Drie korte verhalen van Hans Godfroid



Een bos uien


Moskou, juni 2019

Ingeklemd tussen een enorme Surinamer en een schrale studentikoze Rus worstelde ik met een degelijk verpakte Aeiroflot maaltijd met onzichtbare lipjes en onbuigzaam aluminiumfolie. De dikke buurman had niet genoeg aan zijn eigen stoel, het overschot van zijn welvaart puilde boven en onder de armleuning uit en zijn enorme armen en opvallend kleine handen ondervonden dezelfde problemen als ik om tot de onbestemde inhoud van de voerbakjes door te dringen zonder mij een linkse hoek te verkopen. Harry Potter aan de andere kant, smalle schouders, smal snoetje, karakteristiek brilletje, trok de lipjes open vanuit elegante polsgebaartjes en bracht de Russische snack zonder morsen naar zijn intellectueel mondje. Na deze exercitie dacht ik mijn stoel in een comfortabeler positie te laten vieren maar kreeg protest van de achterburen omdat alle afval van het plankje nu tussen de handbagage lag.
Vliegtuigromantiek, opgeluisterd door als majorettes verklede stewardessen. Oranje mantelpakje, oranje mutsje dat in een witte variant in de zestiger jaren hier te lande gebruikelijk was bij slagers en frietverkopers, witte handschoenen. Toen mijn zus het vliegtuig betrad, stak zo'n vriendelijke jongedame haar behulpzaam een wit geschoeide hand toe, wat mijn zus de opmerking ontlokte dat ze de indruk kreeg dat de majorette naar haar witte stok greep om er eens lustig mee te zwaaien en hem krachtig in de lucht te slingeren. Behulpzaam en vriendelijk, het moet gezegd, assistentie verlenend waar die niet persé noodzakelijk was, waardoor ons kleine gezelschap pontificaal met een elektrisch wagentje naar de bagagebanden werd vervoerd, met voorrang bij de loketten. Dat was de terugreis van Moskou naar Schiphol, we hadden 't eigenlijk wel verdiend na alle tegenslag op de heenreis. Dat begon al bij het aanvragen van een visum, want je passeert niet zomaar het roestige ijzeren gordijn. Bij vorige aanvragen spoorde ik eenvoudigweg met mijn paspoort en een duo recente pasfoto's naar 'Russia Travel' in Amsterdam Sloterdijk, was mijn papieren veertien dagen kwijt en na betaling van een paar tientjes waren de documenten voorzien van krachtige stempels, kleurige zegels en zwierige handtekeningen. Mijn zwager, we waren met z'n drieën, dacht er verstandig aan te doen dit maal gebruik te maken van de oerdegelijke service van onze eigen ANWB in Hilversum, maar kwam van een koude kermis thuis. De service beperkte zich tot aanwijzingen welke formulieren waar gedownload konden worden en zelfs die informatie bleek onvolledig. Na enkele pogingen diende er nog een extra formulier te worden ingevuld over de service van de Algemene Nederlandse Wielrijdersbond zelf, wat hem ertoe bracht om alle documenten van de balie te grissen, naar Den Haag af te reizen en zelf de spullen bij de visumcentrale af te leveren. De ANWB werd geadviseerd zich voortaan te beperken tot louter wielrijders. De kosten waren in de loop der jaren verviervoudigd wegens de toegenomen complexiteit van introductiebrieven, gefingeerde verblijfadressen en het visum zelf, verder leek alles in orde. Tot hij bericht ontving dat de hele handel door de Russische ambassade was geretourneerd wegens een overstelpend aantal aanvragen en opnieuw moest worden ingediend. Zes weken liep ik rond zonder identiteit, mijn rijbewijs is al lang verlopen. Een week voor vertrek steeg witte rook op boven Den Haag en konden de koffers gepakt worden. Ik een kleintje, zus en zwager een grote en dat hadden ze beter niet kunnen doen. Het gifgroene koffertje van mijn vrouw mocht mee als handbagage, die van hun moest in het ruim van de Airbus. Daar is hij nooit in