ZELF ZIEN OF GEZIEN WORDEN


een column van Jean Bos

Hij was altijd al de kleinste van de hoop, Zacheüs, veel kleiner dan de anderen. Daarom werd hij als kind al gepest - je weet hoe hard kinderen voor elkaar kunnen zijn. Zijn broertjes en zusjes waren nog de ergsten; maar ook de leraren op school deden mee. En toen hij de leeftijd had bereikt, vroeg hij om ook eens iets te mogen lezen in de synagoge. Maar het hoofd zei tegen hem: 'Blijf jij maar bij je mama zitten, kleine'. Zacheüs werd er soms wat verdrietig van en zijn moeder moest er vaak om huilen. Het was toch niet zijn schuld dat hij zo'n klein postuur had.
Op school hoorde hij echter bij de besten leerlingen. Hij rekende als geen ander, kwam goed uit zijn woorden en kon alles netjes op schrift stellen. Geregeld vroegen de andere kinderen hem om hulp bij hun huiswerk, en hij vond het de gewoonste zaak van de wereld hen te helpen. Het pesten verminderde wel, maar in plaats daarvan kwam de afgunst, de jaloezie. Iedereen benijdde hem omwille van zijn goede cijfers. 'Dat zal allemaal wel verannderen', dacht Zacheüs, 'als ik maar aan het werk kan gaan en mijn eigen brood verdienen'.
Met energieke moed ging hij op zoek naar een job, maar viel dat even tegen! De ene deur na de andere werd voor hem dichtgegooid. Hij kon nochtans goede papieren voorleggen en was niet te beroerd om de handen uit de mouwen te steken. Maar wat hij ook kon aanbrengen, hij was gewoon nergens welkom. En alsof dat nog niet erg genoeg was, moest hij ook nog de lelijkste discriminerende opmerkingen aanhoren:
'Jij zoekt werk? Maar wie van de zeven dwergen ben jij eigenlijk, ventje'?
'Wij stellen geen kinderen te werk; kinderarbeid kan bij ons niet, dus weg wezen! En, o ja, de groeten aan Sneeuwwitje'!
'Jij moest nog op de schoolbanken zitten jongen. En nog een goede raad: eet niet te veel, anders zakken de paddenstoelen door hun stengels'.
'Wij hebben stevige venten nodig, geen zichtkaartjes zoals jij'.
'Vast werk hebben we niet, maar ik laat deze nacht de deur open, dan kun je een paar collega's optrommelen om bij ons te komen poetsen, de afwas of de was te doen. Want dat doen de kaboutertjes toch, niet'?

Op een dag sprak een tollenaar hem aan, een geheime vriend van de familie, die gezien had hoe Zacheüs overal afgewezen werd. Die bracht hem bij het hoofd van de belastingdienst en somde al zijn goede schoolresultaten op. Zacheüs mocht onmiddellijk beginnen, en het duurde niet lang of hij werd de voornaamste belastingontvanger.
Weer gingen de mensen hemm scheef bekijken, omdat hij nu in dienst was van de vijand, de Romeinen die het land bezet hielden. Maar dat zou hem een zorg zijn,want nu had hij de kans om die vroegere pesters eens een neus te zetten, en dat deed hij ook. Als iemand niet tevreden was met zijn inschatting, zei hij gewoon: 'Meneer, ik geloof u niet. Volgens mij licht u de staat voor 15 % op; dat is fraude. Ik taxeer u dus op zoveel. U hoeft het daar niet mee eens te zijn, maar dan komt u voor de rechter en dat kost u minstens het dubbele.'
Achter zijn rug noemden de mensen hem een afzetter, een verrader en nog veel meer, maar ze hadden geen keus; dus betaalden ze braaf, al deed het hen serieus pijn.

Op zekere dag hoorde Zacheüs dat Jezus in Jericho voorbij zou komen, die jonge Rabbi die de laatste paar jaar zoveel stof deed opwaaien in Israël en ver daarbuiten. Dat wilde hij natuurlijk niet missen, want de collega-tollenaars waren over het algemeen zo weg van Hem. Levi, een vroegere collega van hem, was nu een van Diens discipelen. Ja, een even opvallende als onverwachte gebeurtenis was het toen hij besloot het goede leventje vaarwel te zeggen.
Maar tussen het volk plaatsnemen was geen optie. Iedereen zou met opzet in de weg gaan staan, zodat hij niets te zien kreeg. Dat was het enige waarmee ze hem nog konden dwars zitten. Dus zorgde Zacheüs dat hij ruim bijtijds een strategisch plekje kon vinden. In een boom klimmen, dat was de oplossing! Zo zat hij hoog boven het volk op de uitkijk, gespannen afwachtend wat er zou gebeuren.
En ja hoor, daar kwam Hij. Het rumoer was al te horen eer hij Jezus nog kon zien. Wat een indrukwekkende stoet volgelingen! Niet te verwonderen dat de Farizeeën en Schriftgeleerden zo jaloers waren.
Maar hoe had hij het nu? Jezus bleef plots even staan, vlak bij zijn boom. Hij keek zowaar omhoog; en dan, als een zonnestraaltje op een donkere dag, Zijn stem: 'Hé Zacheüs, snel die boom uit man, want ik moet vandaag bij jou zijn'. Dat had hij nog nooit meegemaakt. Jezus wist dat hij daar zat; Hij zag hem, noemde hem bij zijn naam, kende hem blijkbaar; Hij wilde zelfs bij hem binnenkomen en de maaltijd gebruiken. Het hinderde hem helemaal niet dat Jezus Zichzelf uitnodigde. Iemand had oog voor hem als mens, gaf niet om zijn kleine gestalte of het feit dat hij een tollenaar was. Zacheüs z'n dag kon niet meer stuk.
Hij haastte zich de boom uit en rende naar huis om de ontvangst van deze hoge Gast voor te bereiden en al zijn werkmakkers uit te nodigen. Natuurlijk kregen de Farizeeën er lucht van, maar dat kon hem niet schelen, want op die dag veranderde heel zijn leven.
Een ontmoeting met Jezus blijft nooit zonder gevolgen. Zacheüs zag in dat hij in wezen een slecht mens was. Hij zou alles viervoudig vergoeden wat hij te veel geëist had, en met de helft van zijn vermogen zou hij de armen ondersteunen. Maar het mooiste van de dag was dat Jezus hem een zoon van Abraham noemde. Dat had nog nooit iemand vóór Hem gedaan.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website