Geheim interview met Voorzitter Zwerfvuilbond

een verhaal van Dani van Doorn

Vandaag heb ik een wel heel bijzondere opdracht te vervullen: een geheim interview met een of andere bobo uit de vuilniswereld op een voor mij onbekende plaats.

Ik moet me melden bij een bedrijfspand aan de Kade en wordt via allerlei gangen naar een donkere ruimte achteraf gevoerd. Hier zal het interview met de voorzitter plaatsvinden, begrijpelijkerwijze zonder verlichting. In de donkere kamer hangt een muffe lucht. Op de tast vind ik een stoel en zet mijn recorder met batterijvoeding naast me op de grond. Ik vraag me juist af hoelang ik nog moet wachten, als plotseling een diepe stem tegenover me zegt: ‘U zult er geen spijt van hebben dat u vanavond hier gekomen bent.’

Nadat ik van de schrik ben bekomen, zet ik de recorder aan en vraag: ‘Wie bent U?’
‘De voorzitter van de Bond tot Verspreiding van Zwerfvuil.’
‘De Bond tot Verspréíding van Zwerfvuil?’ herhaal ik vol afkeer, ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord…’
‘Wij zijn in feite ook een geheim genootschap. Maar de tijd is rijp om een tipje van de sluier op te gaan lichten.’

Ik schraap mijn keel eens. Het valt niet mee om met een onbekende in een donkere kamer te verblijven. Vooral niet als die onbekende ook nog zo’n onfrisse lucht bij zich draagt.
‘En wat precies is het doel van uw bond?’
‘Dat lijkt me duidelijk: het verspreiden van zoveel mogelijk zwerfvuil over Eindhoven, met als pilotproject uw wijk.’

Verbijsterd vraag ik me af wie ik tegenover me heb. Of eigenlijk; wát ik tegenover me heb. De stem van de voorzitter heeft zo’n holle metalen klank…
‘Kunt u dat uitleggen?’ vraag ik bij gebrek aan beter.
‘Jazeker, het is ons streven dat de straten bedekt zullen worden met een enkelhoge laag vuilnis van diverse oorsprong. Ik denk hierbij aan textiel, voedselresten, onderdelen van apparaten en meubelstukken, en zelfs aan chemisch afval.’
‘Maar dat is toch smerig!’
‘Nee hoor, dat is juist erg prettig,’ antwoordt de stem tegenover me op zelfvoldane toon. ‘Het geeft een heerlijk gevoel om onder het opwekkende geluid van rinkelend glas en ratelend blik door de rotzooi heen te waden. En de geur van een dergelijke samenstelling is bedwelmend lekker.’

Ik krijg de neiging te kokhalzen, ook omdat de onaangename lucht die van de voorzitter zelf uitgaat steeds doordringender wordt. Mijn laagje beleefdheidsvernis begint hier en daar af te bladderen en enigszins vinnig zeg ik: ‘Ik kan me niet voorstellen dat daar iemand op zit te wachten!’
De voorzitter is door deze opmerking in het geheel niet uit het veld geslagen. ‘Oh, maar dat hebt u helemaal verkeerd en als u een beetje nadenkt, weet u dat ook wel.’
‘Hoezo?’
‘De mensen willen niets liever. Ze doen vóórkomen alsof ze van netheid en orde houden, maar als u goed oplet, ziet u dat iedere kans om zwerfvuil te creëren met beide handen wordt aangegrepen. U weet zelf wel dat er tegenwoordig regelmatig kledingstukken en dergelijke rondzwerven.’

Nu is me dat inderdaad opgevallen, overal zie ik handschoenen, paraplu’s en sjaals liggen.
De voorzitter dreunt verder: ‘Dan weet u ook dat bijna niemand meer moeite doet om verloren voorwerpen terug te vinden. Men ziet ze liever op straat liggen.’
‘Nou, ja,’ reageer ik schamper, ‘als dat u enige argument is…’
‘Ho, ho, ho,’ galmt het door het donker.
(en ik vraag me af welk stuk zwerfvuil de voorzitter zelf is),
‘Ik heb nog meer bewijs. Hoe vaak komt het niet voor dat er grof huisvuil langs de straat wordt gedumpt en vervolgens wéken blijft liggen? U weet precies waar ik op doel.’
Ik brom wat terug, niet van plan om deze onsympathieke… (ja, wat ís het eigenlijk?) ergens gelijk in te geven.
De van sigarenrook doortrokken stem gaat door. ‘Die televisieachterkant, bijvoorbeeld, hoelang heeft die niet op straat gelegen? En iedere dag verspreidde zich meer losse onderdelen. Terwijl het een kleine moeite was om dat ding in de grijze container te gooien of, beter nog, de gemeente te bellen. Men verschuilt zich dan achter het argument ‘Ik heb dat ding daar niet neergegooid’. Maar is dat niet het bewijs dat men eigenlijk graag zwerfvuil wil?’
Onwillig mompel ik: ‘Ach, één zo’n ding…’