terechtgekomen, nooit uitgekomen of is althans nooit verschenen op de bagageband in Moskou. Daar herleefde de oude Sovjet Unie in al haar glorie. Wat te doen? Ik vond een balie zonder opschrift. Met opschrift zou ik overigens niet veel wijzer zijn geworden wegens ontbrekende kennis van het Russische schrift. Een vijftiental reizigers had zich rond het meubel geschaard waarachter twee norse vrouwen blaadjes papier heen en weer schoven en valse blikken naar het publiek wierpen. Na een half uur stonden er nog steeds vijftien mensen voor ons, verrijkt met een kilo papier per persoon. Mijn anders zo pragmatische zwager kreeg het op zijn heupen en beende terug naar de vrijwel lege bagageband die inmiddels tot stilstand was gekomen, zonder er zijn koffer aan te treffen. Hij zou het wel vanuit Nederland regelen, dit was te bar. Zus en ik hadden het voordeel in onze jeugd regelmatig het theater aan de grens tussen Oost- en West-Duitsland te hebben getrotseerd en keerden terug naar de balie, die, o wonder, nog maar twee voorgangers toonde met echter veel noten op hun Russische zang. Eindelijk mocht Gerrit een formulier invullen nadat hij zijn bagagelabel had getoond, overhandigde trots het vodje dat niet meer bleek te zijn dan een toegang tot het volgende formulier waarop exact dezelfde vragen werden gesteld plus nog een paar andere. Helaas vergiste hij zich in de stippellijn. Zuchtend verfrommelde de hoogblonde, streng gebrilde benige schooljuf het kruiswoordraadsel, Gerrit verviel opnieuw in crisis, maar herstelde zich tijdig en het nieuwe exemplaar lukte. Twee identieke formulieren moesten op exact dezelfde wijze worden ingevuld, het kopieerapparaat is hier blijkbaar nog niet uitgevonden en de klus leek geklaard. Toch niet, er ontbraken wat noodzakelijke stempels. Daartoe had men een evenmin hulpvaardige dame achter een soort kantinetafel geplaatst met als enige bureauaccessoires een stempeldoos en een stempel. Gelukkig vond ze nog één vakje waar geen vinkje stond, het nut van haar bestaan was aangetoond.
Terug met gestempeld papier naar onze juf die inmiddels een andere klant toesnauwde. Na weer een kwartier ontving ze in haar goedheid de hele stapel en overhandigde een foldertje met uitleg over de rest van de procedure en, het moet gezegd, die drie uur vertraging leidde tot een nachtelijk berichtje dat de koffer terecht was en naar een vervoerbedrijf werd doorgeschoven dat op hun beurt contact zou opnemen wanneer de schone was zou worden afgeleverd. Intussen waren al nieuwe verschoningen van Chinese makelij aangeschaft, maar de koffer bevatte ook kaas, pindakaas en borrelnootjes als verrassing voor broer en schoonzus bij wie onze familiereünie plaatsvond. Zelfs de wokoliefles had niet gelekt in de twee dagen dat zijn verpakking zoek was. Intussen hadden wij elkaar al omhelsd, hadden de trein- en metroreis naar het appartement aan de Kutusovsky Prospekt afgelegd, de eerste nieuwtjes al gewisseld en de maag gevuld met vaste en vloeibare zaken. We hadden het nieuwe NOS-kantoor in een driekamerflat al bewonderd, een enorme begraafplaats bij een klooster bezocht waar veel BR-ers (bekende Russen) elkaar in versteende eeuwigheid aanstaarden boven hun laatste rustplaats en devote gedachten ontwikkeld in het fraaie klooster. We hadden al gegeten, siësta gehouden, weer gegeten en meegezongen op de vinylsingletjes die onze broer uit de nalatenschap van onze ouders had bemachtigd. Juls de Corte, Ja zuster, nee zuster, De wolf en de zeven geitjes en ander jeugdsentiment. Die eerste bezoekdag hadden we de wereld al verbeterd, alle familieanekdotes doorgenomen en afgesloten met een glaasje Rakia uit het geboorteland van mijn schoonzus Aleksandra, Servië.
