gang. Enige nieuwgierigheid naar het resultaat dat het geheel zou opleveren bekroop mij.
In de huiskamer toonde ik nog mijn iPhone en de mogelijkheden ervan als hulpmiddel en ik nam plaats achter mijn laptop voor een blik op de werking van vergrotingssoftware, waarmee ik digitale nieuwsbrieven van kranten kan lezen. De cameraman liep hierbij filmend rond. Voordat hij hiermee eindigde richtte hij, nadat hij dicht bij het raam was gaan staan, zijn camera naar buiten en verrichtte er een paar handelingen aan. De interviewer vroeg belangstellend wat hij deed. Hij antwoorde overbelichte beelden van buiten te willen hebben. Ik had eerder verteld wat ik ongeveer zie bij te veel daglicht door een vergelijking te maken met een overbelichte foto. Daarop is niet veel meer te zien dan verbleekte vlekken. En dat probeerde deze cameraman aanschouwelijk te maken.

30 November 2015, Jaap van der Hoest

***
terug naar de inhoudsopgave van Pointe
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website