Drie gedichten van Jaap van der Hoest


VASTLEGGEN


Twee personen staan.
Ik loop voorbij, ben passant.
D'een heeft een camera, en
d'ander staat voor de lens.
'Je hoofd iets naar links',
hoor ik vanachter de camera,
'en dan schuin naar boven'.
D'een draait, d'ander knipt.
Passerend maak ik een beeld.
In geheugencellen sla ik op.
Ik bewaar twee mensen, hoe
een camera betekenis geeft.

STATIONSDRUKTE


Mensen, veel mensen komen, gaan,
lopen langs elkaar en, het kan niet,
maar als de mogelijkheid zou bestaan,
lopen ze dwars door elkaar heen.

Een treinstation is een wereld van gekrioel,
van diversiteit, van snel passeren, hopen
dat het nog net lukt, botsinkjes en sorry, bijna
vallen over rollende koffertjes die van opzij,
getrokken en geduwd schrik bezorgen,
reizigers die blijvend blikken op schermpjes,
dopjes in of toestellen gedrukt aan hun oren.
Een 'kijk uit je doppen' klinkt, maakt boos,
lokt uit tot 'zou ik zelf maar doen'.

Luidsprekers schreeuwen uit boven
piepend remmen van treinen, boven geluiden
die uit hoeken en gaten lijken te komen
en van kinderen, roepend: 'Mama, mama-ha!'.

PROTEST


Boeren zijn boos, boos op
de regering, ministers en op
wie tegen is, tegen stikstof
die zij kwijt moeten, waarvoor
zij niet willen hoeven opdraven.
Generatie op generatie zijn zij
boeren, kenners van de natuur.
Slachtoffers zijn zij, eerlijk willen
zij overkomen. Koeienscheten
worden hen verweten, de natuur.
Tractoren hebben zij, werktuigen
die kunnen blokkeren, rijen dik
rijden zij richting Den Haag, centrum
van macht. Wordt de toegang belet?
Dan gaan moeiteloos hekken omver.
Ze gaan heen, dreigend met hun retour.


***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website