Hoe onwaarschijnlijk het voor een gemiddelde Westerling ook mag lijken, ik voel me, eenmaal de grens gepasseerd, in Moskou volkomen op mijn gemak. Het is er druk, erg druk, er is verkeerslawaai, veel verkeerslawaai, maar op alle plekken die we bezochten, was de atmosfeer gemoedelijk, de gebouwen groots, de parken wijds en de winkelstraten luisterrijk opgetuigd met lampjes en andere frutsels. Rode Plein, Kremlin, men kent mij er onderhand, blijven indrukwekkende symbolen van tanende macht, overdekte markten, een bewijs van een toegenomen welvaart en wat er een vlooienmarkt heet, is niets minder dan een mini-Disneyland van een oud Russisch dorp waar in groezelige stalletjes nieuwe oude samovaars, vervalste iconen en valse accordeons te koop worden aangeboden tussen handgeknoopte industriële tapijten en er uit een raam een romantisch lied op de piano wordt gespeeld dat zo in dr. Zilvago opgenomen had kunnen worden. Honderden draaiende basilieken met uivormige torens speelden Kalinka of andere traditionals, bontmutsen zweetten er in de warme zon. Eerlijk, ik houd van kitsch en veel flanerende Russische gezinnetjes met mij. Ik hoop dat mijn kleinkinderen de muzikaal wentelende bos uien ook leuk vinden die ik het land uit smokkelde. Want hoe makkelijk vergeet je die startproblemen en de platvoeten en stalbenen die je oploopt bij een bezoek aan een metropool, als je samen met je familie, aangevuld met een zojuist uit Zweden ingevlogen Macedonische oom, gemarineerde schapenkoteletten en ander zelfbereide lekkernijen verorberd en het gesprek in drie talen een kwart van de wereld bestrijkt. Hoe ontspannen is het als één voor één slaperige koppen waaronder incompleet aangeklede lijven, de keuken binnen glippen voor de eerste kop koffie en een boterhammetje of, in een poging even met een luisterboek te ontsnappen aan de huiselijke drukte, één voor één een roker bij me op het zonovergoten balkonnetje verschijnt om me van mijn lectuur af te houden. Twee katten sluipen af en aan net als 's nachts rond mijn kermisbed en ik opschrik als er één in een mislukte vliegpoging in een krakende hoop papier landt. Dan is het thuis in Kedichem maar stil. Toch zal ik nooit wennen aan die permanente stroom overdadig uitgestulpt autostaal, of dat nu Mercedes of Rolls Royce heet, aan honderden mensen om me heen, voortgejaagd in de prachtige metrostations. Ik ben geen stadsmens, maar voor een familiereünie heb ik dat graag over, inclusief al dat grensoverschrijdend ongemak.

Dood spoor


Vreedzaam ploegt een dieseltrein door de akkers en boomgaarden van het Bataven eiland, daalt zuchtend van de brug die ternauwernood bedwongen werd en glijdt naar zijn definitieve bestemming, het stootblok van het verlaten station. Het hoofd van de enige reiziger wiegt op de maat van de overgang van iedere spoorstaaf naar de volgende, zijn blik richt zich al jaren niet meer naar het smoezelige venster. Hij herinnert zich een vergeelde foto van een verleden strand, een afdruk die eens één zijde van de schuifdeur sierde tussen het compartiment en het balkon, aan de andere zijde zijn de wieken van een molen al lang tot stilstand gekomen. Traag rollen de vaalblauwe wagons achter de rode strepen van de motorwagen aan, ze aanvaarden ieders lot nooit een traject in omgekeerde richting te zullen afleggen. Het ronken valt stil als de eerste huizen van het eindstation gepasseerd worden, schokkend schuift de trein over de laatste wissel naar zijn remise. De reiziger tast naar een zwaar pak op de bank tegenover hem, opdat het niet vallen zal door de schok van het remmen. De banden glijden om zijn schouders, hij neemt zijn hoed uit het bagagenet en plaatst hem op zijn grijze vlerken, hij duwt met kracht de schuifdeur opzij en ontgrendelt de deur naar het perron. De rook van de stervende stalen spoorkoets slaat de reiziger in het gezicht als hij over het ongelijke tegelplateau naar voren loopt, de trein blaast zuchtend de laatste adem uit.