‘Ik ben nog niet uitgesproken,’ onderbreekt de voorzitter me enigszins driftig. Ik vermoed dat hij een opvliegend karakter heeft. Is het soms een oude oliedrum?
‘Ik kan u zo nog meer voorbeelden geven. Wat dacht u toen enige tijd geleden het oud papier tevergeefs op ophalen wachtte? Na een week werd duidelijk dat het verzamelen nog veertien dagen op zich zou laten wachten, maar werden toen alle dozen en zakken binnengehaald? Een kleine moeite tenslotte, hooguit een minuutje werk. Maar nee, integendeel! Want van de dozen die bleven staan, verspreidde de inhoud zich langzaam over de straat zonder dat iemand zich hier iets van aantrok. Nu moet u mij nóg eens vertellen dat de mens in zijn hart niet het liefst de hele wereld bezaaid ziet met zwerfvuil.’

Ik blijf me koppig verzetten tegen deze redenatie: ‘Ik ben nog niet overtuigd.’
Door de kamer klinkt een irritant roestige lach. ‘Kom, u moet niet zo hypocriet doen, hoe lang duurt het voordat u die plastic zakjes opraapt die regelmatig in uw voortuin terecht komen, terwijl dat toch ook maar een klein karweitje is?’
‘Uh …, een weekje of zo,’ geef ik knarsetandend toe. ‘U bent goed op de hoogte van wat er in onze wijk speelt. Maar die zakjes en doosjes in onze straten en achtergangen zijn hoofdzakelijk afkomstig van snoepende jeugd, die realiseren zich nog niet wat zwerfvuil voor gevolgen heeft.’
‘Ja,’ gaat de voorzitter daar gretig op in, ‘daar wilde ik het ook over hebben. Het mooie van zwerfvuil is, dat het ander zwerfvuil aantrekt. Daar draait alles om. Men ziet wat rommel op straat en denkt onbewust: daar kan mijn snoepzak of leeg sigarettenpakje ook wel bij! Dat is zo prachtig, die natuurlijke kettingreactie, daar hoeven wij verder niets aan te doen. Vuil trekt vuil aan. En beter nog; een vuile omgeving lokt vandalisme uit! En dat trekt weer ander vandalisme aan. Zo zit de mens in elkaar. En vandalisme leidt weer verder tot criminaliteit. Is dat niet verrukkelijk? Kunt u zich iets mooiers voorstellen?’
‘Nee!’ roep ik boos, ‘niets afschuwelijkers zult u bedoelen!’

Het vat tegenover me rochelt een keer nadrukkelijk en zegt dan: ‘Nu bent u weer hypocriet. U had het daarnet over de jeugd. Bent u vergeten hoe u zelf eens met veel plezier vandalisme heeft gepleegd?’
Hier ben ik even stil van. Hoe weet die man - dat díng bedoel ik - dit allemaal! Zwakjes verdedig ik me met: ‘Dat was een jeugdzonde en het is onderhand wel verjaard.’
‘Daar gaat het niet om, het gaat om de oerdrift in iedere mens om zich met chaos te omringen. En dát is in internationaal opzicht het einddoel van onze bond: ‘Chaos van Schijndel tot Santiago en van Breda tot Bangkok. En het zal niet lang meer duren voordat de gemiddelde bewoner toegeeft aan zijn natuurlijke drang en hier aan meewerkt. Zoals ik al zei: de tijd is er rijp voor. Wij hebben grote verwachtingen van ons pilotproject hier.’

Ik stik bijna in mijn woede, maar alle wapenen zijn me uit handen geslagen en daarom roep ik machteloos: ‘U stinkt!’
‘Dank u,’ antwoordt hij bescheiden, ‘een potpourri die mijn vrouw voor me heeft samengesteld uit sigarenas, oude luiers en bedorven vis; een bijzonder aangename mix, al zeg ik het zelf.’
Nu moet ik werkelijk kokhalzen. ‘Dank u,’ zegt de voorzitter nog een keer, alsof ik hem hiermee weer een compliment geef. Nadat ik nog ‘Holle vaten klinken het hardst!’ heb geroepen, geef ik het op en vlucht met de recorder in mijn armen, weg van dat verschrikkelijke stuk vuil. Maar ik weiger te geloven in het toekomstbeeld wat de voorzitter me zojuist heeft geschetst. Dat mag nooit gebeuren. We moeten toch alles doen om dat te voorkomen? Wij, bewoners, zijn de enige die daarvoor kunnen zorgen. En het is vaak zo’n kleine moeite. Denk niet alleen: wat een rotzooi!. Als u zwerfvuil ziet liggen, ruim het dan even op of bel de gemeentelijke klachtenlijn! Geef zwerfvuil geen kans!

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website