Kerst in Rwanda

een verhaal van Helma Verhof

Deze warme kerst van 1993, vieren we op uitnodiging van de Belgische ambassadeur, die zijn tweede huis in de grensplaats Gysenji met De Congo heeft.

We kregen de uitnodiging, omdat mijn lief zich directeur mag noemen van een voor Rwanda belangrijk bedrijf.

We wonen hier al wat jaren, maar het went niet echt, dat het met kerst 28 graden is, dat de zon schijnt en alles geurt naar aarde en bloemen.

We aanvaarden de reis van uit Kigali door de prachtige heuvels, om na 3 uur haarspeldbochten te hebben gereden, ietwat misselijk aan te komen.

De tuin is prachtig versierd. Overal staan kleine tafels met mooi opgemaakte schalen en er is een koudbufet.

De gastvrouw en gastheer heten iedereen welkom in hartverwarmend Vlaams.

Bedienden lopen over en weer; het ontbreekt niemand aan iets.

Als we ons tussen de gasten begeven, valt het mij op dat ik zoveel mannenstemmen hoor. Ze maken grappen met elkaar in het melodieuze Frans. Als ik mijn verbazing deel met mijn lief, vertelt hij me dat deze mannen in militair uniform gekleed zijn.

“Help, waar ben ik terecht gekomen!”

Ik, als rechtgeaarde pacifist, kerstmisvieren met soldaten?”

Maar ja, het is tenslotte wel oorlog. In ieder geval de dreiging ervan en zeker hier in de grensstreek.

We zagen ze: vluchtelingen uit de Congo, Toetsies op de loop voor Hoetoes, elkaar bestrijdende volkeren, die maar niet kunnen beseffen dat iedereen een vredig plekje onder de zon verdient.

En op de wegen legervoertuigen in allerlei variaties.

We horen dagelijks en ook in de nacht granaten af gaan, kanon geluiden en afweergeschut. Het geeft me knopen in mijn maag. Ik probeer er niets van te vinden, want er is zoveel dat ik niet weet en niet kan invoelen van deze zo andere cultuur dan de mijne.

We ontmoeten de strijd heel tastbaar, als een verstild zacht mens mij de gehechte mancheteverwondingen laat voelen, omdat ik ze met mijn ogen niet kan zien. Zo teder en zo afschuwelijk tegelijk.

Maar hier en nu is er heerlijk eten. De champagne staat klaar, er zijn kerstliedjes die ik samen met de militairen zing; over hoop, liefde en vrede.

Ze komen naar me toe, pakken mijn hand en zeggen gemeend: “bon NoŽl.”

‘Mijn hart bibbert ervan, want ik besef dat dit door mij beleefde verhaal past in alle tijden.

Samen in verlangen naar verbinding en vrede, en tegelijk zo vijandig eenzaam’.

***
terug naar de inhoudsopgave
terug naar de beginpagina van Pointe
terug naar de beginpagina van de website