Het oude station is verlaten, in de gebouwen waarin reisbiljetten werden verstrekt, reizigers op houten banken bij een olie gestookte kachel met de blik op de grote klok hun trein afwachtten, waar geüniformeerde beambten aan hefbomen trokken en aan telefoontoestellen draaiden, heerst nu stilte. De perrons waar handkarren volgestouwd met bagage klaar stonden voor transport, zijn leeg en hebben amper nog herinneringen aan de drukte op het uur dat een trein aangekondigd werd. Verdorde grashalmen sprieten uit de vervuilde laag ballast tussen vermolmde dwarsliggers, kruipend kruid groent tussen tegels en klinkers. De verbleekte gele verf op kozijnen bladdert in schilfers en blazen, in de hoeken legt houtvraat het ingewand van de dorpels bloot. De vuile vensters zijn afgeplakt met vergeelde kranten van jaren her en verhullen nauwelijks het stof en de gordijnen van spinrag die de omver getrapte kantoormeubelen bedekken. Alleen de gevels van rood baksteen met gele banden en gesneden voegen staan fier overeind, omhoog trappend als een kleine koopmanswoning. Een metalen hek van recenter datum vormt de afscheiding met de verlaten straten van het dorp dat zich achter het complex van geteerde houten goederenloodsen en golfplaten rijwielstallingen schuil houdt. Geen wandelaar, geen fietser, geen voertuig doet de losse klinkers rammelen, alleen de vogels pikken naarstig zaden tussen de stenen uit en betwisten elkaar krijsend hun buit. Rij na rij is er geen leven in de woningwetwoningen, heerst er wanorde in de eens zo goed onderhouden tuintjes en strak geschoren hagen. Vanaf de dijk strekt zich het groene tapijt van de uiterwaarden uit en glinsteren de meanders van de brede, traag van oost naar west vloeiende rivier. Basalten vingers verwijzen nodeloos de lome stroming naar het midden van het water. Links moet de gekartelde lijn van de stalen brugconstructie zijn, uitgestrekt tussen de grazige zuidoever en de beboste zanderige heuvel aan de noordzijde. De dijk buigt af naar de toerit van de brug. Het plaveisel lijdt aan een zwerende ziekte. Scheuren en blaren verbrokkelen het eertijds gladde zwarte oppervlak tot een afgeworpen melaatse slangenhuid waarop zelfs de reiziger, die toch stevig schoeisel draagt, moeite heeft om zich staande te houden. Er is geen andere verbinding met de overzijde. De pontveren zijn lang al uit de vaart genomen en liggen in hun wiegelende spiegeling aan een meerpaal hun verdere jaren te verroesten. Ook hier zijn het de vogels die het water en het land hebben bezet. In zwermen dalen ze neer op graslanden en poelen en maken hun aanwezigheid kenbaar door vleugelgespetter, snavelgeklepper en elk met hun eigen roep terwijl de reiziger voort strompelt naar de brug, naar de overzijde, naar het andere land. Op het brugdek is het asfalt verdwenen en klotsen de stappen van zware schoenen de reiziger over het planken wegdek naar de overzijde. De leggers en dwarsverbindingen, de schoren en stutten omkaderen het zicht op de heuvel, telkens verschijnt en verglijdt het beeld van een willekeurige verzameling bouwsels tegen de helling achter de rivier, opgeschoten uit de schrale bodem van voortgestuwd zand. De constructie ruikt naar roestig ijzer en oude olie, tussen de planken kiert diep en onscherp de lome golfslag van het water dat met elke krakende stap verder overbrugd wordt. Aan het einde van de ijzeren tunnel is de overzijde een feit, het andere land bereikt, de grazige graslanden behoren tot het verleden. In welk tempo zouden de wijzers van het uurwerk op de spitse toren hier de tijd voortduwen? Een zandweg volgt de rivier en aarzelt om zich naar de stijgende straatjes van het stadje te richten dat zich eerst behaagziek van alle zijden laat benaderen voor het uiteen zal vallen in details als eenmaal de poort gepasseerd is. De torenklok slaat drie maal, het teken waarop de andere geluiden hebben gewacht, een zwellend geruis van saamgeklonterde klanken. De reiziger keert de buiging van de stroom met zijn fluwelen kragen de rug toe en gaat het stadje binnen waar de geluiden hem zullen omringen als bewijs van de aanwezigheid van enige vorm van leven die, aan de overzijde, ondanks de stijgende en dalende vogelzwermen, zo drukkend afwezig was. Hier althans is het geluid, zijn de klanken, afspiegeling van bedrijvigheid, soms nabij, rakelings zelfs, soms verwijderd. Ratelen van houten wielen, klepperen van klompen en beslagen hoeven en af en toe het ploffen en grommen van de verbrandingsmotor van een automobiel. Het verwondert de reiziger al lang niet meer dat hier slechts geluiden wonen en niet de mensen, dieren en dingen die ze veroorzaken. De afwezigheid ervan in de gestolde tijd van de overkant, beklemde meer dan de afwezigheid van het menselijk bedrijf in zijn vertroebelde blik. Tussen de lage huizen van de stadsrand stijgen de stegen naar de hoofdstraat met zijn trotse gevels en brede bordessen. Hier ook veranderd de klankkleur, valt uiteen in afzonderlijke secties als van een symfonieorkest. Hier de violen van de menselijke stem, daar het koper van wringend metaal, overal het slagwerk van hoeven, klompen, het kloppen in de werkplaatsen en het bellen van het carillon. Aan de overzijde weer smalle straten die oplopen naar de beboste zandheuvel. Het licht wordt getemperd, geluiden gedempt als de reiziger het stadje achter zich laat en de vilten paden van het bos betreedt. Wolken schuiven voor de schuchtere zon en een plechtige stilte daalt over de kathedraal van pilaren stammen en bladeren koepels. De gewijde stilte verschilt van die van de krijsende vogels, hier is de stilte week , onderbroken door een toenemend ritme van de fluisterende hartslag en de luchtstroom van de hunkerende ademhaling. Het versmallende pad stijgt steeds sterker, de neergeslagen blik lijkt iedere volgende stap in te schatten. Bladeren en twijgen strelen, stekelige ranken bijten in armen en benen, totdat daar boven, verdeeld door een opgericht kruis het venster van een woeste hemel gloort. De dalende zon strijdt met zwaar beladen wolken, werpt haar spiesen in de lucht en stoot haar balken naar de aarde, de hemel boven het verre bos staat in brand. De reiziger daalt af over een breed zandpad, omzoomd door akkerland van goud beschenen halmen. De wit gepleisterde gevel van een kleine hoeve torst een zware rieten kap, een hond blaft, een paard briest, de huiselijke geur van houtrook en mest drijft aan over het pad en leidt de reiziger die zijn pas versnelt. Het pak op zijn gebogen rug gaat wegen, de leren banden snijden in het vlees van zijn schouders, de zware schoenen beknellen zijn voeten, zijn adem condenseert tot dampwolkjes in de kilte van de valavond. Zijn krachten lossen op in de verkortende afstand naar zijn logement van die nacht waar men hem één dezer dagen wacht met het pak dat hij van zijn rug zal laten glijden en op de zware houten tafel zal plaatsen. Kinderstemmen zullen hem verleiden om de kist te openen nog voordat hij het bord met pap mag aanraken dat hem is voorgezet. Op de plattebuiskachel zal de brij pruttelen in een koperen pan waar de moeder met toewijding in roert. Glimlachend zal hij de verleiding weerstaan om gehoor te geven aan de beden van de jongsten, de behoeften van zijn maag tellen zwaarder. Dan zal het moment gekomen zijn om de banden en gespen los te maken en het zware deksel van de kist te tillen en zullen nieuwsgierige ogen begerig de kleurige inhoud verslinden. Dat alles ziet de vermoeide reiziger voor zich op de laatste meters tot de hoeve. In de kleine stal hoort hij tevreden kreunen en het schuren van koeienlijven langs de staken, het kletteren van hun overtollig water in de grupgoot. De warme geur van mest en stro omhult hem als hij de klink licht van de stal en tussen een dubbele rij nieuwsgierige koppen over de schemerige deel naar de keuken schuifelt. Nog voor hij het einde van de stal bereikt, wordt de deur geopend en hoort hij het rinkelen van vaatwerk en het klateren van kinderstemmen. Een zware hand wordt op zijn schouder gelegd, het is alles zoals hij het zich voorstelde omdat hij hier zo dikwijls aankwam, omdat zijn voeten zich als vanzelf richtten op dit reisdoel. Hij heeft niet de stok van node om zijn weg af te tasten, hier volstaan de geluiden en de stiltes. Toch is dit zijn laatste reis. Hij nam de laatste trein, hij liep door de verlatenheid van het dorp bij de uiterwaarden, het zal alles sneuvelen onder de slopershamer net als de vervallen brug waar al geen voertuig meer passeert. De draad tussen zijn woonstee en dit warme nest is doorgesneden. Het lege bord wordt weggenomen, op de niet gestelde vraag schudt hij het hoofd. De stoelpoten krassen als hij opstaat en, omringd door de ademloosheid van de kinderen, theatraal het zware deksel van de kist neemt. Met een vriendelijke vermaning vermijdt hij dat grijpende handjes de orde van de inhoud verstoren, neemt er zelf één voor één de voorwerpen uit en toont ze aan zijn publiek. Hij prijst de kleur, de kwaliteit, de structuur en de bruikbaarheid en plaatst ze onder de lamp op de tafel als in een etalage van de winkels waar deze mensen nooit zullen komen. Als laatste neemt hij voorzichtig een houten doosje uit de kist, klapt een kleine slinger uit en windt de speeldoos op. Ronde klanken van een volksmelodie rollen door het lage vertrek. Na een droge klik valt de verbijsterde familie stil, echter niet voor lang. Want de kinderen smeken om nog eens en nog eens het grendeltje te mogen lichten en samen een vrolijke dans rond de tafel te maken. En de reiziger gehoorzaamd welwillend keer op keer hun beden, zijn eigen benen willen ook de pasjes maken en hij grijpt hun handjes en tolt de kamer rond tegen stoelen en kasten botsend zonder dat het iemand stoort. Dan vraagt een zware stem naar de prijs. Lang denkt de reiziger na, hij strijkt met zijn hand beurtelings over het speeldoosje en over zijn kin, voor hij een besluit neemt en vertelt het hen. Hij zal het ze ten geschenke geven als aandenken aan de vele vrolijke bezoekjes die hij hier bracht, als dank voor de nachten die hij hier mocht doorbrengen en de maaltijden waar hij mocht aanzitten. Dit is immers zijn laatste reis. Dankbaarheid strijdt met verslagenheid, men pakt zijn hand, kinderlijfjes dringen zich aan hem op, hij streelt hun zachte haren.
Die avond wordt er veel gesproken. De kist is gesloten, de inhoud gehalveerd, immers in deze verlaten streek moet men voorraad aanleggen voor de komende winter. Laat, als de kinderen naar zolder zijn en de eregast in de bedstee naast de haard te rusten is gegaan, wordt het licht gedoofd. Grote zuchten en malende kaken klinken door het dunne beschot tussen de woning en de stal. De nacht heeft zich gevlijd over de uiterwaarden, de heuvels, de akkers en het bos. Een dunne nevel hult het bos in négligé, de roep van de uil wordt gedempt in het dons van de doorzichtige damp. Tot aan de ochtend, wanneer emmers rammelen, koeien loeien en schrapen om hun voer, is de wereld verborgen achter matglas. Stralen melk laten de koperen ketel zingen in tweetonige zang. Vanuit de keuken kruipt de geur van verse koffie onder de reet in de deur door en mengt zich met de stromest en de melk. De boer schuift van het ene warme lijf naar het andere nadat hij de schuimende witte vloeistof in de teems heeft gezeefd en de melkbus zijn bollende roodkoperen buik vult. De moeder smeert boter op dikke boterhammen, zo dadelijk ontwaken de kinderen en zal ook haar gast aanschuiven aan haar tafel. Als iedereen rond het ontbijt verzameld is, prevelen zes monden een kort gebed mee op de sonore stem van de boer. Vrolijke stemmen praten over de komende dag en de verleden nacht, over plannen en dromen. De reiziger is stil, hij luistert slechts, hij kent zijn eigen plannen niet en verzwijgt zijn dromen. Dan staat hij op, dankt zijn gastheer en gastvrouw voor het onderdak en de maaltijd, gespt zijn lichte last om zijn schouders en verlaat de hoeve, een eindweegs vergezeld door de kinderen. Als hij het smalle pad door het bos zoekt, voeren ze hem tot de eerste stammen waar zijn passen nog onzeker zijn en allengs doelgerichter het tapijt van dennennaalden volgen. Weer bestijgt hij de heuvel, weer daalt hij af in het stadje en zoekt zijn weg door de drukte. Hij grijpt de ijzeren brugleuning om niet te struikelen over de blaren in het wegdek en kiest de met klinkers geplaveide weg over de dijk naar het verlaten station. Met een zakdoek veegt hij het zweet van zijn voorhoofd, de zon perst zijn laatste krachten van dit jaar door de wolken, het is vochtig en warm. Hij vindt het stalen hek bij het station en steekt over naar het perron waar de vermoeide trein op hem lijkt te hebben gewacht. Soepel glijdt de deur open als de gladde vergrendeling omlaag wordt gedrukt en een flinke stap moet worden genomen naar de twee treden tot het balkon. De geur van oude olie zit in elke porie van het hout van de lambrisering en in de stof van de bekleding. De bank kraakt als de reiziger eerst zijn kist neerzet en dan zelf gaat zitten. Hij wendt zijn lege blik naar het smoezelige venster en wacht, wacht tot de tijd eindelijk stilstaat in de trein die nooit zal vertrekken.

3. Mariage champetre


Op deze pagina's had een impressie moeten staan van een heroïsche tocht op de fiets van Laignelet in Bretagne naar Kedichem in …, enfin dat weet u wel. Een tocht die meer dan een half jaar voorbereiding vergde qua organisatie, planning en training en die de noodzakelijke uitdaging van het jaar zou vormen om het bestaan richting te geven. 'Had moeten', inderdaad, want die impressie is niet geschreven omdat een virus dat bij kinderen waterpokken veroorzaakt, een volwassene voor enkele maanden kan veranderen in een slappe vaatdoek voor wie een rondje gemaal al verworden is tot een Olympische prestatie. Overigens zou dit traject niet voor 't eerst befietst worden, een jaar of tien geleden werd een ploeg van vier Kekummers feestelijk ingehaald in het Franse dorp, die de reis in omgekeerde richting had afgelegd in aanzienlijk minder tijd dan mijn planning was.
Goed, geen ontberingen dus op Franse, Vlaamse en Nederlandse wegen, geen zoektochten naar nachtlogies, geen opmerkelijke ontmoetingen, wat bleef, was een periode van vijf dagen, waarvan twee gevuld werden door het huwelijk en de bruiloft van Solenn Marochain, mijn zelfbenoemde 'adoptiedochter' en Romain Plénet, rechercheur te Parijs, tevens afkomstig uit de streek rond Fougères. Twee jaar geleden kondigde Solenn me haar huwelijk aan, Romain was tijdens een vakantie in Canada ten overstaan van vrolijk spuitende walvissen op de knieën gezonken en had haar hand gevraagd. Kwam daar de nieuwbakken wereldburger Raphael nog even tussendoor, maar op 23 augustus 2019 zou het er dan toch van komen. Als een schim van mezelf liet ik me door mijn dochter en schoonzoon tussen de koffers en tassen naar Laignelet vervoeren, Kedichem, waar juist een bus met Fransen was aangeland, in dolle feestvreugde achterlatend, men vierde er het 20-jarig jubileum van de vriendschapsbanden tussen beide dorpen, waarover elders in dit blad meer. Voordeel van dit toeval was dat we de woning van Céline, de Franse voorzitster, ter beschikking hadden als uitvalsbasis voor de verschillende stadia van de huwelijkse ceremonieën, want een 'mariage champetre' duurt niet één dag, niet een dag en een nacht, maar twee volle dagen en nachten. Noodgedwongen had ik als voorwaarde gesteld dat ik op elk moment moest kunnen afhaken.
De grote dag brak aan. Op de zonovergoten parkeerplaats naast het piepkleine gemeentehuis van Laignelet verzamelden zich meer dan honderd feestelijk geklede bruiloftsgangers, bruid en bruidegom arriveerden te voet vanuit het ouderlijk huis. Door onstuimige omhelzingen, traantjes, schouderklopjes en andere begroetingen werd de troep met een half uur vertraging naar een zaaltje geleid waar hoogstens vijftig mensen in pasten, driekwart kon er niet in. Bij afwezigheid van burgemeester André Philipot, die immers in Kekum linten moest doorknippen, voltrok Colette Pendrichs het burgerlijk huwelijk in een half uurtje, vervolgens stak het gezelschap de straat over naar de ruime en koele kerk midden op de Bourg. Geschuifel, gemompel, nog wat begroetingen, stilte. Het orgel begon te spelen, de gasten stonden op, Romain werd aan de arm van zijn moeder binnen geleid, gevolgd door een stel olijke bruidsmeisjes, dat bordjes omhoog stak met bemoedigende teksten als 'je kunt nu nog terug', 'weet waar je aan begint', 'je kunt ook nee zeggen'. Daar schreed mijn vriend Christian, gepensioneerd boswachter, binnen met aan zijn arm zijn oogappel, Solenn in witte bruidsjurk met sleep, beiden met een plechtige uitdrukking op het gezicht, beide ontroerd. Twee kleine karaktervolle mensen die ik ruim twintig jaar ken en met wie ik een hechte band heb mogen opbouwen. Een vriendelijke priester lichtte de betekenis van een kerkelijk huwelijk toe, er werd gezongen, gebeden en er werd getrouwd. Anderhalf uur later brandde de zon onbarmhartig op het plein voor de kerk waar desondanks iedereen met het bruidspaar op de foto wilde en de dienstregeling opnieuw geweld werd aangedaan. Ons drietal smachtte inmiddels naar koffie en dook een bar in bij Fougères. We hadden een adres en een navigatiesysteem. Het landschap heuvelde omlaag naar de kust, de Mont Sint Michel schitterde majestueus in zijn baai. We sloegen af naar een laan met oude bomen, een poortgebouw, een landgoed, een kasteel: Onze feestlocatie.
Er zou getoast moeten worden op de heugelijke gebeurtenis, maar de aankomst van de gasten was zo verspreid, het terrein zo groot en het bruidspaar vrijwel onvindbaar, dat er gemiddeld al twee glazen bubbels in dorstige kelen waren verdwenen voordat er iets als een heildronk kon worden uitgebracht. Een blaasorkest stond zich in het zweet te toeteren, groepjes bekenden en familie verspreidden zich onder schaduwrijke bomen en de tijd vergleed al richting de tweede middaghelft voordat er beweging in de troep feestvierders kwam. In een grote, feestelijk gedecoreerde schuur waren tientallen tafels gedekt. Een lijst met kruidennamen verwees naar de tafel waar men plaats mocht nemen. Ik werd van mijn Nederlandse familie gescheiden en mocht plaats nemen bij de Franse, een hele eer. De temperatuur steeg, het menselijk gedruis vulde mijn hoofd en na de amuse, de eerste stukjes en het eerste gerecht had ik mijn taks bereikt. Door Eline en Kevin werd ik naar mijn logement vervoerd, viel op bed en bracht een onrustige nacht door. De belangrijkste ceremonies had ik in elk geval in de pocket.
Het diner en de stukjes duurden tot laat in de avond voort, gevolgd door allerlei vormen van animatie tot aan de volgende ochtend. Gasten overnachtten in campers, tenten of hadden een kamer in de bijgebouwen van het kasteel gereserveerd, of ze sliepen, betwijfel ik. Mij ontbrak het niet aan huiselijke rust, ik had tot het einde van de volgende ochtend een heel appartement voor mezelf, tot ik door mijn familie weer zou worden opgehaald. Op weg naar het landgoed werd me verteld wat ik allemaal gemist had, het speet me niets gezien de belabberde toestand van mijn gezondheid. In de uitnodiging werd niet vermeld wat het programma van die middag was, ongetwijfeld zou het iets met eten en drinken van doen hebben in minder formele sfeer dan de dag ervoor. Groepjes feestgangers dwaalden naar de tafels in de schaduw van monumentale bomen, een buffet stond opgesteld, bijdragen van verschillende vrienden en familieleden aan het feest. Brood van de bakker uit het Forêt de Fougères, salades van de tantes, cider van eigen boomgaard en nog veel meer zelfgemaakt lekkers. Ik werd aan een tafel met dames geïnviteerd die hun Engels eens op mij wilden uitproberen, maar schoof allengs op naar de buren, gezellige pensionados die het lied 'hula, hula' al hadden ingezet, een lied dat dikwijls in Kekum heeft weerklonken. Hier was het gezellig, men maakte grappen, men zong, men zette bomen op. Ik sprak met voornoemde bakker die ik met Christian ooit had opgezocht in zijn houtgestookte bakkerij, ik kletste wat met de man waar we ooit een apéro dronken op weg van de bibliotheek van Fougères naar huis, een weg vol met dergelijk oponthoud, ik sprak met Henry-Pierre Tiercin, zoon van de oud-burgemeester wiens accordeon ooit in De Stoof klonk. Met de laatste deelde ik mijn ervaringen in Nepal waar hij met zijn vrouw, die nu Engels aan het leren was, in dezelfde tijd als mijn dochter en ik, een tracking maakte. En daar was papi, de vader van Martine, moeder van de bruid. Nog net zo klein, nog net zo broos maar met dezelfde grijns op zijn ronde hoofd. Wat 'was toch dat drankje dat ik vorig jaar bij u kreeg?' 'Was dat calva?' 'Nee, dat zou ik onthouden hebben.' 'Was het ….,' hij dacht na, de rimpels in zijn appeltjeshoofd verdiepten zich. 'Was het pommeau?' Verdraaid, dat was het toverdrankje dat Christian en mij met aanzienlijke snelheid op de fiets door de heuvels naar huis voerde, waar Martines middagmaal vol ongeduld op ons wachtte. Zijn grijns verbreedde zich. Hoe het beviel in zijn aanleunwoning? Hij keek bedenkelijk. 'Ik mis mijn auto, maar het ging niet meer.' De tafel werd uit de schaduw geschoven, het zonlicht in. Een zachte wind voerde koelere lucht van zee aan. Even een moment voor Solenn en Raphael en al gauw ook voor Zoë, Maille en Eline, de nichtjes. We gaven haar ons cadeau, drie pluche beesten in plaats van een bijdrage aan een safaritocht. Veel te gevaarlijk. Aanvankelijk vatte ze de hint niet dat de werkelijke waarde van de dieren in hun binnenste zat, later kreeg ik een foto waarop ze met de beestjes speelde nadat ze hen had geopereerd. We moesten palets spelen, twee mannen deden het voor. Metalen schijfjes op een plaat werpen zo dicht mogelijk bij een kleiner schijfje. Dat daar allerlei hand-, pols-, schouder- en kniebewegingen bij dienden te worden gemaakt, spreekt vanzelf en dat wij dat niet konden ook. De middag liep ten einde, het feest zou worden verplaatst naar La Blanche, het terrein met de oude boerderij waar papi tot voor kort resideerde. Eline en Kevin pakten hun tent in, ik werd weer afgeleverd in de Rue du Champs Dorange in Fougères en wachtte tot mijn gastvrouw Céline zou arriveren, terug van vijf dagen Kedichem, waarschijnlijk net zo vol verhalen als ik zelf.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website